Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF7314

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
01392/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF7314
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 286
JOL 2003, 317
NJ 2003, 633
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01392/02

Mr. Vellinga

Zitting: 8 april 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's Gravenhage wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderd uren.

2. Namens verdachte heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door ten onrechte niet van de gehele tenlastelegging vrij te spreken, nu het niet bewezen heeft verklaard dat het tenlastegelegde is gepleegd "aan de [a-straat]".

4. Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 31 januari 2001 te [woonplaats], in een pand gelegen aan de [a-straat], opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, 219, althans één of meer hennepplant(en), in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijn de hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

5. Blijkens zijn arrest heeft het Hof bewezenverklaard dat

hij op 31 januari 2001 te [woonplaats], in een pand, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt, 219, althans één of meer hennepplant(en), in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijn de hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

6. In een zaak waarin het verlaten van de plaats van het ongeval centraal stond en de straat waar dit volgens de tenlastelegging was geschied, door het Hof niet in de bewezenverklaring was opgenomen, oordeelde de Hoge Raad a) dat de woorden "op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [c-straat]" voor de krachtens de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter te geven beslissingen strafrechtelijk niet van belang waren en b) dat niet kon worden gezegd dat het Hof door vrij te spreken van bedoeld onderdeel van de tenlastelegging een ander strafbaar feit dan was tenlastegelegd heeft bewezenverklaard. Aldus kon niet worden gezegd dat het Hof de grondslag der tenlastelegging had verlaten.(1)

7. De door het Hof in de onderhavige zaak opgenomen bewijsmiddelen houden in dat het pand waar verdachte de hem tenlastegelegde gedragingen verrichtte, zich bevindt aan de [b-straat 1] te [woonplaats] en dat het diens (toenmalige) woning betrof. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte aldaar verklaard dat het om zijn "eerste kweek" ging. Kennelijk heeft het Hof derhalve geoordeeld, welk oordeel niet onbegrijpelijk is, dat het aan verdachte onmiskenbaar duidelijk was welk feit hem ten laste werd gelegd en waar ter plaatse dit feit was begaan. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat bij het Hof op dit punt enig verweer is gevoerd hoewel de politierechter verdachte ook reeds had veroordeeld zonder bewezen te verklaren dat het feit was gepleegd aan de [a-straat]. In het licht van het voorgaande en gelet op de aard van het bewezenverklaarde feit is de plaatsaanduiding voor de krachtens de artikelen 348 en 350 door de rechter te nemen beslissingen strafrechtelijk dus niet van belang.

8. Voorts is het Hof door vrij te spreken van het onderdeel "aan de [a-straat]" niet afgeweken van de grondslag van de tenlastelegging. Immers, het Hof heeft door vrij te spreken van het onderdeel "aan de [a-straat]" niet een ander feit bewezenverklaard dan hetgeen was tenlastegelegd.

9. Het middel faalt.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 15 maart 1994, NJ 1994, 551 m.nt. Kn. Zie ook HR 5 januari 1998, NJ 1988, 787 alsmede D.H. de Jong, de macht van de telastelegging in het strafproces (diss. Groningen), 1981, p. 22-25 en J. Boksem, Op den grondslag der telastlegging (diss. Nijmegen), 1996, p. 276-277. Vgl. voorts HR 25 juni 2002, LJN AE1185, rov. 3.5.