Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF7542

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
20-06-2003
Zaaknummer
R02/099HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF7542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

20 juni 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R02/099HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Faillissementswet 352
Faillissementswet 354
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 331
JWB 2003/255
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnummer R02/099

Mr. Keus

Parket 11 april 2003

Conclusie op het beroep van:

[verzoeker]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof [verzoeker] de "schone lei" aan het einde van de looptijd van de toepassing van de schuldsaneringsregeling terecht heeft geweigerd. Het hof heeft, in navolging van de rechtbank, geoordeeld dat [verzoeker] toerekenbaar in de nakoming van uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten (art. 354 lid 1 Fw) door de bewindvoerder niet over de overname van inventaris en activiteiten van zijn inmiddels gefailleerde werkgever te informeren.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(a) [Verzoeker] is in gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1](1).

(b) Bij v.o.f.-akte van 1 januari 1997 heeft [verzoeker] zijn eenmanszaak [A] in de v.o.f. [B] VOF ingebracht. De onderneming is onder de naam [A] sedert 13 mei 1996 gedreven (2).

(c) Bij beschikking van 8 juli 1999 heeft de rechtbank Zwolle aan de v.o.f. [B] VOF en aan haar vennoten, [verzoeker] en zijn echtgenote, voorlopige surseance van betaling verleend.

(d) Bij beschikking van 14 juli 1999 heeft de rechtbank op verzoek van de bewindvoerder, mede ondertekend door de vennoten, de voorlopig verleende surseance van betaling ingetrokken en het faillissement van de v.o.f. uitgesproken.

1.3 Bij vonnis van de rechtbank Zwolle van 14 juli 1999 is ten aanzien van [verzoeker] en zijn echtgenote (hierna samen te noemen: de schuldenaren) de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. C.W. Bianchi (later opgevolgd door mr. M.W. Werkhoven(3)) en tot bewindvoerder mr. F.J. Schop (later opgevolgd door mr. B.J. van Dijen(4)).

1.4 Bij vonnis van de rechtbank Zwolle van 8 mei 2001 is conform het door de schuldenaren voorgestelde ontwerp-saneringsplan het saneringsplan vastgesteld. Hierbij is onder meer de termijn, gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, vastgesteld op drie jaar, te rekenen vanaf 14 juli 1999, derhalve tot 14 juli 2002.

1.5 Bij brief van 14 juni 2002 heeft de bewindvoerder de schuldenaren verzocht openheid van zaken te geven omtrent werkzaamheden die zij voor [betrokkene 2], voor hun zoon en in het kader van een eigen bedrijf zouden hebben verricht en verrichten. Een kopie van deze brief is, met een kopie van een brief van 27 juni 2002(5), door de bewindvoerder op 27 juni 2002 aan de rechter-commissaris gezonden. De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris geschreven: "(...) Mocht op 27 juli 2002 niet voldaan zijn aan hetgeen dat is gesteld in mijn schrijven van heden, dan zal ik u verzoeken om de beide schuldsaneringen voor te dragen voor opheffing."

1.6 Bij brief van 10 september 2002 heeft mr. B.L. Menting, kantoorgenoot van de bewindvoerder, de rechtbank verzocht "een beëindigingszitting te plannen".

1.7 Bij een tweetal beschikkingen van 16 september 2002 heeft de rechtbank het volgende beslist:

"Thans zal worden overgegaan tot bepaling van de dag, uur en plaats voor de terechtzitting, waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld, zoals bedoeld in artikel 352 Fw.

(...)

De rechtbank stelt als dag, uur en plaats, waarop de terechtzitting zal worden gehouden, vast: 14 oktober 2002 om 11:00 uur het Gerechtsgebouw te Lelystad, Stationsplein 15."

1.8 Nadat de mondelinge behandeling op 14 oktober 2002 had plaatsgehad, heeft de rechtbank bij vonnis van 4 november 2002 vastgesteld dat de schuldenaren toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zijn tekortgeschoten. De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd met ingang van de dag dat het vonnis in kracht van gewijsde zal gaan.

Voorzover voor de beoordeling van het cassatieberoep van belang, heeft de rechtbank overwogen dat [verzoeker] in zijn informatieplicht jegens de bewindvoerder is tekortgeschoten. De rechtbank heeft vastgesteld dat [verzoeker] in maart en april 2002 plannen heeft gemaakt en heeft uitgevoerd om in verband met het naderende faillissement van [C] inventaris van deze onderneming over te nemen, teneinde met zijn kennis van de klantenkring de activiteiten van deze onderneming deels voort te zetten. Door deze handelwijze heeft [verzoeker] inkomsten voor de boedel verzwegen en heeft hij zich aan het toezicht van de bewindvoerder onttrokken. Voorts heeft [verzoeker] zijn informatieplicht verzaakt door de bewindvoerder niet op de hoogte te stellen van inkomsten uit dienstbetrekking van zijn echtgenote. Ook daarom is de rechtbank van oordeel dat het [verzoeker] aan voldoende medewerking aan een correcte uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken.

1.9 Beide schuldenaren hebben van het vonnis van 4 november 2002 hoger beroep bij het hof Arnhem ingesteld. Voorzover in cassatie van belang richtten de grieven zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [verzoeker] is tekortgeschoten in zijn informatieplicht en tegen de beslissing [verzoeker] een "schone lei" te onthouden. De mondelinge behandeling heeft op 28 november 2002 plaatsgevonden. Daarbij zijn de schuldenaren in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat, mr. A.H.J. Damminga. De bewindvoerder en zijn kantoorgenoot Menting zijn eveneens verschenen.

1.10 Bij arrest van 9 december 2002 heeft het hof het vonnis van de rechtbank met betrekking tot de echtgenote van [verzoeker] vernietigd. Het hof heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar zal eindigen zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Met betrekking tot [verzoeker] heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.11 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(6) beroep in cassatie ingesteld.

2. Beoordeling van het middel

2.1 Het middel omvat drie onderdelen, genummerd 3.1 tot en met 3.3.

2.2 In onderdeel 3.1 wijst [verzoeker] op de gevolgen die de verschillende behandeling van hem en zijn echtgenote zal hebben voor de slotuitdelingslijst van het verbindend worden waarvan het hof het eindigen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van zijn echtgenote afhankelijk heeft gesteld en op de effecten van de slechts aan zijn echtgenote toegestane "schone lei" in verband met de huwelijksgoederengemeenschap waarin [verzoeker] en zijn echtgenote zijn gehuwd(7). Het onderdeel bevat echter geen klacht en behoeft daarom geen behandeling.

2.3 Onderdeel 3.2 richt zich tegen de rov. 3.4 en 3.6 alsmede tegen het dictum onder 4. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof overwogen:

"3.4 (...) Uit het voorgaande concludeert het hof dat [verzoeker] feitelijk, zij het onder de naam van zijn zoon, het bedrijf heeft overgenomen en daaraan leiding geeft. [Verzoeker] had hierbij het belang, hij heeft het initiatief daartoe genomen en hij is als woordvoerder opgetreden bij de overname van het bedrijf en de inventaris. Dat zijn zoon op papier eigenaar is, doet daar niet aan af. [Verzoeker] is werkzaam in het bedrijf, terwijl zijn zoon elders full time werkzaam is. [Verzoeker] heeft niet aan de bewindvoerder medegedeeld dat hij was ontslagen, dat hij het bedrijf wilde overnemen en ook niet dat hij vervolgens in het bedrijf ten name van zijn zoon ging werken.

Met de voormelde gang van zaken heeft [verzoeker] de bewindvoerder alle controlemogelijkheden onthouden. Los van de omstandigheid dat de bewindvoerder de mogelijkheid is ontnomen om goed of af te keuren dat [verzoeker] via deze constructie in het bedrijf ten name van de zoon ging werken, kon de bewindvoerder niet controleren in hoeverre het bedrijf rendabel is, of de hoogte van het inkomen van [verzoeker] aanvaardbaar is c.q. wel zo hoog is als wordt opgegeven en of [verzoeker] daar of elders meer uren zou kunnen werken of meer zou kunnen verdienen.

[Verzoeker] heeft ervaring in het bedrijfsleven. In het kader van zijn eerder gefailleerde vennootschap onder firma gaf hij leiding aan 20 werknemers. Ter terechtzitting van het hof heeft [verzoeker] er blijk van gegeven genuanceerd te kunnen denken en redeneren. Zo nuanceerde hij enkele malen door hem gegeven antwoorden aldus dat deze "in een bepaalde context" moesten worden bezien. Het is daarom onaannemelijk dat [verzoeker] niet heeft voorzien dat de opzet van deze constructie en de verzwijging daarvan tegenover de bewindvoerder in het kader van de schuldsaneringsregeling in zijn nadeel zou uitwerken.

[Verzoeker] heeft wel aangevoerd dat zijn echtgenote, [betrokkene 1], de contacten met de bewindvoerder onderhield en dat zij in die periode door ernstige familieomstandigheden niet in staat was om dat contact adequaat te onderhouden, maar dit ontheft [verzoeker] zelf niet van zijn eigen verplichting om informatie aan de bewindvoerder te verstrekken en al zeker niet met betrekking tot een dergelijke ingrijpende wijziging van omstandigheden.

Het hof is van oordeel dat [verzoeker] door voormelde handelwijze toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Deze toerekenbare tekortkoming is, ook al vond zij vier tot drie maanden voor het einde van de schuldsaneringsregeling plaats, zo ernstig dat zij niet buiten beschouwing mag blijven wegens een geringe aard of betekenis. Daarbij is ook van belang dat niet is gebleken dat [verzoeker] extra inspanningen heeft geleverd om af te dragen aan de boedel."

2.4 De eerste klacht houdt in dat het hof er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat [verzoeker] ten tijde van het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling reeds werkzaam was bij [C]. [Verzoeker] onderbouwt deze stelling met een verwijzing naar het eerste verslag en het tweede verslag van 19 september 2000, p. 2.

2.5 De klacht faalt omdat zij niet voldoet aan de daaraan ingevolge art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen. De klacht geeft niet aan waarom het hof rekening had moeten houden met het dienstverband van [verzoeker] met [C](8). Ook de in het middel vermelde vindplaatsen(9) geven daarover geen uitsluitsel. In zijn verzoekschrift in hoger beroep onder 2.4.1 heeft [verzoeker] overigens slechts aldus aan zijn dienstverband met [C] gerefereerd:

"Eind februari 2002 besloot de toenmalige werkgever van appellant [verzoeker] ([C]) de reparatie-'poot' va(n) het bedrijf, waar appellant [verzoeker] als monteur werkzaam was, af te stoten. De afdeling werd in feite gerund door appellant [verzoeker]."

Noch uit deze stelling, noch uit de context waarin zij werd geponeerd, blijkt dat [verzoeker] het dienstverband met [C] beschouwde als een essentieel gegeven, waaraan het hof niet mocht voorbijgaan.

2.6 Het onderdeel klaagt voorts dat het oordeel van het hof dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten door de bewindvoerder niet te informeren, weliswaar verklaarbaar is, maar zich in het licht van de op p. 3 van het cassatierekest genoemde en door het hof niet of onvoldoende in aanmerking genomen omstandigheden niet laat billijken. [Verzoeker] noemt in dit verband het feit dat toepassing van de schuldsaneringsregeling ruim tweeëneenhalf jaar (tot maart/april 2002) zonder problemen is verlopen, dat overname van inventaris en goodwill van [C] slechts in het voorjaar van 2002 zin had, dat de gekozen constructie volstrekt legitiem en (redelijk) gebruikelijk is, dat [verzoeker] recht en belang had een terugval in inkomen te voorkomen en dat de gekozen constructie niet tot nadeel voor de boedel leidt.

2.7 Ik stel voorop dat het onderdeel kennelijk een verdergaande toetsing voorstaat dan in cassatie mogelijk is. In cassatie kan men klagen dat de aangevochten uitspraak onbegrijpelijk is. Het onderdeel doet dat niet: volgens het onderdeel laat het aangevochten oordeel zich weliswaar verklaren, maar valt het in het licht van de omstandigheden van het geval niet te billijken. Daarmee impliceert het onderdeel, dat het aangevochten oordeel weliswaar begrijpelijk, maar niet juist is.

Aan de klacht is ook niet ten grondslag gelegd, dat het hof zou hebben nagelaten te responderen op essentiële stellingen van [verzoeker], verband houdende met de in het cassatierekest (op p. 3) genoemde omstandigheden. Evenmin worden in het cassatierekest vindplaatsen van zulke essentiële stellingen in de stukken van de feitelijke instanties vermeld. Dat is van belang, omdat het hof niet op alle stellingen van [verzoeker] en niet op alle ten processe gebleken feiten en omstandigheden behoefde in te gaan(10).

Al om deze redenen kan de klacht, zoals geformuleerd in het cassatierekest op p. 2 / p. 3 ("Juist is (...) tot uiteindelijk voordeel van de boedel.") niet slagen.

Overigens kunnen de verschillende, door [verzoeker] genoemde omstandigheden, wat daarvan verder ook zij, niet afdoen aan het bestreden oordeel dat [verzoeker], door na te laten de bewindvoerder te informeren en door zich aan diens controle te onttrekken, toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

2.8 Het onderdeel bevat (op p. 3, laatste alinea, en p. 4, eerste alinea) voorts rechtsklachten, verband houdende met de toetsing die het hof, naar [verzoeker] veronderstelt, aan de "negatieve gronden" van art. 350 lid 3 onder c tot en met e Fw zou hebben verricht. Voor zover het hof rechtstreeks aan art. 350 lid 3 onder c tot en met e Fw zou hebben getoetst, zou het van een onjuiste rechtsopvatting hebben blijk gegeven, omdat niet de procedure van art. 350 lid 1, maar (volgens [verzoeker]) die van art. 352 lid 2 Fw aan de orde is. Voor zover het hof in het kader van art. 354 lid 3 Fw (welke bepaling met de procedure van art. 352 lid 2 Fw verband houdt) aan art. 350 lid 3 onder c tot en met e Fw zou hebben getoetst, zou het hof hebben miskend dat in verband met het cumulatieve karakter van de door art. 354 lid 3 Fw gestelde voorwaarden de gronden van art. 350 lid 3 onder c tot en met e Fw in dat kader niet zelfstandig dragend zijn en voorts moeten worden gerelateerd aan de inmiddels verstreken duur van de schuldsanering en het (ernstige) nadeel voor de boedel.

2.9 Bij de bespreking van deze rechtsklachten stel ik voorop op dat art. 350 Fw de tussentijdse beëindiging(11) van toepassing van de schuldsaneringsregeling betreft. Ingevolge art. 350 lid 3 onder c Fw kan de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van o.a. de bewindvoerder of op voordracht van de rechter-commissaris beëindigen indien de schuldenaar één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Zowel de wetgever(12) als de Hoge Raad(13) gaan ervan uit dat het niet informeren van de bewindvoerder omtrent financiële aangelegenheden een niet behoorlijke nakoming van de verplichtingen als bedoeld in art. 350 lid 3 sub c Fw kan opleveren.

Art. 352 lid 1 Fw regelt de procedure aan het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is (de "gewone" beëindiging(14)). Volgens de bepaling wordt uiterlijk één maand voor het aflopen van die termijn een datum vastgesteld voor de zogenaamde beëindigingszitting. Ingevolge art. 354 lid 1 Fw beoordeelt de rechtbank of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Op grond van het tweede lid kan de rechtbank daarbij bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft. Een en ander is op grond van art. 358 lid 2 Fw van belang voor het al dan niet gelden van de "schone lei".

Art. 352 lid 2 Fw voorziet ten slotte in een vereenvoudigde afwikkeling(15). Deze procedure kan slechts op grond van een "beredeneerde verklaring" van de bewindvoerder worden gevolgd (art. 352 lid 2 Fw) en kan slechts tot beëindiging leiden als redelijkerwijs niet de verwachting bestaat dat de schuldenaar geheel of gedeeltelijk aan zijn verplichtingen kan voldoen en van omstandigheden zoals bedoeld in art. 350 lid 3 onder c, d of e Fw niet is gebleken (art. 354 lid 3 Fw).

2.10 De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris bij brief van 10 september 2002 verzocht een datum vast te stellen voor een beëindigingszitting. Bij beschikking van 16 september 2002 heeft de rechtbank 14 oktober 2002 aangewezen als dag "waarop de beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld, zoals bedoeld in artikel 352 Fw." Alhoewel de rechtbank niet naar een artikellid heeft verwezen, is het evident dat zij de procedure van art. 352 lid 1 Fw en niet die van art. 352 lid 2 Fw heeft gevolgd. De rechtbank heeft de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling immers niet op de in art. 354 lid 3 Fw vervatte voorwaarden doen steunen. Ook in de perceptie van het hof is de procedure van art. 352 lid 1 en niet die van art. 352 lid 2 Fw aan de orde: ik verwijs naar (de in onderdeel 3.3 bestreden) rov. 3.5, waaruit blijkt dat (ook) het hof van toepasselijkheid van art. 352 lid 1 Fw is uitgegaan.

2.11 Het bestreden arrest biedt geen enkele grond aan de (rechts)klacht dat het hof zou hebben miskend dat de procedure van tussentijdse beëindiging in het onderhavige geval niet aan de orde is. Evenmin is er enige grond voor de veronderstelling dat het hof rechtstreeks aan de negatieve gronden art. 350 lid 3 onder c tot en met e Fw heeft getoetst; het hof heeft in het kader van de procedure van art. 352 lid 1 Fw (de "gewone" beëindiging) slechts toepassing gegeven aan het in art. 354 lid 1 vervatte criterium van een aan de schuldenaar toerekenbare tekortkoming in de nakoming van uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Het onderdeel mist evenzeer feitelijke grondslag, voor zover het, ervan uitgaande dat rechtbank en hof hebben beoogd de in art. 352 lid 2 Fw vervatte procedure (de vereenvoudigde afwikkeling) te volgen, over een miskenning van het cumulatieve karakter van de in verband met die procedure in art. 354 lid 3 Fw gestelde voorwaarden klaagt. Rechtbank en hof hebben de procedure van art. 352 lid 2 Fw (terecht) niet gevolgd en behoefden in verband daarmee niet aan de in art. 354 lid 3 vervatte voorwaarden te toetsen. Overigens kan uit art. 354 lid 3 Fw onmogelijk de gelding van het door [verzoeker] kennelijk bedoelde vereiste van een gekwalificeerde tekortkoming worden afgeleid: art. 354 lid 3 Fw strekt er juist toe zeker te stellen dat de vereenvoudigde afwikkeling slechts kan worden gevolgd als de in art. 350 lid 3 onder c tot en met e Fw bedoelde, "negatieve gronden" zich in het geheel niet voordoen.

2.12 Iets anders is (maar dat stelt het onderdeel, naar ik meen, niet aan de orde), dat, in het bijzonder met het oog op de toepassing van art. 354 lid 2 Fw (op grond van welke bepaling de rechter een tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kan laten), factoren als de inmiddels verstreken duur van de schuldsanering en de mate waarin de boedel door de geconstateerde tekortkoming is benadeeld, inderdaad van belang kunnen zijn. In de literatuur is wel aangedrongen op terughoudendheid in het oordeel dat toerekenbare tekortkomingen voldoende zwaarwegend zijn om de "schone lei" aan de schuldenaar te onthouden(16). Zo schrijft Verschoof dat "(h)et (..) toch wel om een zeer uitgesproken - en ook aan de schuldeisers veel schade toebrengende - toerekenbare tekortkoming (moet) gaan, wil deze na een toepassing van de schuldsaneringsregeling gedurende vele jaren nog leiden tot een dergelijke rechterlijke ingreep"(17). Verschoof spreekt overigens de verwachting uit dat "om eerdergenoemde redenen van tijdsverloop en de daarmee samenhangende lange duur van de door de schuldenaar geleverde inspanningen, (...) de rechter bij zijn toetsing aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling bij de toepassing van het begrip 'toerekenbare tekortkoming' die voldoende zwaarwegend moet zijn, vrij sterk aansluiting zal zoeken bij het criterium van (opzettelijke) benadeling"(18). In de (lagere) rechtspraak hebben deze oproepen tot terughoudendheid in het aannemen van voldoende ernstige tekortkomingen om de schuldenaar de "schone lei" te ontzeggen, wel enige weerklank gevonden. Zo kan worden gewezen op een arrest van het hof Leeuwarden van 30 augustus 2002(19), waarin het hof overwoog:

"16. Het hof is voorts van oordeel dat (...) het niet althans onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht voor wat betreft het melden van het door zijn echtgenote met Machinebouw Meppel BV aangegane dienstverband en voor wat betreft het melden van het gebruik van de bedrijfs(lease)auto door S, gezien de beperkte gevolgen van deze overtredingen voor de boedel, niet een zodanige toerekenbare tekortkoming oplevert dat enkel op grond daarvan aan S de verlening van de 'schone lei' dient te worden geweigerd."

Naar ik echter meen kan bij toepassing van art. 354 lid 2 Fw niet van een vaste en onveranderlijke eis van een (voldoende ernstige) benadeling van de boedel (zoals het onderdeel voor art. 354 lid 3 Fw verdedigt) worden uitgegaan. Voor de gelding van zo'n vaste en onveranderlijke eis bieden de bepaling en de geschiedenis van haar totstandkoming geen aanknopingspunten. In dit verband wijs ik erop dat art. 354 lid 2 Fw slechts is toegelicht met de opmerking dat daarvoor "is aangeknoopt bij artikel 265 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, betreffende de ontbinding van overeenkomsten".(20) De rechtsklacht van het miskennen van de eis van een voldoende ernstige benadeling van de boedel, kan daarom, ook voor zover zij op de toepassing van art. 354 lid 2 Fw wordt betrokken, niet tot cassatie leiden, nog daargelaten of zij ook in zoverre geen feitelijke grondslag zou ontberen. In verband met dit laatste wijs ik erop dat met de door het hof van belang geachte controle door de bewindvoerder (aan welke controle [verzoeker] zich volgens het hof heeft onttrokken) de belangen van de boedel uiteraard rechtstreeks in het geding zijn.

2.13 Onderdeel 3.2 bevat op p. 4, tweede alinea, nog een laatste klacht, die kennelijk is gericht tegen rov. 3.4, laatste volzin, waarin het hof [verzoeker] tegenwerpt dat niet is gebleken van extra inspanningen van [verzoeker] om af te dragen aan de boedel. Het onderdeel voert daartegen aan dat juist uit de door het hof gewraakte activiteiten van [verzoeker] van zulke inspanningen is gebleken.

2.14 Ook die laatste klacht kan niet tot cassatie leiden. De inspanningen van [verzoeker] om zich, buiten controle van de bewindvoerder, inkomsten te verwerven, waren immers niet noodzakelijkerwijs op afdrachten aan de boedel gericht.

2.15 Onderdeel 3.3 omvat de tegen rov. 3.5 gerichte klacht, dat het hof niet zou hebben onderkend dat de procedure van art. 352 Fw een andere is dan die van art. 350 Fw. De klacht mist doel. Uit rov. 3.5 blijkt dat naar het oordeel van het hof de procedure van art. 352 lid 1 Fw aan de orde was. Dat oordeel is juist. Overigens biedt rov. 3.5 geen aanknopingspunten voor de veronderstelling van het onderdeel, dat het hof de procedure van art. 352 lid 1 Fw met die van art. 350 Fw heeft verward.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie verslag ex artikel 73a Faillissementswet van 25 oktober 1999 onder 1.1.

2 Zie verslag bewindvoerder van 2 maart 2000 onder 1.2.

3 Zie rov. 1.1 van het bestreden arrest.

4 Zie rov. 1.1 van het bestreden arrest.

5 De hier bedoelde brief bevindt zich niet bij de stukken.

6 Het verzoekschrift is binnen de termijn van acht dagen (zie art. 355 lid 2 jo. 342 lid 3 Fw) op 17 december 2002 door de Hoge Raad ontvangen.

7 In rechtspraak en literatuur kwam het probleem van een onderscheiden behandeling van in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten (en een mogelijk daaruit voortvloeiende samenloop van insolventieregimes) vooral aan de orde in verband met art. 69 Fw, dat op grond van de schakelbepaling van art. 313 Fw op de schuldsaneringsregeling van overeenkomstige toepassing is. Zie daarover HR 13 juli 2001, NJ 2001, 525; G.H. Lankhorst, Gehuwde sanieten: samen uit, samen thuis?, in: JBN 2002, nr. 17 p. 5; HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259, m.nt. B Wessels. Een (mogelijk problematische) samenloop van insolventieregimes is in de onderhavige zaak echter niet aan de orde.

8 Zie A.E.B. ter Heide, Middelmaat: aan een cassatiemiddel te stellen eisen, TCR 2001, p. 77. Dat een cassatiemiddel moet aangeven waarom de bestreden beslissing onjuist of onvoldoende is gemotiveerd, volgt o.a. uit HR 8 december 1995, NJ 1996, 274, rov. 3.10.

9 In het eerste verslag van 2 maart 2000 staat op p. 2 onder "Inkomsten": "[verzoeker] heeft werk gevonden bij de firma [C] [te vestigingsplaats], waarbij hij f 500,-- netto per week verdient. zie bijlage". Een kopie van de arbeidsovereenkomst van 4 november 1999 is als bijlage bij het verslag gevoegd.

In het tweede verslag van 19 september 2000 is onder 3.1 te lezen: "[verzoeker] werkt voor zover de curator juist is geïnformeerd, nog immer bij de firma [C] [te vestigingsplaats], waarbij hij f 500,-- netto per week verdient.".

10 Zie de conclusie van A-G Langemeijer vóór HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7, onder 2.6, en Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken (1989), nr. 120.

11 Zie voor de gebruikte terminologie onder meer Polak/Polak, Faillissementsrecht (2002), p. 333.

12 Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22 969, nr. 10, p. 9: "Het geven van inlichtingen en het melden van relevante wijzigingen in betalingsverplichtingen en dergelijke, behoren tot de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van de schuldenaar. Het niet nakomen daarvan kan eventueel grond opleveren voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (vergelijk artikel 350, tweede [lees: derde] lid, onder c)."

13 Zie conclusie A-G Langemeijer vóór HR 19 januari 2001, NJ 2001, 232, nrs. 2.7 en 2.10 - 2.13 (de HR verwierp het cassatieberoep op de gronden uiteengezet in de conclusie) en HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259, m.nt. B. Wessels, rov. 3.2.2.

14 Zie voor de gebruikte terminologie onder meer Polak/Polak, Faillissementsrecht (2002), p. 329.

15 Zie voor de gebruikte terminologie onder meer Polak/Polak, Faillissementsrecht (2002), p. 331.

16 R.J. Verschoof, Schuldsanering voor natuurlijke personen (1998), p. 173-176. Zie ook Polak-Wessels, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (1999), nr. 9388; Wessels neemt het standpunt in dat alleen een toerekenbare tekortkoming die de verhouding tussen de schuldenaar en de schuldeisers raakt, grond kan zijn voor weigering van de "schone lei".

17 R.J. Verschoof, a.w., p. 174

18 R.J. Verschoof, a.w., p. 175.

19 Hof Leeuwarden 30 augustus 2002, rekestnummer 0200254, Jurisprudentie WSNP 2002, nr. 337, ook te raadplegen via www.wsnp.rvr.org.

20 Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 65.