Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF8050

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2003
Datum publicatie
17-06-2003
Zaaknummer
02729/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF8050
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De klacht dat het Hof bij het ondervragen van getuige [getuige 1] de verdediging onaanvaardbaar het stellen van vragen aan de getuige heeft belet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 347
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02729/02

Mr. Fokkens

Zitting 15 april 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Aan verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 26 september 2002 een gevangenisstraf van 20 jaren opgelegd wegens 1 primair "medeplegen van moord, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is", 3 primair "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven of beroofd houden" en 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie".

2. Namens verdachte heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage, elf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof bij tussenarrest van 18 december 2001 het verzoek om toetsing van een gevonden sigarettenpeuk aan het register als bedoeld in art. 195a lid 5 Sv ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen.

4. Nadat het betreffende tussenarrest was gewezen, is het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2002 opnieuw aangevangen omdat het Hof anders was samengesteld dan ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting op 30 oktober 2001. Uit het proces-verbaal van deze en de volgende terechtzittingen blijkt niet dat het in het middel genoemde verzoek is herhaald of als herhaald moet worden beschouwd. Hetzelfde geldt ten aanzien van de beslissing op het verzoek. Dat betekent dat de bestreden uitspraak niet mede berust op de in het tussenarrest gegeven beslissing op het verzoek, zodat het om die reden faalt (vgl. HR 20 februari 1996, NJ 1996, 424 m.nt. 't H)

5. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof in zijn tussenarrest van 18 december 2001 ten onrechte het verzoek om CID-informanten als getuige te horen heeft afgewezen, althans dat die afwijzing onbegrijpelijk is.

6. Het middel faalt om dezelfde reden als het eerste middel, nu ook dit verzoek niet is herhaald.

7. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof bij het ondervragen van getuige [getuige 1] de verdediging onaanvaardbaar het stellen van vragen aan de getuige heeft belet.

8. Ter zitting van het Hof van 15 januari 2002 is met betrekking tot het beletten van gevolg geven aan vragen het volgende gepasseerd:

"De voorzitter deelt mede dat uitgangspunt bij de ondervraging van de getuigen zal zijn dat het hof vragen die ertoe strekken om identiteitsgegevens van informanten bekend te maken dan wel vragen die bij de beantwoording daarvan ertoe kunnen leiden dat de identiteitsgegevens bekend worden, zal beletten. Het hof denkt in het bijzonder aan de vraag of de desbetreffende getuige in de onderhavige zaak informant is geweest en/of aan de vraag of de desbetreffende getuige als informant enige zich in het dossier bevindende CIE-informatie heeft verstrekt.

Zowel het algemeen opsporingsbelang dat er mee is gediend dat potentiële informanten niet worden afgeschrikt en wraakacties tegen hen worden voorkomen als het belang van de persoonlijke veiligheid van de informanten verzet zich tegen beantwoording van dergelijke vragen. Deze belangen dienen naar het oordeel van het hof in het algemeen zwaarder te wegen dan het belang van de verdediging om deze informanten na bekendmaking van hun identiteit over de verstrekte informatie eventueel ter terechtzitting te kunnen horen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de wijze waarop (CIE-) informatie is verkregen door het horen ter terechtzitting van politieambtenaren die die informatie direct of indirect hebben ontvangen, kan worden getoetst.

Voorkomen moet worden dat een getuige op een door de verdediging gestelde vraag al min of meer direct of indirect, verbaal of non-verbaal, antwoord geeft en aldus afbreuk doet aan de hiervoor omschreven belangen. Als de kring van potentiële informanten gezien de aard van de verstrekte informatie klein is, zoals in de onderhavige zaak, kan ook een ontkennend antwoord die belangen schenden door in de richting van andere potentiële informanten te wijzen en aldus de kring van potentiële informanten kleiner te maken.

De voorzitter beveelt daarom in het kader van de hem in artikel 272, eerste lid, jo artikel 415 Sv toevertrouwde leiding van het onderzoek ter terechtzitting en de hem in artikel 124, eerste lid, Sv opgedragen taak tot handhaving van de openbare orde op grond van genoemde klemmende redenen dat vragen die betrekking hebben op de eventuele status van betrokkene als informant of op de in dit dossier aanwezige CIE-informatie eerst, eventueel buiten aanwezigheid van de getuige, aan de voorzitter worden voorgelegd ten einde de procedure zoals die is neergelegd in artikel 293, tweede lid, juncto artikel 415 Sv te kunnen volgen. In dit verband verwijst het hof naar HR 13 november 2001, NJB 2002, 1.

De raadslieden gaan akkoord met de genoemde procedure."

9. Vervolgens gaat het over de terugverwijzing naar de Rechter-Commissaris wegens het horen van de informant(en) die heeft verklaard dat [betrokkene 1] heeft geschoten:

"De advocaat-generaal vordert dat het hof gelet op het aanvullend proces-verbaal van de CIE-inspecteur Teunissen d.d. 14 januari 2002 de in het tussenarrest d.d. 18 december 2001 in de zaak van [verdachte] bepaalde terugverwijzing naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het arrondissement 's-Gravenhage zal herroepen. De heer Teunissen houdt zich beschikbaar om eventueel vandaag nog te worden gehoord.

De raadsman van [verdachte] verzoekt het hof de verwijzing naar de rechter-commissaris zoals verwoord in het tussenarrest te handhaven. Het aanvullend proces-verbaal maakt de zaak niet anders. [Getuige 1] is niet de informant. De verdediging wil de identiteit van de informant niet achterhalen, maar alleen vragen kunnen stellen aan de informant omtrent de gegeven informatie.

De verdediging twijfelt aan de juistheid van de inhoud van het aanvullend proces-verbaal, omdat in de verklaringen van [getuige 1] bij de politie nergens naar voren komt dat [betrokkene 1] daarbij heeft geschoten.

(...)

De advocaat-generaal merkt nog [op] dat het, gelet op het aanvullend proces-verbaal niet meer nodig is de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris. Voorkomen moet worden dat informanten bij de zaak worden betrokken. De politie zegt dat ook toe aan informanten. Een verhoor door de rechter-commissaris kan bedreigend zijn voor de informanten. Hij persisteert bij zijn vordering.

De raadsman van [verdachte] persisteert bij zijn eerder gemaakte opmerkingen. De CIE-informatie is ontlastend voor [verdachte]. De raadsman van [verdachte] verzoekt subsidiair, als het hof zijn beslissing herroept, die CIE-informatie uit het dossier te verwijderen nu de informatie niet betrouwbaar is.

De voorzitter deelt mede dat het hof voor het verhoor van de getuige [getuige 1] nader zal beslissen."

10. Alvorens getuige [getuige 1] wordt verhoord verzoekt de voorzitter de Advocaat-Generaal om de heer Teunissen als getuige op te roepen.

Na het eerste deel van het verhoor van getuige [getuige 1], waarbij geen vragen worden belet, wordt overgegaan tot het verhoor van getuige Teunissen.

Deze verklaart als volgt:

"De betreffende informant heeft geen eigen wetenschap. Met betrekking tot de passages waar staat "Bij de moord zijn betrokken de gebroeders [verdachte en betrokkene 2] en de zoon [betrokkene 1]" en "[betrokkene 1] heeft daarbij geschoten" is de enige bron van informatie [betrokkene 1]. In een ander proces-verbaal dat door mij is opgemaakt is er wel sprake van een andere bron. Ik maak in principe proces-verbaal op van CIE-informatie, bij uitzondering maakt iemand anders proces-verbaal op".

11. Vervolgens wordt getuige [getuige 1] weer verhoord. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt met betrekking tot dat verhoor het volgende:

"De raadsman van [betrokkene 2] verzoekt het hof om de volgende vragen te stellen aan de getuige.

"Is er door U tussen mei en oktober 2000 met derden gesproken over hetgeen heeft plaatsgevonden in de nacht van 13 op 14 mei en met wie";

"Heeft U later van derden iets gehoord over het gebeurde";

"Heeft U tegen derden gezegd dat [betrokkene 1] daarbij geschoten heeft".

De advocaat-generaal verzoekt het hof om in ieder geval de vraag "met wie" te beletten.

De raadsman van [betrokkene 2] merkt op dat, voorzover het gaat over de passage "[betrokkene 1] heeft daarbij geschoten", hij het eens kan zijn met de advocaat-generaal, maar dat de vragen voor het overige wel beantwoord kunnen worden.

De raadsman van [verdachte] verzoekt de vragen uit te breiden met de vraag:

"Heeft U tegen iemand gezegd dat [verdachte], zijn zoon [betrokkene 1] en de broer van [verdachte], [betrokkene 2] betrokken zijn bij de moorden in Loosduinen op 14 mei 2000".

De advocaat-generaal heeft geen bezwaar tegen deze vraag.

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging.

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat genoemde vragen aan de getuige kunnen worden gesteld, maar dat zij de vragen alleen met ja of nee mag beantwoorden en daarbij geen namen mag noemen.

Dit in verband met de bescherming van de identiteit van de informant(en).

De raadsman van [betrokkene 2] vraagt of er helemaal geen namen van derden genoemd mogen worden.

De raadsman van [verdachte] heeft bezwaar tegen deze gang van zaken en wil graag de motivering van het hof weten waarom alleen met ja of nee mag worden geantwoord.

De voorzitter deelt namens het hof mede dat per vraag zal worden bekeken of er eventueel naar namen gevraagd kan worden.

De voorzitter stelt de vragen:

"Is er door U tussen mei en oktober 2000 met derden gesproken over hetgeen plaatsgevonden heeft in de nacht van 13 op 14 mei"?

De getuige verklaart: Ja.

"Hebt U later van derden iets gehoord over het gebeurde"?

De getuige verklaart: Nee.

"Hebt U tegen derden gezegd dat [betrokkene 1] daarbij geschoten heeft of kan men mogelijk begrepen hebben dat U iets dergelijks hebt gezegd"?

De getuige verklaart: Nee.

De raadslieden geven beiden aan een onbevredigd gevoel over deze gang van zaken te hebben. Het is goed dat de identiteit van de informant(en) wordt beschermd. Maar nu de getuige aangeeft die woorden niet gebezigd te hebben zoals ze zijn opgeschreven door de criminele inlichtingen eenheid, kan zij dus niet de bron van de informant(en) zijn. Wij willen dus graag dat aan de getuige wordt gevraagd met wie zij dan wel heeft gesproken.

De advocaat-generaal heeft hier bezwaar tegen. Er blijft gevaar bestaan dat aldus de identiteit van de informant toch bekend wordt.

De raadsman van [verdachte] deelt mede dat hij blijft bij zijn verzoek om de informant door de rechter-commissaris te doen horen.

De advocaat-generaal verwacht problemen, in geval de informant als bedreigde getuige wordt aangemerkt, omdat een confrontatie van de getuigen met de afgelegde verklaringen pas zinvol is, als de identiteit van de informant aan [betrokkene 1] bekend is.

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging.

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat de getuige [getuige 1] eerder bij de politie heeft verklaard dat zij tegen [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] het verhaal heeft verteld.

De getuige [getuige 1] verklaart:

Ik heb niet aan anderen dan de genoemde personen het verhaal verteld. Het verhaal houdt in dat [betrokkene 1] en [verdachte] bij de moorden betrokken zijn en dat [verdachte] heeft geschoten.

De raadsman van [betrokkene 2] deelt mede niet op zoek te zijn naar de naam van de informant.

De raadsman van [verdachte] deelt mede dat de verklaring van de informant ontlastend kan zijn voor [verdachte]. De rol van [betrokkene 1] is duidelijk.

De vragen die gesteld kunnen worden aan de informant zijn: Is [betrokkene 2] betrokken bij de moorden en heeft [betrokkene 1] geschoten.

De advocaat-generaal merkt op dat [betrokkene 1] op de benzinetank heeft geschoten.

De voorzitter deelt na kort overleg mede dat het hof blijft bij zijn beslissing om de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris zoals verwoord in het tussenarrest d.d. 18 december 2001.

De getuige [getuige 1] verklaart nog:

Ik heb na 14 mei geen nieuwe feiten gehoord over de zaak."

12. Laat ik vooropstellen dat het Hof, gelet op de veiligheidsrisico's voor de informant(en) bij bekendwording van de identiteit, antwoorden op vragen waarbij de kans aanwezig was dat die identiteit bekend zou worden mocht beletten (vgl. HR 5 december 2000, NJ 2001, 206; HR 18 mei 1999, zaaknr. 111.322, LJN: ZD1555).

13. Uit het hierboven weergegevene blijkt echter dat alle door de raadslieden verzochte vragen aan de getuige zijn gesteld, inclusief de vraag met wie zij heeft gesproken over het gebeurde, zonder dat het Hof een of meer antwoorden op die vragen heeft belet. Het in de toelichting op het middel genoemde bezwaar dat de raadslieden tegen de gang van zaken aantekenden betrof uitdrukkelijk die laatstgenoemde vraag, namelijk met wie getuige [getuige 1] gesproken had over het gebeurde. En ten aanzien van deze vraag heeft het Hof nu juist zijn voorwaarde dat de vragen enkel met ja of nee beantwoord mochten worden laten vallen.

14. In het licht van het voorgaande, met name de omstandigheid dat alle vragen die de verdediging beantwoord wilde zien ook daadwerkelijk zijn beantwoord, is van een overschrijding van de door art. 293 Sv gestelde grenzen dan wel van een ernstige niet-naleving van procedurevoorschriften derhalve geen sprake.

15. Het middel faalt.

16. Het vierde middel bevat de klacht dat het Hof het verzoek van de verdediging tot toevoeging van het verhoorplan aan de processtukken ten onrechte heeft afgewezen.

17. Het Hof heeft naar aanleiding van bedoeld verzoek het volgende overwogen (proces-verbaal van de terechtzitting van 15 januari 2002, p.17/18):

"Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het hof het verzoek van de raadsman afwijst, omdat de getuige kort het doel en de inhoud van het verhoorplan heeft aangegeven dat vooral bestaat uit de vastgestelde onderwerpen van het verhoor en de volgorde die daarbij in acht zal worden genomen. Het verhoorplan heeft het karakter van hulpmiddel en heeft geen officiële status. De getuigen Jansen en Kölker zijn ter zitting bevraagd kunnen worden omtrent de wijze van verhoor. Redelijkerwijs valt aan te nemen dat door afwijzing van het verzoek [verdachte] niet in zijn verdediging wordt geschaad."

18. Volgens het middel heeft het Hof miskend dat het beschikbare bewijsmateriaal - ook dat in ontlastende zin - en de resultaten van het opsporingsonderzoek, kortom alle stukken die voor het onderzoek van belang kunnen zijn, in het dossier moeten worden gevoegd.

19. Dat het Hof de in het middel bedoelde maatstaf - die overigens niet zo ver gaat dat alle van belang zijnde stukken zonder uitzondering in het dossier moeten worden gevoegd, HR NJ 1996, 687 - voor het al dan niet opnemen van stukken in het dossier heeft miskend, blijkt niet uit de motivering van de afwijzing van het verzoek. Daarin ligt immers besloten dat het Hof meent dat het verhoorplan niet een stuk is dat in voor de verdachte belastende of ontlastende zin redelijkerwijs van belang kan zijn (vgl. HR 4 januari 2000, NJ 2000, 537, m.nt. Sch; HR 21 oktober 1997, NJ 1998, 133, m.nt. 't H; HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687, m.nt. Sch).

20. Dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat de raadsman het verzoek om het verhoorplan over te leggen enkel heeft onderbouwd met de stelling dat het Hof behoort te toetsen of de verhoren correct hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat de getuige Kölker omtrent inhoud en functie van het verhoorplan heeft verklaard:

"Er is in deze zaak bij het verhoren van de verdachten gebruik gemaakt van verhoorplannen.

Daarin zijn de onderwerpen van het verhoor vastgesteld en is de volgorde die daarbij in acht zal worden genomen aangegeven."

en

"Vooraf wordt een verhoorplan opgemaakt over de vragen die aan een verdachte gesteld gaan worden. Er staat niet in wat wel of niet mag."

en

"In het verhoorplan stonden vraagpunten bijvoorbeeld over de auto van [verdachte]."

21. Het middel faalt derhalve.

22. Het vijfde middel bevat de klacht dat de Rechter-Commissaris bij het horen van de bedreigde getuige maatregelen heeft genomen tot bescherming van de identiteit van de bedreigde getuige, welke een ontoelaatbare inbreuk maakten op het recht van de verdachte de getuige te kunnen ondervragen.

23. Op dit punt heeft de verdediging in hoger beroep geen verweer gevoerd, terwijl dat de plaats was om hetgeen thans in cassatie wordt aangevoerd naar voren te brengen. De eerste klacht, dat de Rechter-commissaris zonder wettelijke grondslag heeft verboden dat de verdediging het verhoor van de getuige kon bijwonen, faalt dan ook reeds omdat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.

24. De tweede klacht van het middel houdt in dat de door de rechter-commissaris genomen maatregelen zozeer het ondervragingsrecht van de verdediging hebben beperkt, dat daardoor op verdachtes recht op een eerlijk proces een inbreuk is gemaakt.

25. Ondanks het ontbreken van enig verweer op dit punt heeft het Hof aan deze kwestie aandacht besteed in de nadere bewijsoverwegingen in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, juncto artikel 415 Sv:

"Op verzoek van de verdediging heeft het hof nog een nader onderzoek ingesteld inzake de juistheid van een zich bij de stukken bevindend proces-verbaal d.d. 11 juli 2000, nr. 103/2000 (blz. 407), opgemaakt door W.A. Engels, coördinator van de Criminele Inlichtingen Eenheid van de regiopolitie Haaglanden en inhoudende als de door (een) informant(en) verstrekte inlichtingen: "De volgende personen zijn bij de dubbele moord in loosduinen, d.d. 14 mei 2000, betrokken: [verdachte], zijn zoon, [betrokkene 1] en de broer van [verdachte], [betrokkene 2]. [Betrokkene 1] heeft daarbij geschoten.", aangezien dat proces-verbaal er mogelijk op zou kunnen wijzen dat niet de verdachte maar zijn zoon [betrokkene 2] (geboren op [geboortedatum] 1970) de beide slachtoffers zou hebben doodgeschoten.

De betrokken informant is door de rechter-commissaris op 11 juli 2002 als bedreigde getuige gehoord. De bedreigde getuige heeft onder meer geantwoord, (a) dat hij/zij niets gezien heeft van de schietpartij op 14 mei 2000, (b) dat hij/zij niet heeft gehoord dat [betrokkene 1] specifiek op de slachtoffers zou hebben geschoten, alleen dat hij zou hebben geschoten, (c) dat hij/zij niet heeft gehoord wie de schoten op de slachtoffers heeft gelost en (d) dat het hem/haar niet bekend is of [betrokkene 1] op een slachtoffer of op iets anders zou hebben geschoten.

Nu ook overigens in het dossier geen enkele aanwijzing kan worden gevonden dat het de getuige [betrokkene 2] (geboren op [geboortedatum] 1970) is geweest die de beide slachtoffers zou hebben doodgeschoten en voorts vaststaat dat deze getuige op de Ford Sierra, waarin de slachtoffers waren beschoten, heeft geschoten om die in brand te steken, kan niet worden gezegd dat de mogelijkheden voor de verdachte om ontlastend bewijsmateriaal aan te dragen vanwege het enkele feit dat de rechter-commissaris, gelet op de bescherming van de anonimiteit van de bedreigde getuige, heeft belet dat het antwoord op bepaalde vragen ter kennis kwam van de verdediging, zodanig zijn beknot dat er geen sprake meer is geweest van een eerlijk proces."

26. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Nu in het middel geen enkel argument tegen deze overweging van het Hof naar voren wordt gebracht, wil ik daarmee volstaan. De aan deze klacht kennelijk ten grondslag liggende opvatting dat beperkingen zoals in het middel genoemd op zich onverenigbaar zijn met art. 6 EVRM, is onjuist. Zelfs als dergelijke beperkingen worden aangebracht bij de ondervraging van een anonieme getuige wiens verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, kan dat aanvaardbaar zijn, zoals blijkt uit de beslissing van het EHRM in de zaak Kok (NJ 2001, 401). Ook de tweede klacht faalt.

27. Het zesde middel bevat de klacht dat het Hof het verzoek van de verdediging tot gecensureerde kennisneming van de door de Rechter-Commissaris bij het horen van de bedreigde getuige belette antwoorden ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen en heeft verzuimd te controleren of de getuige al eerder bij name was gehoord.

28. Deze klacht wordt in de toelichting op het middel in vier onderdelen uitgewerkt.

29. Het eerste onderdeel bevat de klacht dat het Hof heeft miskend dat het aan de zittingsrechter is om te beoordelen of de verdedigingsrechten op onredelijke wijze zijn beknot en dat het Hof dit in het onderhavige geval heeft nagelaten.

30. Het Hof heeft echter wel degelijk beoordeeld of de verdedigingsrechten op onredelijke wijze zijn beknot; zie het hierboven onder nr. 25 weergegeven citaat uit het arrest van het Hof. De grief mist derhalve feitelijke grondslag.

31. Het tweede onderdeel bevat mijns inziens geen grief. Er wordt volstaan met de opmerking dat de verdediging heeft laten blijken geen beroep op de interne openbaarheid te doen en een volwaardig alternatief heeft aangedragen.

32. Nu er geen sprake is van een concrete klacht volsta ik met de enkele opmerking dat de steller van het middel lijkt te miskennen dat de interne openbaarheid niet afhankelijk is van de vraag of de verdediging daar een beroep op zal doen. Het is een van de grondbeginselen van het strafproces (vgl. HR 20 april 1999, NJ 1999, 677).

33. De derde grief gaat er aan voorbij dat de wetgever bij de regeling rond de bedreigde getuige juist heeft vastgelegd dat bepaalde informatie niet ter kennis van de zittingsrechter komt, namelijk die informatie waar de identiteit van de getuige uit af te leiden zou zijn.

34. Dat het Hof het noodzakelijk vond de betreffende getuige te doen horen door de Rechter-Commissaris doet hier niet aan af. Het Hof acht zich immers, zie wederom het hierboven onder nr. 25 weergegeven citaat, voldoende ingelicht door diens in het proces-verbaal van het verhoor van de bedreigde getuige opgenomen verklaring. Aan de door het Hof gevoelde noodzakelijkheid is derhalve wat het Hof betreft geheel voldaan.

35. De vierde grief is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om te onderzoeken of de bedreigde (anonieme) getuige al eerder als gewone getuige in het dossier voorkomt.

36. Het Hof heeft terecht overwogen dat het wettelijke systeem een dergelijk onderzoek niet toelaat nu de Rechter-Commissaris ter wille van de bescherming van de anonimiteit van de bedreigde getuige heeft belet dat het antwoord ter kennis van de verdediging kwam. De overweging dat de Rechter-Commissaris zich, als hem daarover een vraag gesteld zou worden, hoogstwaarschijnlijk op zijn verschoningsrecht zou beroepen, is in het licht van de door de Rechter-Commissaris genoemde reden om het antwoord op de vraag niet vrij te geven, niet onbegrijpelijk. Zijn antwoord zou dan immers ook gevaren voor de anonimiteit van de bedreigde getuige inhouden, omdat ervan kan worden uitgegaan dat het antwoord van de getuige niet wezenlijk afweek van wat de Rechter-Commissaris op een dergelijke vraag zou kunnen antwoorden.

37. Het antwoord op de vraag of deze beperking van het ondervragingsrecht onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces, is door het Hof gegeven in de hierboven in nr. 25 geciteerde overweging. Mede gelet op de omstandigheid dat de ratio achter de rechterlijke controle op het eventueel anoniem horen van een reeds eerder op naam gehoorde getuige, is het voorkomen van de mogelijkheid dat de indruk wordt gewekt dat het om twee verschillende getuigen gaat (MvA, Kamerstukken II 1992/1993, 22 483, nr.6, p.22), is dat oordeel ook ten aanzien van deze beperking niet onbegrijpelijk. Nu in casu de verklaring van de bedreigde getuige niet voor het bewijs is gebruikt, doet het risico dat twee verklaringen van dezelfde getuige worden gepresenteerd als twee verklaringen van verschillende getuigen zich immers niet voor.

38. Ook de vierde grief treft geen doel.

39. Het middel faalt in alle onderdelen.

40. Het zevende middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat de politie bij de verhoren gebruik heeft gemaakt van ongeoorloofde verhoormethoden.

41. Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:

"11.11 Volgens het hof is op grond van de processtukken geenszins aannemelijk geworden dat ten aanzien van de verdachte onoorbare verhoormethoden zijn gebezigd. Volgens de pv-coördinator A.J.M. Kölker, als getuige gehoord op de terechtzitting van het hof van 15 januari 2002, had de verdachte geen bezwaar tegen een confrontatie met de plaats waarop het delict is begaan. Dat is ook niet verwonderlijk want de verdachte ontkent daar te zijn geweest. De raadsman van de verdachte heeft het hof ook niet om een nader onderzoek verzocht en volstaan met het in zijn pleidooi bijeenvoegen van enkele niet nader gestaafde beweringen die gezamenlijk een schending van het pressieverbod zouden moeten opleveren.

De raadsman heeft voorts verzuimd, hoewel hij daartoe gelegenheid heeft gehad toen de hoofdagente van politie A.C.M. Jansen ter terechtzitting van het hof van 15 januari 2002 als getuige is gehoord, haar over de verhoormethoden te ondervragen. Mede gelet op het late stadium waarin dit strafmaatverweer is gevoerd en het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing van de gedane beweringen acht het hof geen noodzaak aanwezig om thans nog een en ander te onderzoeken. Voor strafvermindering op die grond bestaat dan ook geen aanleiding."

42. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer heeft verworpen met een enkele verwijzing naar de wijze van optreden van de raadsman.

43. Dat is, zoals blijkt uit de geciteerde overweging, niet juist. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag. Volledigheidshalve merk ik op dat het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat ten aanzien van verdachte onoorbare verhoormethodes zijn toegepast, geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.

44. Het middel faalt.

45. Het achtste middel klaagt dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de piketadvocaat niet onverwijld is ingelicht en ook niet gerespondeerd heeft op een daartoe voorgedragen verweer.

46. Bedoeld verweer betreft twee alinea's (nr 62 en 63) in de pleitnota die als volgt luiden:

"62. De arrestatie van cliënt was goed voorbereid. De verdachten zijn direct overgebracht naar een plaats voor verhoor. Volgens artikel 40 lid 2 Sv wordt de piketraadsman onverwijld ingelicht over de inverzekeringstelling. In casu werd cliënt op 3 oktober 2000 rond 6:00 uur gearresteerd, om 10:00 uur in verzekering gesteld. De piketcentrale meldt, dat zij pas om 14:03 uur de melding heeft ontvangen. Een vertraging van 4 uur is niet meer onverwijld. In casu geldt exact hetzelfde. In de tijd, die met de vertraging was gemoeid, werd cliënt door de politie intensief verhoord, al kort nadat hij door een arrestatieteam met 'geweld' van zijn bed was gelicht.

63. Uit de verhoren die in deze periode zijn afgenomen is geen relevant bewijs naar voren gekomen. Van bewijsuitsluiting is geen sprake. Daarom volsta ik ermee op te merken dat er inbreuk is gemaakt op de rechten van cliënt, die in enigerlei mate tot strafvermindering moet leiden."

47. Het Hof is inderdaad niet uitdrukkelijk op dit verweer ingegaan in zijn arrest. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof hetgeen in par. 62 van de pleitnota was opgenomen beschouwd als een onderdeel van het verweer dat er ongeoorloofde verhoormethoden zijn toegepast: de par. 56-63 staan in de pleitnota immers onder het kopje "DE STRAFMAAT en OVERTREDING PRESSIEVERBOD ARTIKEL 29 EN ONSCHULDPRESUMPTIE en er wordt een duidelijk verband gelegd tussen het te laat waarschuwen van de piket-advocaat en de intensieve verhoren die in de periode voorafgaand aan het melden van de inverzekeringsteling plaatsvonden. Derhalve ligt de verwerping besloten in de overweging dat het geenszins aannemelijk is geworden dat ten aanzien van verdachte ongeoorloofde verhoormethoden zijn gebezigd.

48. Volledigheidshalve voeg ik eraan toe dat deze verwerping gelet op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd - waarin mijns inziens geen enkel handelen in strijd met art. 29 Sv te ontwaren valt - toereikend is gemotiveerd.

49. Het middel faalt derhalve.

50. Het negende middel klaagt dat het Hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft vastgesteld dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

51. De eerste vraag die zich voordoet is of hetgeen wordt aangevoerd wel gekwalificeerd kan worden als een middel van cassatie. Aangevoerd wordt slechts dat het Hof het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen had mogen verklaren, doch op de bij pleidooi (nrs 14 t/m 32) aangedragen gronden had moeten vrijspreken. Nu de steller van het middel het bij deze stelling heeft gelaten en heeft afgezien van enige verdere concretisering en onderbouwing, meen ik dat geen sprake is van een cassatiemiddel (vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p.82/83).

52. Het tiende middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte de slachtoffers met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.

53. Het Hof heeft ten aanzien van de voorbedachte rade het volgende overwogen:

"7.3. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is volgens vaste rechtspraak voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (Zie HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605 en HR 11 juni 2002, NJB 2002, 104).

7.4. In aanmerking genomen de tijd die is verstreken tussen het ophalen van een vuurwapen uit de woonwagen door de zoon van de verdachte en het besluit van de verdachte om rijdende in de Ford Sierra met behulp van een in de auto verborgen vuurwapen op de beide lifters te schieten, heeft de verdachte voldoende gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van dit besluit. Ook het besluit van de verdachte om, onmiddellijk nadat hij er door zijn zoon op was geattendeerd dat één van de lifters nog leefde, hen nogmaals in het hoofd en/of de nek te schieten wijst op de wil van de verdachte om het reeds tevoren genomen besluit om de beide lifters dood te schieten ook daadwerkelijk uit te voeren.

In het dossier is voorts geen aanknopingspunt te vinden voor een plotseling opgekomen gemoedsbeweging van de verdachte.

Als zodanig beschouwt het hof niet de verklaring van de getuige A.C.J. Jansen, hoofdagente van politie Haaglanden, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 15 januari 2002, dat tijdens een gesprek in de cel van het politiebureau Loosduinen door de verdachte is gesproken over "die nacht" en dat hij toen heeft gezegd: "Ik had dat gevoel, ik weet niet hoe ik het moet omschrijven al eerder gehad. Toen kon ik het wegdrukken door keihard te werken en geen agressie te zoeken".

Immers nu de verdachte heeft ontkend met mevrouw Jansen over de nacht van 13 op 14 mei 2000 te hebben gesproken en voorts ervoor heeft gekozen om het hof geen enkel inzicht te verschaffen in de totstandkoming van het door hem genomen besluit om de beide lifters dood te schieten, leidt het hof uit de hiervoor geschetste omstandigheden af dat bij de verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad."

Ten aanzien van het vuurwapen waarmee geschoten is heeft het Hof voorts nog overwogen:

"7.6. Dat de verdachte uiteindelijk niet met het door de zoon van de verdachte opgehaalde wapen, maar met een ander - in de auto verborgen - wapen de lifters heeft doodgeschoten, doet hieraan niet af. Zoals hiervoor overwogen, moet het voor de zoon van de verdachte duidelijk zijn geweest dat het verzoek van de verdachte om een vuurwapen te halen een strekking had die zeer wel gewelddadig handelen van de vader tegen beide lifters zou kunnen meebrengen."

54. Volgens het middel is de redenering van het Hof onbegrijpelijk omdat de slachtoffers niet om het leven zijn gebracht met het vuurwapen dat werd opgehaald.

55. Die klacht faalt. Volgens de bewijsmiddelen heeft verdachte de beide slachtoffers terwijl ze in de rijdende auto zaten in koelen bloede in het hoofd geschoten. De wijze waarop dat volgens het eerste bewijsmiddel is geschied, duidt eerder op voorbedachte rade dan schieten in een opwelling. In het licht hiervan heeft het Hof kunnen oordelen dat de in verhullende termen door verdachte aan zijn zoon gegeven opdracht om een vuurwapen op te halen er op duidt dat hij op dat moment reeds het voornemen had om tegen de latere slachtoffers gewelddadig op te treden. Derhalve heeft het Hof tot de conclusie kunnen komen dat beide slachtoffers met voorbedachten rade om het leven zijn gebracht.

56. De stelling in de toelichting op het middel dat de omstandigheid dat het Hof in de bewijsvoering heeft meegenomen dat verdachte heeft gehandeld met een gevoel dat hij niet kan omschrijven, maar al eerder had meegemaakt, het Hof tot het oordeel had moeten brengen dat is gehandeld in een plotseling opgekomen opwelling, miskent dat het Hof die omstandigheid uitdrukkelijk niet heeft meegenomen in de bewijsvoering. Integendeel, het Hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom aan de verklaring dat verdachte dit gezegd zou hebben niet de conclusie kan worden verbonden dat hij in een opwelling heeft gehandeld.

57. Het middel faalt.

58. Het elfde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft vastgesteld dat verdachte medepleger is van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

59. Dit middel is hetzelfde lot beschoren als middel negen. Bij gebreke van een stellige en duidelijke grief is er geen sprake van een cassatiemiddel.

60. Alle middelen - met uitzondering van hetgeen als middel 9 en 11 wordt gepresenteerd - kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

61. Ook overigens geen gronden voor vernietiging aanwezig achtend concludeer ik dat verdachte in zijn beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard voor zover dat is gericht tegen het tussenarrest van 18 december 2001 en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv.