Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF7899

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
C02/004HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF7899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 juli 2003 Eerste Kamer Nr. C02/004HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats], 2. [Eiseres 2], gevestigd te [vestigingsplaats] EISERS tot cassatie, advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen, t e g e n

1. de vereniging SOCIALISTISCHE PARTIJ, gevestigd te Rotterdam, 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2003-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 386
JWB 2003/279

Conclusie

Rolnr.: C02/004

mr. J. Spier

Zitting: 18 april 2003

Conclusie inzake

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

(hierna afzonderlijk: [eiser 1] en [eiseres 2] en tezamen: [eiser] c.s.)

tegen

1. de vereniging SOCIALISTISCHE PARTIJ

2. [Verweerder 2]

(hierna afzonderlijk: SP en [verweerder 2] en tezamen: SP c.s.)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten.(1)

1.2 [Eiser 1] is directeur en aandeelhouder van [eiseres 2]. [Eiseres 2] is een houdstermaatschappij van aandelen van diverse vennootschappen met ondernemingen, onder meer op het gebied van de bouw, wegenbouw en aanleg van pijpleidingen.

1.3 De SP is een politieke partij. De SP is uitgever van het maandblad "SP Tribune". "SP Tribune" wordt voornamelijk gelezen door leden van de SP.

1.4 [Verweerder 2] is fractievoorzitter van de SP in de gemeenteraad van Groningen. Hij is één van de vier redacteuren van "SP Tribune" en schrijver van een artikel in de aflevering van 20 mei 1996 met de titel "[eiser 1] (de keizer van [plaats]) Een slimme ondernemer of een schurk?" (hierna: het artikel).

1.5 Van het verschijnen van het artikel in "SP Tribune" heeft de SP op 25 september 1996 een persbericht doen uitgaan.

1.6 "SP Tribune" is het partij-orgaan van de SP.(2)

1.7 "SP Tribune" verschijnt in een maandelijkse oplage van 26.000 exemplaren. Daarvan gaan er circa 25.000 naar leden van de SP en circa 1.000 naar anderen, die zich op het blad hebben geabonneerd. "SP Tribune" is niet in de losse verkoop verkrijgbaar.(3)

1.8 Op het voorblad van de editie van "SP Tribune" d.d. 20 september 1996, waarin het artikel is gepubliceerd, staat boven de naam van het blad onder meer: 'Nieuwsblad van de Socialistische Partij'.(4)

2. Procesverloop

2.1 Op 11 april 1997 hebben [eiser] c.s. - voor zover thans nog van belang - SP c.s. gedagvaard voor de Rechtbank Groningen. Zij hebben gevorderd: (1) een verklaring voor recht dat het artikel onrechtmatig en beledigend is jegens [eiser] c.s., (2) hoofdelijke veroordeling van SP c.s. tot betaling van fl. 200.000,- c.a. ter zake van immateriële schade en (3) vergoeding van schade "zoals deze zich in de loop der tijd ontwikkelt", nader op te maken bij staat (petitum inl. dagv., zoals gewijzigd bij cvr onder 36).

2.2.1 [Eiser] c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat het artikel onjuistheden en verdachtmakingen bevat, dat de gestelde feiten de insinuaties/verdachtmakingen niet kunnen dragen, dat de feiten die het artikel vermeldt niet zijn gecontroleerd door te informeren bij [eiser] c.s. en dat er geen wederhoor is toegepast (dagv. onder 3-6 en cvr onder 4, 12-26, 31-32). Het artikel is, gezien de vele onjuistheden en onterechte insinuaties, onrechtmatig jegens [eiser] c.s. Bovendien is het artikel beledigend jegens [eiser 1]. Als gevolg hiervan heeft [eiser 1] immateriële schade gelden omdat hij in eer en goed naam is aangetast. [Eiser] c.s. hebben tevens materiële schade geleden omdat naar aanleiding van het artikel met name opdrachten van overheidswege in mindere mate worden verstrekt (dagv. onder 8 en cvr onder 34-36).

2.2.2 Bovendien heeft de SP een persbericht doen uitgaan, waarin de essentie van het artikel is weergegeven, met de bedoeling om zoveel mogelijk ruchtbaarheid aan het artikel te geven, opdat ook andere kranten daarover zouden gaan publiceren, hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd (dagv. onder 7, cvr onder 32 en 35).

2.2.3 [Eiser] c.s. voeren voorts aan dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een onrechtmatige publicatie van belang is dat het artikel is opgenomen in een partij-orgaan en niet op één lijn valt te stellen met een publicatie in de dag- of weekbladpers. Er is geen sprake van een artikel waarbij op zeer korte termijn een grove maatschappelijke misstand aan de orde gesteld moest worden (cvr onder 9 en 29).

2.2.4 Het artikel bevat zeer ernstige insinuaties/beschuldigingen die voor [eiser] c.s. zeer nadelige gevolgen hebben. Dit geldt temeer nu in het artikel met name wordt gezinspeeld op het omkopen van ambtenaren/politici, terwijl juist de (lagere) overheid een belangrijke opdrachtgever is voor diverse [eiseres 2]-vennootschappen. De insinuaties/beschuldigingen vonden geenszins steun in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal (cvr onder 32).

2.2.5 SP c.s. hebben [eiser] c.s geen onvoorwaardelijk aanbod tot weerwoord aangeboden waarbij [eiser] c.s. zouden kunnen bepalen wat de inhoud en de omvang daarvan zou mogen zijn (cvr onder 27, 32).

2.3.1 SP c.s. voeren aan dat het artikel onrechtmatig noch beledigend is en dat [eiser 1] geen rechtens relevante schade heeft geleden. Een aanbod van de SP tot het afdrukken van een weerwoord heeft [eiser 1] niet aanvaard (cva onder 6 en 7).

2.3.2 SP c.s. beroepen zich op vrijheid van meningsuiting en de, volgens hen door de rechtspraak aan de pers toegekende, taak om misstanden aan de kaak te stellen. Bij de vervulling van deze taak heeft de pers een grote mate van vrijheid, waarbij wordt verwezen naar artikel 7 Gw, artikel 10 EVRM en rechtspraak van het EHRM(5) (cva onder 3).

2.3.3 De kern van het artikel is het bezwaar van de SP dat de overheid onvoldoende het algemeen belang dient door de wijze waarop zij met een ondernemer als [eiser 1] handelt (cva onder 5.1). Het artikel moet als een politieke meningsuiting worden beoordeeld wat noopt tot terughoudendheid aan de zijde van de rechter (cva onder 5.3).

2.3.4 De in het artikel vermelde feiten zijn waar; de SP heeft deze vernomen van informanten (cva onder 5.4.1-3, 5.4.8, 5.4.11, 5.4.12, 5.4.13). Het artikel is deels gebaseerd op publicaties in de media, waartegen [eiser 1] niet (merkbaar) heeft geprotesteerd, waardoor [eiser 1] het recht heeft verwerkt om tegen de eventuele onjuistheid van het artikel op te komen (cva onder 5.3, 5.4.1, 5.4.5-7, 5.4.9, 5.4.10-13 en cvd onder 5).

2.3.5 SP c.s. menen dat [eiser] c.s. een onderscheid aanbrengen in de mate van vrijheid van meningsuiting tussen de verschillende media welke geen steun vindt in artikel 10 EVRM of jurisprudentie aangaande pers- en media-uitingen. SP Tribune is een medium van de SP, maar wordt ook daarbuiten gelezen(cvd onder 4.4). Het staat de SP vrij om het publieke debat buiten de Tweede Kamer voort te zetten (cvd onder 4.14 ad par. 21 cvr). Bij afweging van het belang van de publiciteit niet schuwende [eiser 1] op bescherming van zijn eer en goede naam tegenover het belang dat misstanden die de samenleving raken niet ontstaan of blijven voortbestaan omdat zij niet door openbaarmaking onderwerp van de publieke discussie zijn geworden, mede gezien in het licht van het in artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, is het artikel rechtmatig te achten (cvd onder 5).

2.4.1 Bij vonnis van 3 juli 1998 heeft de Rechtbank de vordering van [eiser] c.s. afgewezen.

2.4.2 De Rechtbank "vereenzelvigt" [eiser 1] en [eiseres 2] (rov. 4). In appèl wordt dat niet bestreden.

2.4.3 Volgens de Rechtbank moeten voor de beoordeling van deze zaak twee belangen tegen elkaar worden afgewogen: enerzijds het belang van [eiser] c.s. niet door publicaties in de pers te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en anderzijds het belang van SP c.s. om "middels "SP Tribune" en persbericht informerend, opiniërend en waarschuwend werkzaam te zijn." In dit afwegingsproces gaat de Rechtbank te werk overeenkomstig de door de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 1983 (NJ 1984, 801) geformuleerde maatstaven (rov. 6).

2.4.4 De Rechtbank acht de verdenkingen in het artikel (samengevat in rov. 7) van dien aard dat niet is uit te sluiten dat voor [eiser] c.s. gevolgen zijn te verwachten, zoals de door hen gestelde terugloop in opdrachten van lagere overheden (rov. 8).

2.4.5 Als de verdenkingen in redelijke mate steun vinden in het destijds beschikbare feitenmateriaal wordt terecht een misstand aan de kaak gesteld (rov. 9).

2.4.6 Volgens de Rechtbank mocht de SP uitgaan van de juistheid van het belangrijkste deel van de in rov. 7 genoemde feiten. Een aantal andere feiten acht zij "van ondergeschikt belang in de relatie tot de verdenkingen waarvan [eiser 1] en [eiseres 2] stellen dat die ten onrechte uit het artikel blijken" (rov. 10.6).

2.4.7 Of de verdenkingen waarvan [eiser] c.s. stellen dat deze uit het artikel blijken voldoende grond vinden in de feiten waarvan de SP mocht uitgaan, moet worden beantwoord naar de inkleding van de verdenking (rov. 10.6).(6)

2.4.8 De verdenking is ingekleed in het weergeven van feiten waarvan de Rechtbank heeft aangegeven dat de SP ervan uit mocht gaan dat deze voor het grootste en belangrijkste gedeelte juist zijn en uit een aantal citaten (rov. 11.1). Deze inkleding kan naar het oordeel van de Rechtbank de toets der kritiek doorstaan. De conclusie die leidt tot de gewraakte verdenkingen wordt enerzijds aan de lezer gelaten en is anderzijds verpakt in de mening van derden die worden geciteerd. Het artikel bevat geen daadwerkelijke beschuldigingen als zou [eiser] c.s. politici omkopen. De kwalificaties in de citaten zijn naar het oordeel van de Rechtbank, gelet op de feitelijke grondslag, niet bijzonder schokkend of grievend (rov. 11.5).

2.4.9 De impact van het artikel in relatie tot [eiser] c.s. en de mogelijke schadelijke gevolgen die daaruit voor [eiser] c.s. zouden kunnen voortvloeien, oordeelt de Rechtbank per saldo gering. SP Tribune heeft een beperkt lezerspubliek, voornamelijk leden van de SP en onder dit lezerspubliek bevindt zich niet het gros van de potentiële opdrachtgevers van [eiser] c.s. Het persbericht heeft mogelijk de impact van het artikel vergroot, maar onvoldoende is gesteld of gebleken dat de inhoud van het artikel is overgenomen door de meer openbare pers (rov. 12).

2.4.10 De Rechtbank rondt af met het oordeel dat SP c.s. zich jegens [eiser] c.s. niet onrechtmatig hebben gedragen.

2.5.1 [Eiser] c.s. hebben hoger beroep ingesteld. Zij hebben negen grieven geformuleerd, waarmee zij beogen het geschil integraal aan het Hof voor het leggen (mvg onder 4 en 13.1). Tevens doen [eiser] c.s. een bewijsaanbod (mvg onder 14).

2.5.2 Volgens de tweede grief is de Rechtbank bij de belangenafweging in rov. 6 uitgegaan van een onjuist uitgangspunt. Bij perspublicaties dienen de door de Rechtbank genoemde belangen tegen elkaar afgewogen te worden. Het artikel is echter niet vergelijkbaar met een perspublicatie. Wat geldt voor de dagbladpers geldt niet voor de SP-Tribune. De SP-Tribune is niet meer dan een partij-orgaan met een beperkte externe functie (mvg onder 6, 6.1 en 6.2).

2.5.3 Volgens de derde grief is de Rechtbank in rov. 7 onvolledig geweest; in het artikel worden meer onterechte beschuldigingen geuit dan alleen het omkopen van politici door [eiser] c.s. welke feitelijk onjuist zijn en, gezien de aard van de beschuldiging, bijzonder schadelijk voor de reputatie van [eiser] c.s. (mvg onder 7 en 7.1, pleitaantekeningen mr Gans onder 7)

2.5.4 De vierde grief richt zich tegen rov. 9 waar de Rechtbank, volgens [eiser] c.s., overweegt dat (kennelijk) als enig criterium voor de vraag of al dan niet sprake is van een onrechtmatige publicatie, zou gelden of de geuite verdenkingen "in redelijke mate steun vinden in het ten tijde van de publicatie van het artikel beschikbare feitenmateriaal" (mvg onder 8).

2.5.5 Volgens de vijfde grief is hetgeen de Rechtbank heeft overwogen in rov. 10.1 tot en met 10.6 onjuist (mvg onder 9). De zesde grief betoogt dat hetgeen de Rechtbank heeft overwogen in rov. 11.1 tot en met 11.5 onjuist is (mvg onder 10). Het gaat niet (alleen) om de inkleding van de verdenking, doch met name om de vraag of de verdenking op zich voldoende steun vindt in het feitenmateriaal, waaraan extra zware eisen gesteld mogen worden, gezien de aard van de beschuldiging. De Rechtbank is niet volgens de door de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 1983, NJ 1984, 801 geformuleerde maatstaven te werk gegaan nu zij zich heeft beperkt tot de wijze van inkleding van het artikel (mvg onder 9.7, 10.1 en 10.2). De Rechtbank heeft aldus een onjuist criterium gehanteerd voor de beantwoording van de vraag of de geuite beschuldigingen juist zijn en dientengevolge of het artikel al dan niet onrechtmatig is (mvg onder 10.1). De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de geuite beschuldigingen alleen zijn "ingekleed" als "meningen" van derden. Het gehele artikel is echter "doordrenkt" van beschuldigingen, onder meer door de wijze waarop de feiten zijn weergegeven en de context waarin deze zijn geplaatst (mvg onder 10.1 en 10.3). De Rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de gewraakte kwalificaties niet bijzonder schokkend of grievend zijn (mvg onder 10.4).

2.5.6 Volgens de zevende grief heeft de Rechtbank in rov. 12 ten onrechte overwogen dat de schadelijke gevolgen voortvloeiend uit het artikel voor [eiser] c.s. gering zijn. De SP-Tribune wordt niet slechts door leden van de SP gelezen. Daarnaast hebben SP c.s. in verband met de publicatie van het artikel landelijk een persbericht doen uitgaan dat in de reguliere dagbladpers is overgenomen. Met name in de noordelijke pers en ook in de vakbladen is de nodige aandacht aan de onderhavige zaak besteed (mvg 11.1 en pleidooi [eiser] c.s. onder 17). [eiser] c.s. bieden bewijs aan van het feit dat het artikel een veel verdergaande werking heeft gehad dan alleen de SP-Tribune, met name door het verspreiden van het persbericht (mvg onder 11.2).

2.6.1 SP c.s. hebben de grieven bestreden.

2.6.2 Tegen de tweede grief voeren SP c.s. onder meer aan dat zij met de gewraakte publicatie een algemeen belang dienen, dat de inkleding van de verdenkingen proportioneel en functioneel is en dat de verdenkingen voldoende steun vinden in het ten tijde van de publicatie voorhanden zijnde materiaal (mva onder 6).

2.6.3 De SP heeft geen landelijk persbericht verspreid, doch slechts een kort persbericht dat is gestuurd naar het Groninger Dagblad (dat [eiser 1] ruimte voor een reactie gaf), het Nieuwsblad van het Noorden (dat een klein bericht plaatste) en Radio Noord (die, voor zover SP c.s. bekend, geen aandacht aan het artikel besteedde). Eventuele landelijke aandacht is veeleer veroorzaakt door [eiser 1]s reacties dan door de publicatie van het artikel (mva onder 6 en 11).

2.6.4 Zij bestrijden de stelling van [eiser] c.s. dat de SP Tribune geen krant is of een daaraan gelijk te stellen medium met als gevolg dat hiervoor geen of een verminderd beroep op de vrijheid van meningsuiting zou kunnen worden gedaan. Een partij-orgaan mag blijkens het Castell-arrest (EHRM 23 april 1992, NJ 1992, 457). een beroep doen op de vrijheid van meningsuiting (mva onder 6, pleitaantekeningen mr Boukema onder 2).

2.6.5 Tegen de derde grief brengen SP c.s. in dat de wijze waarop zij de, in de ogen van de SP c.s. ongewenste, relatie tussen de overheid en [eiser] c.s. in het artikel hebben verwoord proportioneel en functioneel is, gelet op het gedrag en de uitlatingen van [eiser 1] enerzijds en het gewicht van het aan de orde gestelde publieke belang anderzijds (mva onder 7).

2.6.6 Het artikel bevat een zinspeling op de mogelijkheid van omkoping (mva onder 9), de SP heeft echter geen beschuldiging van omkoping geuit (mva onder 10).

2.7.1 Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

2.7.2 Naar 's Hofs oordeel heeft de SP Tribune, volgens de onweersproken stelling van [eiser] c.s. (mvg onder 6.1) slechts een beperkte externe functie. Het Hof is daarom met [eiser] c.s. (cvr onder 29) van oordeel dat SP Tribune niet op één lijn mag worden gesteld met de reguliere (openbare) pers (rov. 7.1).

2.7.3 Het gaat te dezen om een artikel dat is verschenen in een orgaan van een politieke partij, dat buiten die partij niet meer dan een beperkte betekenis heeft. Uit de stellingen van [eiser] c.s. volgt dat de door hen gewraakte brede publiciteit in feite niet werd opgeroepen door het artikel, maar door de verspreiding van een volgens [eiser] c.s. negatieve samenvatting van het artikel in een persbericht. [Eiser] c.s. hebben geen grief gericht tegen het oordeel van de Rechtbank (rov. 12 laatste volzin) dat niet is gesteld of gebleken dat de inhoud van het artikel is overgenomen door de openbare pers, zodat daarvan in hoger beroep moet worden uitgegaan (rov. 7.4). [eiser] c.s. hebben de uitgifte van bedoeld persbericht niet mede onderwerp van hun vordering gemaakt (rov. 7.5).

2.7.4 In geschil is derhalve het antwoord op de vraag of het artikel onrechtmatig is tegenover [eiser] c.s. en of [eiser] c.s. daardoor schade hebben geleden (rov. 8). Bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van het artikel dienen te worden afgewogen het belang van [eiser] c.s. om niet door publicaties in een orgaan van een politieke partij te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en het belang van SP c.s. om door middel van de SP Tribune informatie te verschaffen en meningen te uiten aangaande zaken van openbaar belang (rov. 11).

2.7.5 Indien de zinspelingen in het artikel op de mogelijkheid van omkoping of belangenverstrengeling in voldoende mate steun vinden in het ten tijde van de publicatie van het artikel beschikbare of daarna naar voren gekomen feitenmateriaal, wordt daarmee door SP c.s. terecht een publieke misstand aan de kaak gesteld (rov. 13). Nu [eiser] c.s. in de mvg niet zijn teruggekomen op de feitelijkheden vermeld in het artikel (behoudens op enige details) zoals door SP c.s. in de cva en cvd nader zijn toegelicht, mochten SP c.s. uitgaan van die feitelijkheden (behoudens voor wat betreft die details)(rov. 14).

2.7.6 SP c.s. hebben recht op vrijheid van meningsuiting, zoals onder meer gewaarborgd in artikel 10 EVRM (rov. 9) Dit recht vindt zijn begrenzing in de zorgvuldigheid en de betamelijkheid die in het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht moet worden genomen. Indien een politieke partij een (vermeende) misstand in de maatschappij onder de aandacht van haar leden en een andere kleine kring van geïnteresseerden wil brengen, moeten die grenzen zowel ten aanzien van de vorm van de mededelingen als de inhoud daarvan ruim genomen worden (rov. 10). Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat in het artikel wordt gezinspeeld op de mogelijkheid dat [eiser] c.s. zich schuldig maken aan het omkopen van politici en/of ambtenaren, althans dat er sprake is van belangenverstrengeling tussen deze en [eiser] c.s. (rov. 12), maar dat het in het artikel ontbreekt aan werkelijke beschuldigingen als zouden [eiser] c.s. politici en/of ambtenaren omkopen. De conclusie wordt overgelaten aan de lezer en is verpakt in de mening van derden die worden geciteerd (rov. 17).

2.7.7 Bij een artikel in een orgaan van een politieke partij is, volgens het Hof, bij voorbaat duidelijk dat "feitelijkheden daarin worden opgevat in een partijpolitieke zin" zodat "enige relativering op haar plaats is" (rov. 16). Met de in het artikel gegeven inkleuring van de feiten en de van [eiser] c.s. gegeven kwalificaties zijn de grenzen van hetgeen in het maatschappelijk verkeer nog betamelijk is bereikt, doch nog juist niet overschreden (rov. 17).

2.8 [Eiser] c.s. hebben tijdig beroep in cassatie ingesteld. SP c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 Middel Ia richt zich tegen rov. 7.4 waar het Hof overweegt dat moet worden vastgesteld dat uit de stellingen van [eiser] c.s. volgt dat de door hen gewraakte publiciteit in feite niet werd opgeroepen door het artikel, maar door de verspreiding van een, volgens [eiser] c.s., negatieve samenvatting van het artikel in een persbericht. Naar 's Hofs oordeel is door [eiser] c.s. geen grief gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 12, laatste volzin, dat niet is gesteld of gebleken dat de inhoud van het artikel is overgenomen door de meer openbare pers.

3.2 Subonderdeel a1 doet ter ondersteuning van deze klacht beroep op de mvg en op een uitlating bij pleidooi.

3.3 De uitleg van grieven is voorbehouden aan de appèlrechter. De toetsing in cassatie is daarmee beperkt.

3.4 Het gewraakte oordeel van het Hof ziet slechts op het overnemen van "de inhoud het artikel". De passages waarop de klacht leunt, blijven - voorzover het niet gaat om een losse, niet nader geadstrueerde, bewering - steken in een "reageren" op en "de nodige aandacht" besteden aan het artikel door de noordelijke pers. Het bewijsaanbod heeft betrekking op "een veel verdergaande werking" van het artikel maar niet op het overnemen van de inhoud door anderen.

3.5 Tegen deze achtergrond kon het Hof oordelen als het heeft gedaan.

3.6 De voortbouwende klacht van onderdeel a2 loopt daarop eveneens stuk.

3.7 Middel Ib richt zich met drie klachten tegen rov. 7.5. Daarin oordeelt het Hof dat [eiser] c.s. de uitgifte van bedoeld persbericht niet mede onderwerp van hun vordering hebben gemaakt.

3.8 Het belang van de klacht is gelegen in de beoordeling van de onrechtmatigheid. Uit rov. 7.4, 7.5, 10 en 11 blijkt dat voor het Hof een belangrijke rol heeft gespeeld dat het artikel slechts is verschenen in een partijorgaan van SP en dat het daarbuiten niet meer dan beperkte aandacht kreeg.

3.9 Niet ten volle duidelijk is wat het Hof in rov. 7.5 tot uitdrukking wil brengen met het oordeel dat [eiser] c.s. "de uitgifte van bedoeld persbericht niet mede onderwerp van (lees:) hun vordering [hebben] gemaakt". Leest men het arrest in zijn geheel dan is de kennelijke strekking dat de uitgifte van het persbericht in de vordering zoals deze was ingesteld geen relevante rol speelde.

3.10 Als ik het goed zie dan is de klacht ingebed in de vordering zoals deze in het petitum (onder b en c) van de inleidende dagvaarding is verwoord. Anders gezegd: het betoog van [eiser] c.s. komt er op neer dat de hoogte van hun schade mede afhing van de gevolgen van het persbericht. Dát zou het Hof hebben miskend.

3.11 Bij de beoordeling van deze klacht beperk ik me - voor zover het argumenten ten voordele van [eiser] c.s. betreft - op de voet van art. 407 lid 2 Rv. tot de vindplaatsen waarop in het middel beroep wordt gedaan.

3.12 Het Hof heeft uit de vorderingen zoals onder 2.1 weergegeven m.i. niet behoeven op te maken dat [eiser] c.s. in het kader van de hoogte van de schadevergoeding mede beroep deden op het persbericht.

3.13.1 Voorts verwijzen [eiser] c.s. naar de mvg onder 11.2 waar zij uitdrukkelijk bewijs hebben aangeboden van het feit dat het artikel een veel verdergaande werking heeft gehad dan alleen de SP Tribune "met name door het verspreiden van het persbericht".

3.13.2 Verder doen [eiser] c.s. nog beroep op de cvr onder 35 waar wordt opgemerkt dat de gevorderde immateriële schadevergoeding niet te hoog is gelet op de aard en de vergaande beschuldigingen "temeer nu gedaagden een en ander middels het persbericht landelijk hebben verspreid".

3.14 De onder 3.13.1 bedoelde passage uit de mvg kant zich tegen rov. 12 van het vonnis van de Rechtbank. Daarin oordeelt zij dat de impact van het artikel in SP Tribune in relatie tot [eiser] c.s. en de mogelijke schadelijke gevolgen welke daaruit voor [eiser] c.s. zouden kunnen voortvloeien per saldo gering is. De Rechtbank vervolgt dan: "Het persbericht heeft mogelijk die impact vergroot maar onvoldoende gesteld of gebleken is dat de inhoud van het artikel is overgenomen door de meer openbare pers".

3.15 Tegen dit oordeel is inhoudelijk geen klacht gericht, in elk geval wordt daarop in het middel geen beroep gedaan. Kennelijk meende het Hof dat [eiser] c.s. in hun stelplicht tekort zijn geschoten. Daarom kwam aan het bewijsaanbod in 's Hofs visie geen betekenis toe. Dit oordeel kan de toets der kritiek doorstaan.

3.16 Ook de onder 3.13.2 weergegeven klacht vindt hierin haar Waterloo. In bedoelde rov. 12 neemt de Rechtbank afstand van de stelling waarop [eiser] c.s. beroep doen. Het ligt dan op hun weg inhoudelijk aan te geven dat en waarom het oordeel van de Rechtbank onjuist is. Dat hebben zij evenwel niet gedaan.

3.17 Ten overvloede stip ik nog aan dat zelfs de uitlatingen van [eiser] c.s. op zich beschouwd (dus los van het oordeel van de Rechtbank) hadden kúnnen worden begrepen zoals door hen wordt bepleit; een dergelijke lezing is evenwel niet dwingend. Daarom moet de interpretatie van de feitenrechter in cassatie worden gerespecteerd.

3.18 Dat geldt eens te meer wanneer acht wordt geslagen op hetgeen [eiser] c.s. overigens te berde hebben gebracht. In de inleidende dagvaarding onder 8 betogen [eiser] c.s. dat "naar aanleiding van het bewuste artikel blijkt dat met name opdrachten van overheidswege in mindere mate worden versterkt." De grootte van de daaruit voortvloeiende (materiële) schade kan nog niet worden vastgesteld en in verband daarmee wordt een verklaring voor recht gevraagd. In dit betoog wordt louter aangeknoopt bij het artikel.

3.19 Hierop stuiten alle klachten van middel 1b af.

3.20 Middel I.c komt op tegen rov. 10 waarin het Hof overweegt dat "indien een politieke partij een (vermeende) misstand in de maatschappij onder de aandacht van haar leden en een andere kleine kring van geïnteresseerden wil brengen, die grenzen zowel ten aanzien van de vorm van de mededelingen als de inhoud daarvan ruim moeten worden genomen." Het Hof zou daarbij een essentiële stelling over het hoofd hebben gezien. Te weten de uitgifte van een persbericht.

3.21 's Hofs oordeel is geplaatst in de sleutel van de beoordeling van de onrechtmatigheid, zoals ook uit rov. 9 volgt. Het is duidelijk dat het Hof in dat kader van - klaarblijkelijk van meer dan gering - belang acht dat het artikel in essentie slechts onder de aandacht wordt gebracht van leden van de SP.

3.22 Op zich is juist dat in het kader van de beoordeling van de onrechtmatigheid van belang kan zijn tot/op wie een bepaalde publicatie is gericht. Het Hof heeft dat terecht onderkend; zie rov. 10 tweede volzin, welk oordeel als zodanig in cassatie niet wordt bestreden.

3.23 Onthulling van bijvoorbeeld een vermeende exorbitante afvloeiingsregeling van een topmanager die "zijn" onderneming in de richting van de afgrond heeft gedreven, zal in sommige kringen als stuitend worden ervaren en in andere slechts teleurstelling of lichte wrevel teweegbrengen. Wordt daarover in hatelijke zin geschreven dan zal de impact in eerstbedoelde kring beperkt kunnen zijn omdat men daarin toch al weinig op heeft met het huidige maatschappelijk stelsel. In laatstbedoelde kring kán het ertoe leiden dat betrokkene "geïsoleerd" raakt. Daarom is zeker niet ondenkbaar dat de vraag of de onthulling - die niet per se juist behoeft te zijn(7) - onrechtmatig is in beide gevallen tot een andere uitkomst leidt.

3.24 Rov. 10 bouwt voort op de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen. In rov. 7.4 staat het Hof stil bij de stelling van [eiser] c.s. "dat de door hem gewraakte brede publiciteit in feite (...)(8) werd opgeroepen (...) door de verspreiding van een volgens [eiser] c.s. negatieve samenvatting van het artikel in een persbericht". Het Hof wijst die stelling van de hand (rov. 7.4 tweede alinea). De daartegen gerichte klacht faalt m.i., zoals hierboven bleek.

3.25 In rov. 8 vermeldt het Hof, in het voetspoor van de zojuist weergegeven rov., dat het artikel buiten de kring van de SP "slechts een beperkte werking heeft". Ook rov. 10 bouwt voort op rov. 7.4. Daarom mist de klacht dat het Hof voorbij heeft gezien aan de daarin vermelde stelling feitelijke grondslag.

3.26 Middel II.a richt zich tegen rov. 13 waarin het Hof oordeelt dat een zinspeling op de mogelijkheid van o.a. omkoping in het artikel in voldoende mate steun vindt in het ten tijde van de publicatie van het artikel beschikbare of daarna naar voren gekomen feitenmateriaal. Volgens het middel is enkel relevant of bedoelde zinspelingen in voldoende mate steun vinden in het ten tijde van de publicatie van het artikel beschikbare feitenmateriaal.

3.27 De door het middel aangekaarte rechtsvraag behoeft m.i. geen beantwoording omdat het middel berust op een verkeerde lezing van 's Hofs arrest. Waar het Hof spreekt van "daarna naar voren gekomen feitenmateriaal" heeft het immers klaarblijkelijk het oog op de stukken die SP c.s. in feitelijke aanleg ter onderbouwing van hun stellingen hebben overgelegd. Deze stukken zijn inderdaad van later datum. Zij hebben evenwel (goeddeels) betrekking op en vormen een bevestiging van hetgeen SP voorafgaand aan de publicatie reeds had vernomen of na onderzoek te weten was gekomen. Op dat laatste doelt het Hof. Dat ligt met name ook besloten in rov. 14.

3.28 Ware dat al anders dan zou de klacht falen omdat zij m.i. in haar algemeenheid berust op een onjuiste rechtsopvatting.

3.29 De steller van het middel kan worden toegegeven dat in het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1983, NJ 1984, 801 MS als omstandigheid, die bij de belangenafweging kan worden betrokken, wordt genoemd "de mate waarin ten tijde van de publikatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal" (rov. 3.4 onder c).

3.30 Bij dit arrest verdient al aanstonds opmerking dat sprake is van een enuntiatieve opsomming. Belangrijker is nog dat uit het latere arrest Herrenberg/Parool(9) voortvloeit dat de vraag welke belangen de doorslag geven, afhangt van de in onderling verband te beschouwen bijzonderheden van het geval. Het is aan de feitenrechter om vast te stellen welke de voor het concrete geval kenmerkende bijzonderheden zijn en welk gewicht daaraan toekomt. De rechter is niet gehouden steeds alle in het arrest van 1983 genoemde factoren te toetsen en daarvan uitdrukkelijk rekenschap te geven.

3.31 Anders gezegd: niet beslissend is (onder meer) de sub 3.29 genoemde factor. Dat zo zijnde is de enkele omstandigheid dat het Hof - volgens [eiser] c.s. - acht slaat op later bekend geworden feiten niet zonder meer onjuist.(10) Een tegengestelde opvatting kan haar doel voorbij schieten. Wanneer iemand op wankele gronden hoogst ernstige feiten aan de kaak stelt, is maatschappelijk niet steeds en zonder meer aanvaardbaar dat zulks onrechtmatig wordt geoordeeld ongeacht de vraag of zij later juist blijken te zijn. Het is niet zonder reden dat onder meer gewicht toekomt aan de vraag of de gewraakte uitlating juist is.(11)

3.32 Middel II.b trekt met drie klachten ten strijde tegen rov. 17. In deze rechtsoverweging geeft het Hof aan dat in het artikel geen sprake is van werkelijke beschuldigingen van omkoping van ambtenaren en/of politici. De conclusie wordt naar 's Hofs oordeel aan de lezer overgelaten. Naar 's Hofs oordeel is slechts sprake van kwalificaties. Het middel brengt hiertegen in dat het aankomt op de "voorstelling bij het gemiddelde publiek".

3.33 De klacht faalt reeds omdat niet wordt opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat het onderhavige artikel zal "worden opgevat in een partijpolitieke zin" (rov. 16). Daarom komt het in elk geval in casu niet aan op de "voorstelling van het gemiddelde publiek", maar op dat van de lezers van SP Tribune.

3.34 In de s.t. van [eiser] c.s. wordt betoogd dat het bij reclameboodschappen gaat om de vraag welke voorstelling bij het gemiddelde publiek is of kan zijn gewekt en dat de maatstaf bij een artikel als het onderhavige geen andere kan zijn (onder 19).

3.35 Waarom het artikel met een reclameboodschap op één lijn moet worden gesteld, maken [eiser] c.s. noch in het cassatiemiddel noch ook in de s.t. duidelijk. Zij beroepen zich - kennelijk in het voetspoor van de losbladige Onrechtmatige Daad(12) - op de MvT op de voorganger van het huidige art. 6:194(13), meer in het bijzonder op blz. 21. Deze pagina bestaat evenwel niet.

3.36 Meer ten gronde: voor de gepropageerde maatstaf valt ook erg weinig te zeggen. Nog geheel daargelaten dat het m.i. ook bij reclameboodschappen mede aankomt op de aard van het medium en degene tot wie zij zijn gericht.

3.37 Subonderdeel b2 is mij niet goed duidelijk geworden. Het knoopt aan bij het aan [betrokkene 1] toegeschreven citaat: "Is [eiser 1] een handige ondernemer of een schurk? [Betrokkene 1], fractievoorzitter van de SP in de Groningse Staten: "Hij is allebei"". Als ik het goed begrijp dan legt het subonderdeel een koppeling tussen dit citaat en de omkoping waarop - in de bewoordingen van het Hof - wordt gezinspeeld. De klacht strekt kennelijk ten betoge dat uit dit citaat geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [eiser] c.s. van omkoping worden beticht.

3.38 [Eiser] c.s. miskennen dat in het door hen gewraakte artikel een reeks verwijten aan hun adres voorkomt. Naar de kern genomen raken deze hun wijze van zakendoen en de - wat ik kortheidshalve maar aanduid als - bijzondere positie die [eiser 1] in het Noorden des lands heeft. Men zou een ogenblik kunnen menen dat de kwalificatie daar ongetwijfeld betrekking op heeft. Blijkens het artikel is dat evenwel kennelijk niet het geval. Na het onder 3.37 weergegeven en door [eiser] c.s. gelaakte citaat gaat het artikel als volgt verder:

"Maar dat is niet de kern. Hèt probleem is dat hier één man bijna onbeperkte macht heeft. Met zijn geld en zijn netwerk van invloedrijke vrienden, adviseurs en mensen die van hem afhankelijk zijn, heeft hij in Groningen haast Italiaanse verhoudingen geschapen. (...)" (cursivering toegevoegd).

3.39 De kwalificatie slaat derhalve blijkbaar niet op de "kern" zoals in het artikel geschetst (kort gezegd "Italiaanse verhoudingen"). Waarop deze dan wel doelt, is duister. Maar dat kan blijven rusten nu partijen daaraan geen aandacht hebben geschonken.

3.40 Bovendien verliest het middel andermaal uit het oog dat, naar 's Hofs niet bestreden oordeel, "de feitelijkheden" in partij politieke zin moeten worden opgevat (rov. 16). Hoewel het Hof dat niet met zoveel woorden zegt, ligt in het arrest besloten dat hetzelfde geldt voor de kwalificaties.

3.41 [Eiser] c.s. zien er ten slotte aan voorbij dat op het stuk van kwalificaties veel is geoorloofd, subjectief als deze nu eenmaal zijn.(14)

3.42 Middel II.b.3 klaagt erover dat het Hof niet van belang heeft geacht of het citaat "schurk of handige ondernemer" van [betrokkene 1] afkomstig is of door [verweerder 2] is verzonnen.

3.43.1 Deze klacht faalt reeds omdat het Hof heeft onderkend dat [eiser] c.s. hebben bestreden dat [betrokkene 1] de auteur was (rov. 1, 3 en 17). Door vervolgens te oordelen dat de SP bij het publiceren van het artikel - behoudens enkele details - mocht uitgaan van "die feitelijkheden" kan de conclusie geen andere zijn dan dat [verweerder 2] de gegevens niet heeft verzonnen. Het zou trouwens ook buitengewoon onwaarschijnlijk zijn dat hij een groot aantal aantijgingen zou verzinnen, terwijl voor de meeste daarvan ondersteundend materiaal kan worden aangedragen.(15) Ik zeg daarmee niet - evenmin als het Hof - dat het relaas in het artikel juist is. Die vraag is (thans) immers niet aan de orde.

3.43.2 Eenmaal aangenomen dat [verweerder 2] mocht uitgaan van de juistheid van de "feitelijkheden" mocht hij ook de gewraakte kwalificatie bezigen. Dat ligt besloten in rov. 13 in fine, waar het Hof tot uitdrukking brengt dat de door de SP genoemde feiten als daar vermeld, indien juist, inderdaad een "publieke misstand" opleveren. Rov. 13 wordt in cassatie in dit opzicht niet bestreden. Hierbij valt nog te bedenken dat het bij de kwalificatie in het artikel gaat om een mening en niet om een feit.

3.44 Ik besef uiteraard dat het voor [eiser 1] en anderen over wie door de pers in buitengewoon onvriendelijke zin wordt geschreven niet steeds gemakkelijk is te aanvaarden dat niet wordt onderzocht en ook niet van beslissende betekenis is of de aantijgingen aan hun adres juist zijn. Dit is evenwel de vrucht van het grote belang dat onder de vigeur van art. 10 EVRM wordt gehecht aan de vrijheid van meningsuiting. In de woorden van Jane Wright:

"It seems fair to say that the Court (d.i. het EHRM, JS) has become increasingly vigilant to guard the free speech interest (...) also where speech relates to matters considered to be in the public interest generally as issues for debate or concern."(16)

3.45 In dit verband lijkt van belang te citeren uit een van de standaardarresten van het EHRM(17):

"Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of [a democratic society] (...) Subject to paragraph 2 of Article 10, it is applicable not only to "information" or "ideas" that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb the State or any sector of the population. (...)"

3.46 Middel II.c.1 acht rov. 14 ontoelaatbaar onduidelijk omdat het Hof niet aangeeft van welke feitelijkheden SP c.s. bij het publiceren van het artikel uit mochten gaan en wat de details zijn waar SP c.s. niet vanuit mochten gaan, maar die van zo geringe betekenis zijn dat deze geacht moeten worden het in het artikel gegeven feitenrelaas als geheel niet onjuist/onbetrouwbaar te maken.

3.47 Deze klacht ziet er al aanstonds aan voorbij dat het Hof in rov. 13 aangeeft dat "de mogelijkheid van omkoping dan wel belangenverstrengeling en harde optreden in voldoende mate steun vinden in [het] (...) naar voren gekomen feitenmateriaal". Het gaat hierbij om de kern van het artikel. Het spreekt voor zich dat het Hof in rov. 14 voortbouwt op dit oordeel.

3.48 [Eiser] c.s. miskennen bovendien dat het Hof onmiskenbaar aansluit bij de bevindingen van de Rechtbank zoals neergelegd in rov. 7 van haar vonnis. Ook waar het Hof spreekt van details sluit het zich aan bij het oordeel van de Rechtbank in rov. 10.6. Dat blijkt zonneklaar uit rov. 14 van het arrest waarin - samengevat - wordt geoordeeld dat [eiser] c.s. op dit punt in appèl niets concreets te berde hebben gebracht.

3.49 Het middel gaat in dit een en ander ten onder. Voor zover de s.t. (onder 24) nog een of meer aanvullende klachten vertolkt, kan daaraan voorbij worden gegaan omdat deze niet uit het middel blijken.

3.50 Middel II.c.2 is, als ik het goed zie, in essentie een herhaling van zetten van middel II.b.3.

3.51 Het miskent dat rov. 14 betrekking heeft op "feitelijkheden" en dat het bij de uitlating die SP c.s. aan [betrokkene 1] toeschrijven niet daarom maar om een mening gaat. Ingevolge vaste rechtspraak kan van meningen niet worden gezegd of deze juist of onjuist zijn;(18) zie nader hierboven onder 3.41.

3.52 Ten overvloede: of de mededelingen al dan niet van [betrokkene 1] afkomstig zijn, legt weinig gewicht in de schaal omdat:

a. de auteur (wie dat ook moge zijn) de aantijgingen klaarblijkelijk niet uit zijn duim heeft gezogen (zie hiervoor onder 3.43);

b. het Hof - in cassatie tevergeefs bestreden - heeft geoordeeld dat de kern van de beschuldigingen voldoende steun vindt in het feitenmateriaal (rov. 13);

c. het Hof - in cassatie niet bestreden - heeft geoordeeld dat deze beschuldigingen "terecht een publieke misstand" aan de kaak stellen (rov. 13).

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Tenzij anders aangegeven, gaat het om de feiten waarvan ook het Hof Leeuwarden, in zijn in cassatie bestreden arrest in rov. 1 is uitgegaan en die het Hof op zijn beurt heeft overgenomen van het vonnis van de Rechtbank Groningen (rov. 1.1, 1.2, 1.3 en 1.5; tegen rov. 1.4 is met succes een grief gericht zodat hetgeen daarin is vastgesteld niet als tussen partijen vaststaand kan worden aangenomen).

2 Arrest Hof rov. 2.1.

3 Arrest Hof rov. 2.2.

4 Arrest Hof rov. 2.3.

5 EHRM 7 december 1976, NJ 1978, 236; EHRM 8 juli 1986, NJ 1987, 901; EHRM 26 november 1991, NJ 1992, 457; EHRM 23 september 1994, NJ 1995, 387.

6 Klaarblijkelijk drukt de Rechtbank zich hier ongelukkig uit. Zij bedoelt m.i. de vraag te onderzoeken of de wijze waarop de verdenkingen zijn geuit de toets der kritiek kan doorstaan; zie met name ook rov. 11.

7 HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801.

8 Ik laat hier het woordje "niet" weg; zulks in verband met een andere verkorting. De bedoeling van het Hof wordt aldus juist weergegeven.

9 HR 8 maart 1985, NJ 1986, 437 CJHB rov. 3.3.

10 Vgl. ook Onrechtmatige daad (Schuijt) VII aant. 36. Ik merk hierbij op dat Schuijt in de genoemde arresten van Uw Raad iets leest wat er m.i. niet staat.

11 Zie Onrechtmatige Daad VII (Schuijt) aant. 37; vgl. de eerste naar buiten gebrachte versie van de Tort Law Principles van de Von Bar-groep art. 2:204.

12 Art. 194 aant. 11.

13 Wet van 6 juni 1980, Stb. 304.

14 Zie nader Onrechtmatige Daad VII (Schuijt) aant. 42 en Jane Wright, Tort Law & Human Rights (2001) blz. 151 e.v.

15 In andere bewoordingen zegt het Hof in rov. 14 min of meer hetzelfde.

16 A.w. blz. 148.

17 EHRM 7 december 1976, Handyside/UK, Series A no 24 (1976) rov. 49, NJ 1978, 236 (in de NJ is de Franse tekst afgedrukt). Zie in gelijke zin bijvoorbeeld ook EHRM 6 februari 2001, Tammer/Estland, NJ 2002, 158 EJD rov. 59 met verdere vindplaatsen.

18 O.m. EHRM 17 februari 2001, Jerusalem/Oostenrijk, Mediaforum 2001, 18 rov. 42 en EHRM 1 juli 1997, Oberschlick/Oostenrijk, NJ 1999, 709 EJD rov. 33 met verdere vindplaatsen.