Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF7541

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
R02/057HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF7541
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

27 juni 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R02/057HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man],

wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 350
NJ 2003, 524
PW 2004, 21670
RvdW 2003, 118
EB 2003, 38
FJR 2003, 56
JWB 2003/264

Conclusie

Rek.nr. R02/057HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Parket 15 april 2003

Conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Inleiding

1. In dit geding waarin het in cassatie nog slechts gaat om de verdeling van de - door echtscheiding - ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen (verder ook: de man en de vrouw), heeft de man zich op het standpunt gesteld dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wordt afgeweken van de regel dat de gemeenschap bij helfte moet worden verdeeld indien niet anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij schriftelijk gesloten echtscheidingsconvenant. Hij heeft daartoe aangevoerd dat partijen het erover eens waren dat na de huwelijkssluiting huwelijkse voorwaarden moesten worden opgemaakt doch dat de vrouw staande huwelijk heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan het opstellen van huwelijkse voorwaarden; hij heeft voorts een beroep gedaan op de omvang van het door hem ten huwelijk aangebrachte vermogen. Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank onderschreven dat het betoog van de man moet worden verworpen. Daartegen keert zich het middel.

2. Bij dit geding inleidend - op 6 november 2000 ingekomen - verzoekschrift, heeft de vrouw, die de Zweedse nationaliteit heeft, verzocht het op 31 mei 1995 te Amsterdam tussen partijen gesloten huwelijk, waaruit geen kinderen zijn geboren, te ontbinden wegens duurzame ontwrichting. Daarnaast heeft zij verzocht de verdeling te gelasten van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap.

In zijn verweerschrift heeft de man de duurzame ontwrichting erkend en ook zijnerzijds een verzoek tot ontbinding gedaan. De man heeft niet betwist dat partijen naar Nederlands recht in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Ten aanzien van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft hij zich evenwel op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van de in art. 1:100 lid 1 BW neergelegde regel dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of echtscheidingsconvenant. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat het huwelijk op 31 mei 1995 op aandrang van de vrouw in alle haast is gesloten in een periode waarin hij het zeer druk had met zijn zaken, dat het huwelijk - anders dan het geval was bij zijn eerdere, kort voordien ontbonden echtverbintenis - is gesloten zonder dat huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat de vrouw alsnog aan het opmaken van huwelijkse voorwaarden zou meewerken en partijen het ook erover eens waren dat er huwelijkse voorwaarden moesten komen doch dat de vrouw vervolgens - toen de relatie tussen partijen kort na de huwelijkssluiting verslechterde - ondanks diverse bemiddelingspogingen heeft geweigerd haar medewerking te verlenen aan het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Hij heeft voorts gewezen op de korte duur van het huwelijk en op de omstandigheid dat hij - in tegenstelling tot de vrouw - een omvangrijk vermogen ten huwelijk heeft aangebracht.

3. De Rechtbank te Amsterdam heeft in haar beschikking van 24 oktober 2001 vooropgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en dat op het verzoek tot ontbinding van het huwelijk Nederlands recht zal worden toegepast nu de verzoekende partij voor die toepassing een - onweersproken - keuze heeft uitgebracht. Zij overwoog dat het verzoek tot echtscheiding als niet bestreden voor toewijzing vatbaar is. Voorts overwoog de Rechtbank dat vaststaat dat vóór of tijdens het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt zodat tussen partijen sprake is van een huwelijksgoederengemeenschap die volgens de regel van art. 1:100 lid 1 BW bij helfte dient te worden gedeeld, dat de door de man gestelde en ten dele niet betwiste feiten en omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om af te wijken van voornoemde regel en dat met name de stelling van de man dat partijen voornemens waren om na het huwelijk huwelijkse voorwaarden op te maken, niet een zodanige bijzondere omstandigheid oplevert dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw zich jegens de man beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden huwelijksgemeenschap; zij passeerde het aanbod van de man tot nader bewijs van zijn stelling. De Rechtbank sprak vervolgens de echtscheiding uit tussen partijen, zij bepaalde dat de man als voorschot op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan de vrouw een bedrag van f 3.000.000,- zal betalen, en beval partijen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen. Het meer of anders verzochte wees de Rechtbank af.

4. Bij beschikking van 16 mei 2002 heeft het Gerechtshof te Amsterdam de door de man aangevoerde beschikking van de Rechtbank voorzover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd; het Hof verwierp grieven tegen het oordeel van de Rechtbank dat de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte moet worden gedeeld. Het Hof overwoog daartoe als volgt na een weergave van de stellingen van de man, waaronder de stelling dat tussen partijen overeenstemming bestond over het opstellen van huwelijkse voorwaarden na de sluiting van het huwelijk:

3.3. Nu vaststaat dat partijen niet bij overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn afgeweken van het wettelijk huwelijksgoederenregime, moet uitgangspunt bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen zijn, dat ieder der partijen daarin voor een gelijk deel gerechtigd is, tenzij uitzonderlijke omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich daartegen verzetten. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de door de man aangevoerde omstandigheden geen zeer uitzonderlijke omstandigheden vormen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanleiding geven tot afwijking van het uitgangspunt de ontbonden gemeenschap bij helfte te verdelen. Door de man zijn daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Enkel de omvang van zijn vermogen en het feit dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de vrouw alsnog aan huwelijkse voorwaarden zou meewerken, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden. Het hof passeert tevens het door de man aangeboden bewijs door middel van het horen van mr. Bunjes en mr. Dresden, nu de man ter zitting heeft aangegeven dat zij slechts zullen bevestigen hetgeen zij schriftelijk hebben verklaard en deze verklaringen geen ander licht op het hiervoor overwogene werpen. (..)"

5. De man is van deze beschikking tijdig in cassatie gekomen. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en verzocht het beroep te verwerpen.

Het cassatiemiddel

6. Middelonderdeel 1 bevat een inleiding; in middelonderdeel 2 wordt een reeks klachten - genummerd 2.1-2.24 - geformuleerd tegen 's Hofs oordeel dat de door de man aangevoerde omstandigheden geen uitzonderlijke omstandigheden vormen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanleiding geven tot afwijking van het uitgangspunt dat de ontbonden gemeenschap bij helfte moet worden verdeeld.

Ten eerste wordt - onder 2.1-2.6 - betoogd dat veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat tussen de vrouw en de man overeenstemming bestond over het maken van (enige vorm van) huwelijkse voorwaarden nu het Hof de juistheid van de stelling van de man dat op dat punt overeenstemming bestond, in het midden heeft gelaten. Betoogd wordt vervolgens dat deze overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden en dat deze voorovereenkomst niettegenstaande het feit dat door art. 1:115 lid 1 BW voor het aangaan van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden de vorm van een notariële akte is voorgeschreven, als rechtsgeldig moet worden aangemerkt nu uit "de wetsgeschiedenis" alsook uit oudere literatuur blijkt dat het vormvereiste van een notariële akte is gebaseerd op de bewijsrechtelijke betekenis van die akte en niet op de bescherming van de belangen van één of beide (aanstaande) echtgenoten. Nu partijen het erover eens waren dat er huwelijkse voorwaarden moesten komen, dient - aldus het middel - de aanspraak van de vrouw op de helft van de ontbonden gemeenschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te worden beperkt tot de omvang die correspondeert met de beperkte gemeenschap die partijen voornemens waren aan te gaan; in dat verband verwijst het middel naar par. 15 van het appelschrift waarin wordt gesteld dat mr. Bunjes heeft verklaard dat een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met een beperkte gemeenschap van echtelijke woning en inboedel door partijen is overwogen. Dit betoog mondt uit in de klacht - onder 2.6 - dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het Hof dat oordeel heeft gebaseerd op de gedachte dat een overeenkomst tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden rechtsgeldigheid ontbeert dan wel het Hof heeft geoordeeld dat aan een dergelijke overeenkomst, hoewel rechtsgeldig, geen rechtens afdwingbare afspraken kunnen worden ontleend, ook niet in de vorm van een conform de in de voorovereenkomst gemaakte afspraken verdeling van de gemeenschap.

In de tweede plaats klaagt het middel dat indien het Hof een en ander niet zou hebben miskend, zijn oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is voorzover daarin het - impliciete - oordeel ligt besloten dat de man zijn stelling dat tussen partijen overeenstemming bestond over het maken van huwelijkse voorwaarden, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De klacht wordt geadstrueerd met een weergave van hetgeen partijen op dit punt over en weer hebben aangevoerd (onder 2.7-2.14).

Ten derde klaagt het middel (onder 2.15-2.21) dat het Hof zo nodig met ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden het beroep van de man op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid had moeten honoreren op grond van het leerstuk der afgebroken onderhandelingen voorzover al zou moeten worden aangenomen dat het Hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat de man de aanwezigheid van een "perfecte" voorovereenkomst tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden niet aannemelijk heeft kunnen maken.

Ten slotte klaagt het middel onder 2.22-2.24 dat het Hof het bewijsaanbod van de man niet had mogen passeren.

7. Het volgende moet worden vooropgesteld bij de beoordeling van het middel, dat evenals Rechtbank en Hof in navolging van partijen uitgaat van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter alsmede van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Art. 1:100 lid 1 BW bepaalt dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden huwelijksgemeenschap tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of bij huwelijkse voorwaarden. Weliswaar is niet geheel uitgesloten dat van de uit deze bepaling voortvloeiende regel dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap bij helfte wordt verdeeld, wordt afgeweken op de grond dat onverkorte toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, doch voor een zodanige afwijking kan - zoals het Hof terecht tot uitgangspunt koos - slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden plaats zijn: zie HR 7 december 1990, NJ 1991, m.nt EAAL en HR 6 oktober 2000, RvdW 2000, 199. Zodanige zeer uitzonderlijke omstandigheden deden zich voor in eerstgenoemde "macabere zaak die sterk de aandacht heeft getrokken" (aldus de annotator). In deze zaak ging het om een verpleger die met een meer dan dertig jaar oudere, door hem verzorgde, hulpbehoevende, vermogende vrouw in gemeenschap van goederen huwde uitsluitend om zich van haar vermogen meester te maken, waarna hij haar binnen vijf weken na de huwelijkssluiting - naar vooropgezet plan - van het leven beroofde. Na te hebben vooropgesteld dat het Hof terecht ervan was uitgegaan dat een afwijking van het bepaalde in art. 1:100 lid 1 BW slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen, overwoog Uw Raad dat het Hof terecht tot het oordeel was gekomen dat in de gegeven omstandigheden onverkorte toepassing van de geldende regel van verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De beslissing om aan de man zijn aanspraak op de gemeenschap te ontzeggen wordt door annotator Luijten in verband gebracht met de rechtsfiguur van de "onwaardigheid" die in het huwelijksgoederenrecht - anders dan in het erfrecht - niet wettelijk is geregeld. Dat het enkele (oogmerk van) bedrog tussen echtgenoten op zichzelf geen toereikende grond is voor afwijking van de hoofdregel van art. 1:100 lid 1 BW kan worden afgeleid uit het arrest van Uw Raad van 6 oktober 2000. In die zaak had de vrouw voor haar aanstaande echtgenoot, met wie zij in gemeenschap van goederen huwde, verzwegen dat zij een spaartegoed bezat dat zij kort voor het huwelijk en uitsluitend met het oog op dat huwelijk - onverplicht - aan haar moeder had afgedragen. Uw Raad overwoog dat deze omstandigheden op zichzelf noch in samenhang met de omstandigheid dat het onbelaste woonhuis van de man in de gemeenschap zou vallen, onvoldoende grond vormen voor een op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde verplichting van de vrouw om vóór het huwelijk aan de man mededeling te doen van de plaatsgevonden hebbende vermindering als door het Hof aangenomen. Uw Raad concludeerde dat reeds daarom geen stand kon houden de slotsom waartoe het Hof, uitgaande van het bestaan van een zodanige verplichting, was gekomen, te weten dat het tekortschieten van de vrouw in bedoelde verplichting een zo uitzonderlijke omstandigheid opleverde dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de vrouw zich jegens de man beriep op een verdeling bij helfte van de ontbonden huwelijksgemeenschap en dat aan de man een vordering op de gemeenschap moest worden toegekend ten belope van het litigieuze spaartegoed. Ik verwijs hier ook nog naar het - kritisch ontvangen - arrest van 19 maart 1993, NJ 1994, m.nt. JCS, dat een geval betrof dat zich afspeelde in een "internationale setting". Uw Raad stelde voorop dat het huwelijksvermogensregime van partijen in die zaak naar de regels van Nederlands internationaal privaatrecht werd beheerst door Nederlands recht, zodat partijen - nu zij geen huwelijkse voorwaarden hadden gemaakt - in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Tegen de achtergrond van de onzekerheid die destijds in het Nederlandse internationaal privaatrecht bestond, oordeelde Uw Raad het vervolgens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man zich op het standpunt stelde dat de scheiding en deling diende plaats te vinden op basis van het uitgangspunt dat partijen in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd; dit, omdat partijen zich gedurende een lange reeks van jaren steeds en consequent hadden gedragen naar het uitgangspunt dat hun huwelijksgoederenregime werd beheerst door Rodesisch recht en dat zij mitsdien waren gehuwd buiten gemeenschap van goederen.

8. In de onderhavige zaak wordt, althans in cassatie, betoogd dat de omstandigheid dat tussen partijen vóór het huwelijk overeenstemming bestond over het maken van (enige vorm van) huwelijkse voorwaarden - een afspraak die volgens het middel moet worden gekwalificeerd als voorovereenkomst - meebrengt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de aanspraken van de vrouw op toedeling van de helft van de huwelijksgoederengemeenschap moeten worden beperkt tot de omvang die correspondeert met de beperkte gemeenschap die partijen voornemens waren aan te gaan. Dit betoog faalt naar mijn oordeel reeds omdat de omstandigheid dat partijen het erover eens waren dat na de huwelijkssluiting huwelijkse voorwaarden moesten worden opgemaakt op zichzelf noch in samenhang met de overige gestelde omstandigheden zoals de omvang van het vermogen van de man, een zeer uitzonderlijke situatie oplevert waarin toepassing van de wettelijke verdelingsmaatstaf naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het Hof heeft ook aldus geoordeeld. Het Hof heeft immers - in rechtsoverweging 3.2 - vooropgesteld dat de man heeft aangevoerd dat de zeer bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de huwelijksgemeenschap bij helfte moet worden verdeeld, zijn gelegen in de omvang van zijn vermogen en in de omstandigheid dat tussen hem en de vrouw overeenstemming bestond over het opstellen van (enige vorm van) huwelijkse voorwaarden na de sluiting van het huwelijk, om vervolgens - in rechtsoverweging 3.3 - te oordelen dat de door de man aangevoerde omstandigheden geen zeer uitzonderlijke omstandigheden vormen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanleiding geven tot afwijking van het uitgangspunt dat de ontbonden gemeenschap bij helfte moet worden verdeeld. Het Hof heeft aldus de stelling van de man dat partijen het erover eens waren dat na de huwelijkssluiting huwelijkse voorwaarden moesten worden opgesteld, niet buiten behandeling gelaten, zoals het middel lijkt te willen suggereren, en het heeft evenmin geoordeeld dat de man deze stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof heeft in rechtsoverweging 3.3, gelezen in samenhang met rechtsoverweging 3.2, geoordeeld dat ook ingeval tussen partijen bedoelde overeenstemming bestond, van een afwijking van verdeling bij helfte geen sprake kon zijn; daaraan doet niet af dat het Hof in rechtsoverweging 3.3 de stelling van de man aldus samenvat dat het overweegt dat de man aanvoert dat "hij in de veronderstelling verkeerde dat de vrouw alsnog aan huwelijkse voorwaarden zou meewerken". Het Hof is tot de slotsom gekomen dat het door de man gedane bewijsaanbod, dat - gezien de inhoud van dat aanbod - betrekking had op het bestaan van bedoelde overeenstemming, als niet ter zake dienende kon worden gepasseerd. Het Hof heeft aldus niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Op het voorgaande stuit het middel in zijn geheel af nu het in al zijn onderdelen strekt ten betoge dat de omstandigheid dat tussen de man en de vrouw overeenstemming bestond over het opstellen van huwelijkse voorwaarden na de huwelijkssluiting een afwijking van verdeling bij helfte rechtvaardigt en dat betoog berust op een onjuiste rechtsopvatting.

9. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Aanvaarding van het betoog van de man zou ertoe leiden dat een enkele mondelinge overeenstemming op één lijn zou worden gesteld met, althans via de redelijkheid en billijkheid dezelfde rechtsgevolgen zou verkrijgen als, de twee limitatieve, bij de wet voorziene, mogelijkheden om af te wijken van de regel dat de gemeenschap bij helfte moet worden verdeeld, te weten het echtscheidingsconvenant, waarvoor de schriftelijke vorm is voorgeschreven (art. 1:100 lid 1 BW) en huwelijkse voorwaarden die moeten worden neergelegd in een notariële akte (art. 1:115 BW) en waarvoor rechterlijke goedkeuring dient te zijn verkregen zo deze voorwaarden staande huwelijk worden aangegaan of gewijzigd (art. 1:119 BW). Dit klemt te meer indien - zoals in casu - sprake is van een mondelinge overeenstemming die geen enkele duidelijke aanwijzing geeft omtrent de inhoud van de nader overeen te komen huwelijkse voorwaarden; in dit verband verdient aantekening dat de man heeft betoogd ("notities voor de mondelinge behandeling" in eerste aanleg, p. 3) dat de vrouw "financiële zekerheid" wenste en dat de Rechtbank nadere invulling zal dienen te geven aan de vraag wat, in het kader van het huwelijk "voldoende zekerheden" waren, terwijl de man voorts heeft aangevoerd (appelschrift, sub 9) dat serieus een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met een beperkte gemeenschap van bepaalde onroerende zaken en inboedel "is overwogen" (hetgeen geen overeenstemming impliceert).

Het in het middel vervatte betoog dat de mondelinge overeenstemming tussen partijen niettegenstaande het feit dat art. 1:115 lid 1 BW voor het aangaan van huwelijkse voorwaarden een notariële akte op straffe van nietigheid voorschrijft, moet worden gekwalificeerd als rechtsgeldige voorovereenkomst omdat dit vormvereiste is gebaseerd op de bewijsrechtelijke betekenis van de notariële akte en niet op de bescherming van de belangen van één of beide (aanstaande) echtgenoten, faalt. Het middel baseert zijn oordeel omtrent de ratio van het vormvereiste op "de wetsgeschiedenis" en op "oudere literatuur". Passages uit de wetsgeschiedenis waaruit zou blijken dat de door de wet voor de huwelijkse voorwaarden voorgeschreven vorm van de notariële akte uitsluitend is gebaseerd op de bewijsrechtelijke betekenis van die akte, worden door het middel niet genoemd. Het middel beroept zich met name op C.A. Kraan, "De overeenkomst tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden" WPNR 5776 (1986), p. 189-194, en de door Kraan genoemde oudere schrijvers onder wie Diephuis en Klaassen. Kraan betoogt dat de afdwingbaarheid van een voorovereenkomst tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden twijfelachtig is, doch dat aan een zodanige voorovereenkomst in dier voege uitvoering moet worden gegeven dat bij echtscheiding de ontbonden gemeenschap - gezien de beginselen van de redelijkheid en billijkheid - conform de in die voorovereenkomst gemaakte afspraken moet worden afgewikkeld. Door het middel wordt niet vermeld dat naar huidige opvattingen ervan wordt uitgegaan dat het vormvoorschrift van de notariële akte met name ook dient ter bescherming van partijen doordat tussenkomst van een notaris ertoe strekt een degelijke regeling te garanderen en partijen het grote gewicht van de handeling in te scherpen; aangenomen wordt dan ook dat een voorovereenkomst tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden - gezien art. 6:226 jo. art. 1:115 BW - niet vormvrij kan worden aangegaan. Zie Y.G. Blei Weismann, Verbintenissenrecht (losbl.), art. 226, aant. 32 en W.M. Kleijn, WPNR 5388, p. 269; zie ook Asser-Hartkamp I, 2001, nr. 220 en nr. 76. Vergelijk ook T.R. Hidma, "Huwelijksvoorwaarden staande huwelijk", diss. 1986, p. 93, die door het middel overigens wel wordt genoemd. Zie voorts ook het arrest van Uw Raad van 20 januari 1989, NJ 1989, 766, m.nt. EAAL, uit welk arrest kan worden afgeleid dat op de notaris een informatieplicht rust bij het opmaken van de akte van huwelijkse voorwaarden. Bij dit alles komt nog dat van een voorovereenkomst, dat wil zeggen een overeenkomst die verplicht tot het tot stand brengen van een andere overeenkomst, geen sprake kan zijn ingeval de inhoud van die andere overeenkomst niet althans in hoofdzaken voldoende bepaald of bepaalbaar is. Aan die voorwaarde is hier evenmin voldaan, zoals blijkt uit hetgeen de man in zijn hiervoor onder 8 aangehaalde passages uit zijn "notities voor de mondelinge behandeling" en zijn appelschrift heeft betoogd omtrent de inhoud van de op te maken huwelijkse voorwaarden. Het behoeft tegen de achtergrond van het voorgaande geen betoog dat zonder meer kan worden voorbijgegaan aan het door het middel gedane beroep op het leerstuk der afgebroken onderhandelingen, nog daargelaten dat het middel niet aangeeft op welke wijze toepassing van dat leerstuk - dat slechts een rol speelt "in handelsverhoudingen" en dat slechts aanleiding kan geven tot schadevergoeding dan wel een verplichting tot dooronderhandelen - tot het door het middel gewenste resultaat zou kunnen leiden.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden