Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF7679

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
C02/014HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF7679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

11 juli 2003 Eerste Kamer Nr. C02/014HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. B.D.W. Martens, t e g e n [verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 33, geldigheid: 2003-07-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2003/69 met annotatie van mr. H.W. Wiersma
JOL 2003, 389
NJ 2004, 570
RvdW 2003, 127
JWB 2003/280

Conclusie

Zaaknr. C02/014HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 18 april 2003

Conclusie inzake

[Eiseres]

eiseres tot cassatie

tegen

[Verweerster]

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) De hierna weergegeven feiten zijn te vinden in rov. 3, vierde alinea van het arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 16 januari 1996 en in rov. 6.2.1 en 6.2.3 van het (in cassatie bestreden) arrest van 20 november 2001.

2) De eiseres tot cassatie, [eiseres], en de (oorspronkelijk als mede-eiser optredende) [betrokkene 1] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Breda van 6 november 1990 is [betrokkene 1] hoofdelijk met drie anderen veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 42.189,31 e.a. aan de verweerster in cassatie, de maatschap. De veroordeling van [betrokkene 1] berustte op een borgstelling uit het jaar 1988.

De maatschap heeft krachtens dit vonnis executoriaal beslag gelegd op onroerende zaken van [betrokkene 1] en [eiseres].

Bij brief van 5 maart 1993 heeft [eiseres] aan de maatschap meegedeeld dat zij niet bekend was met de borgstelling uit 1988, en heeft zij deze buitengerechtelijk vernietigd(1).

3) Vervolgens hebben [betrokkene 1] en [eiseres] de maatschap in kort geding gedagvaard en gevorderd: schorsing van de executie van het vonnis van 6 november 1990, opheffing van het gelegde executoriale beslag, en veroordeling van de maatschap in de proceskosten.

4) Deze vordering werd in eerste aanleg afgewezen. Daarna, op 18 november 1994, is [betrokkene 1] failliet verklaard. In het inmiddels in het kort geding ingestelde appel heeft het hof bij het in alinea 1 hiervoor genoemde arrest van 16 januari 1996 de maatschap van instantie ontslagen voor zover het de procedure tussen [betrokkene 1] en de maatschap betrof, en het geding tussen [eiseres] en de maatschap geschorst tot na afloop van het faillissement.

5) De curator in het faillissement heeft de onroerende zaken waarop beslag was gelegd, verkocht. Het faillissement is op 21 september 1999 opgeheven. [Eiseres] heeft vervolgens de appelprocedure weer op de rol laten zetten. Zij heeft haar vordering verminderd voor wat betreft de vordering tot opheffing van het executoriale beslag.

Bij het thans in cassatie bestreden arrest heeft het hof het in eerste aanleg gewezen vonnis bekrachtigd.

6) [Eiseres] heeft tijdig(2) cassatieberoep ingesteld. De maatschap heeft (ook) in cassatie verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Bespreking van de cassatiemiddelen

7) De gedingstukken wekken de indruk dat de belangen die in deze zaak nu nog aan de orde zijn, van beperkte omvang zijn - vermoedelijk alleen, of vooral, de proceskosten die in de verschillende lagere instanties gemaakt zijn. Men kan zich geredelijk afvragen of partijen er goed aan doen om verder te procederen - wat toch zal moeten gebeuren als het cassatieberoep succes zou hebben - over dit niet bijzonder aansprekende belang. Bij die vraag moet het echter blijven - op zichzelf mogen partijen aan de hand van dit belang hun zaak aan de cassatierechter voor leggen(3); en of zij daar ook wijs aan doen, staat in cassatie niet ter beoordeling.

8) De voorgestelde middelen betreffen twee geheel verschillende onderwerpen. Onder II en III wordt één onderwerp (in verschillende varianten) aangesneden, terwijl het middel onder I over iets heel anders gaat.

De klachten met nummers II en III gaan beide over de positie die een derde inneemt ten opzichte van een (onherroepelijk geworden) vonnis dat hem, in geval van tenuitvoerlegging, nadeel kan berokkenen. Ik meen er goed aan te doen die klachten eerst te bespreken.

9) Sub III richt het middel zich tegen rov. 6.4 van het bestreden arrest. In die rov. beoordeelt het hof - daar komt het op neer - de door [eiseres] gevorderde maatregelen aan de hand van de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de bevoegdheid van de rechter om staking of schorsing van de executie van vonnissen te bevelen. Het middel verdedigt dat die maatstaven zien op de gevallen waarin een partij bij het betreffende vonnis staking of schorsing van de executie daarvan vordert, en dat die maatstaven niet behoren te worden toegepast als het gaat om een derde die zich verzet tegen tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij hij geen partij is.

10) Volgens mij klaagt het middel hier met recht over een onjuiste rechtsopvatting dan wel een in de redenering van het hof aan het licht tredende denkfout. Vonnissen hebben bindende kracht - gezag van gewijsde, zoals het meestal wordt genoemd - tussen de bij die vonnissen betrokken partijen. Zij binden derden niet, al kan het zich voordoen dat een derde de gevolgen van het vonnis tegen zich moet laten gelden. Dit beperkte effect van vonnissen blijkt o.a. uit art. 236 Rv. (art. 67 Rv. (oud)). Het blijkt ook, zij het minder direct, uit art. 438, vijfde lid Rv., waar de mogelijkheid van verzet van een derde tegen de executie van een vonnis als een gegeven voorop wordt gesteld(4).

Deze regel wordt in de literatuur zonder tegenspraak aanvaard(5).

11) In de rechtspraak is dan ook aangenomen dat een derde die door een dreigende executie (van een vonnis waarbij hij dus geen partij is) in hem uit eigen hoofde toekomende rechten wordt benadeeld, daartegen in kort geding - en uiteraard ook ten gronde - kan opkomen(6). Dan gelden om voor de hand liggende redenen niet de restricties die wèl op hun plaats zijn als het gaat om een vordering tot schorsing of staking van de executie, die door een van de partijen bij het vonnis geldend wordt gemaakt. In dat laatste geval strekt de vordering er immers toe, de bindende kracht die het vonnis tussen partijen heeft te "ontkrachten", terwijl in het eerste geval die bindende kracht helemaal niet aan de orde is. De rechten die een derde geldend wenst te maken moeten gewoon worden beoordeeld zoals alle rechten die een partij ten opzichte van een andere partij inroept - het feit dat er een tussen (nog weer) andere partijen gewezen vonnis in het spel is, mag de eisende derde niet bekorten in het geldend maken van zijn rechten. Het is niet moeilijk in te zien, dat het aannemen van het tegendeel kras onrecht zou opleveren(7).

12) De derde die wordt bedreigd met executie van een vonnis waardoor, ofschoon hij daarbij geen partij is, zijn rechten (kunnen) worden aangetast, kan ermee volstaan zich tegenover de executant te beroepen op die rechten - bijvoorbeeld: zijn eigendomsrecht op het voorwerp van de executie -, al-dan-niet aangevuld met de stelling dat (met het oog op deze rechten) de executie te zijnen opzichte onrechtmatig is. Dat is de mogelijkheid die in de in voetnoot 6 aangehaalde rechtspraak onder ogen wordt gezien. De derde kan echter ook - alternatief of cumulatief - kiezen voor aantasting van het hem bedreigende vonnis zelf, door daar derdenverzet tegen te doen.

In welke gevallen dat precies mogelijk is hoeft in deze zaak niet tot in de finesses te worden onderzocht, omdat juist het geval dat hier ter beoordeling staat - de echtgenote die meent dat zij wordt benadeeld door de tenuitvoerlegging ten laste van de huwelijksgemeenschap van een tegen haar man gewezen vonnis - al in cassatie is beoordeeld. Voor dat geval is, blijkens HR 8 december 1989, NJ 1990, 192, rov. 4.2, de mogelijkheid van derdenverzet in elk geval beschikbaar(8). Ook in dat verband gelden, om dezelfde redenen als zojuist verdedigd, niet de beperkingen die wèl gelden als het gaat om de aantasting van de bindende kracht van een vonnis "inter partes".

13) De door het middel onder III bestreden overweging van het hof berust dus op een verkeerde rechtsopvatting ten aanzien van de gronden waarop een derde bezwaar kan maken tegen tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij hij - hij is immers derde - geen partij is, en waardoor zijn rechten wel worden aangetast.

Ik heb mij afgevraagd of de beslissing niettemin stand kan houden omdat het hof daaraan ook andere dragende overwegingen ten grondslag heeft gelegd, maar ben tot de conclusie gekomen dat dat niet kan. Het hof heeft weliswaar met de overwegingen - in dezelfde rov. 6.4 - dat de vernietiging van de borgtocht waarop het tegen [betrokkene 1] gewezen vonnis berust wordt betwist en dat die kwestie (nog altijd) niet in rechte aanhangig is gemaakt, er blijk van gegeven niet van de gegrondheid van de stellingen van [eiseres] overtuigd te zijn - maar het heeft dat gedaan in het kader van een onderzoek naar het gegeven, of het tegen [betrokkene 1] gewezen vonnis op een kennelijke misslag berustte. Ik vind het te ver gaan om daaruit af te leiden dat het hof ook overigens - dus buiten het verband van dit onderzoek "en marge"- de door [eiseres] gepretendeerde rechten als onvoldoende aannemelijk heeft beoordeeld. Het hof is, door het verkeerde criterium dat het voor de beoordeling heeft gekozen, aan nader onderzoek van die gepretendeerde rechten niet toegekomen.

14) Bovendien heeft het hof zijn oordeel over de niet-toewijsbaarheid van de door [eiseres] destijds gevorderde schorsing van executie mede gebaseerd op het oordeel dat [eiseres] geen gebruik kon maken van het (buitengewone rechts)middel van derdenverzet; en zoals in alinea 12 hiervóór bleek, beoordeel ik ook deze overweging van het hof als onjuist. Dat legt in cassatie gewicht in de schaal, reeds omdat het middel onder II dit gedeelte van het arrest (d.i. rov. 6.7) bestrijdt.

Ik vind het echter bovendien verantwoord om te veronderstellen dat het hof zijn gedachten (in rov. 6.4) over het niet kennelijk onjuist zijn van het tegen [betrokkene 1] gewezen vonnis (en misschien ook zijn niet-uitgesproken gedachten over de sterkte van het namens [eiseres] verdedigde standpunt overigens) mede heeft laten bepalen door zijn onjuiste opvatting over de verdere rechtsmiddelen die [eiseres] kon gebruiken. Ook om die reden vind ik dat het oordeel van het hof te zeer op losse schroeven staat, om in stand te kunnen blijven.

15) Het middel onder I betreft, zoals al gezegd, een geheel andere vraag, namelijk de vraag of [eiseres] voldoende belang behield bij een bevel betreffende schorsing van de executie die de maatschap in januari 1991 had aangevangen.

De gegrondheid van de op dit punt gerichte klacht staat of valt met de uitleg die men aan de namens [eiseres] ingestelde vordering geeft. Kennelijk heeft het hof die vordering zo begrepen, dat die gericht was op schorsing van de executie die de maatschap daadwerkelijk in 1991 tegen de in beslag genomen onroerende zaken van [betrokkene 1] en [eiseres] in gang had gezet, en niet als een vordering die ook alle eventueel verder door de maatschap te nemen executiemaatregelen beoogde. Bij die uitleg kan een rol hebben gespeeld dat [eiseres] na de hervatting van de procedure ten overstaan van het hof (bij exploot van oproeping van 5 december 2000 en akte van 9 januari 2001), niets heeft aangevoerd met betrekking tot nadien nog te vrezen executiemaatregelen van de maatschap.

Als men [eiseres]'s vordering zo begrijpt, was het belang daarbij op z'n laatst nadat de in beslag genomen goederen door de curator waren verkocht, geheel komen te vervallen.

16) Ik vind de beperkte uitleg die het hof kennelijk aan de vordering van [eiseres] heeft gegeven in de gegeven omstandigheden begrijpelijk. Die uitleg was overigens aan het hof voorbehouden(9); en over de begrijpelijkheid van die uitleg wordt trouwens niet - specifiek - geklaagd.

17) De conclusie waar dit in uitmondt sluit aan bij het in alinea 7 opgemerkte: als die conclusie juist zou worden bevonden, staan partijen voor een verdere ronde procederen, terwijl het de vraag is of de nog ter beoordeling staande belangen daarmee wel gediend zijn.

Maar daarover heb ik het mijne al gezegd.

Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Met een beroep op art. 1:88 BW. Omdat de transactie in kwestie uit 1988 dateert, is ook de vóór 1 januari 1992 geldende versie van art. 1:88 BW van toepassing, zie T&C Burgerlijk Wetboek, boeken 1, 2, 3 en 5, 2001, Van Duijvendijk - Brand, aant. 12 bij art. 88 en aant. 10 bij art. 89.

2 Ruim binnen de termijn van 6 weken van art. 295 lid 4 Rv (oud). Thans is de termijn 8 weken, art. 402 lid 2 jo. art. 339 lid 2 Rv.

3 Zie bijvoorbeeld Snijders - Wendels, Civiel appel, 1999, nr. 109; Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, p. 105. Ook het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] om deze reden nog voldoende belang had, zie rov. 6.3, laatste alinea.

4 Zie daarover bijvoorbeeld Burgerlijke Rechtsvordering (losbl. (oud)), Asser, art. 438, aant. 10.

5 Voor voorbeelden verwijs ik naar Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, p. 108 - 109; Gras, Kracht en gezag van gewijsde, diss. 1994, par. 9.7.1 - waar de regel met krachtige argumenten wordt verdedigd; Veegens, Het gezag van gewijsde, 1972, p. 41 e.v; Asser - Anema - Verdam, Van Bewijs, 1953, p. 366.

6 Aldus HR 14 januari 1983, NJ 1983, 267 m.nt. WHH, rov. 3.2, waar ook de "hoofdregel" dat een vonnis alleen tussen de partijen bij dat vonnis gezag van gewijsde heeft, wordt vooropgesteld; zie ook HR 20 november 1985, NJ 1986, 276 m.nt. PAS, rov. 3, eerste subalinea en de aantekening daarop in de annotatie onder 1.

7 Veegens, a.w. p. 47; Asser - Anema - Verdam, t.a.p.

8 Zie verder bijvoorbeeld Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Werkhoven, nr. 83.2; Stein-Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2002, p. 202.

9 "Vaste rechtspraak", zie voor recente gevallen HR 20 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE 0647, rov. 3.4; HR 12 juli 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE 1532, rov. 3.9.3.