Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF6625

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
C00/148HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF6625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

27 juni 2003 Eerste Kamer Nr. C00/148HR MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. drs. R.W.L. Russell, t e g e n 1. [Verweerder 1], wonende te [woonplaats],

2. [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 353
JWB 2003/273
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer C00/148HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 28 maart 2003

Conclusie inzake

[Eiseres]

eiseres tot cassatie

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [A] B.V.

verweerders in cassatie

Feiten en procesverloop.

1) Dit is, voorzover mij bekend, de derde keer dat partijen zaken in verband met een hun aanbelangende echtscheiding aan de Hoge Raad voorleggen.(1)

Ik breng de feiten in herinnering:

- de eiseres tot cassatie, [eiseres], en de eerste verweerder in cassatie, [verweerder 1], zijn op 19 december 1986 met elkaar getrouwd; op 7 oktober 1987 hebben zij een dochter gekregen;

- partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden, die slechts voor een zeer beperkt deel van het (aanzienlijke) vermogen waarover blijkens de stukken beschikt kan worden, gemeenschap meebrengen. Overigens behoren de vermogensbestanddelen nagenoeg alle toe aan [verweerder 1];

- het huwelijk is op 20 april 1999 door echtscheiding ontbonden;

- [verweerder 1] is inmiddels naar Bermuda geëmigreerd;

- bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 1996 is als voorlopige voorziening bepaald dat [eiseres] bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de voormalige echtelijke woning (een kapitale villa in [plaats](2), hierna kortweg te noemen: de woning), en dat [verweerder 1] ƒ 1.000,-- per maand aan kinderalimentatie moet betalen, en ƒ 9.000,-- per maand aan alimentatie voor [eiseres];

- [eiseres] en de dochter van partijen woonden inmiddels nog in de woning. Deze woning was juridisch eigendom van de tweede verweerder in cassatie, de B.V. [verweerder 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van de B.V. In fiscaal opzicht wordt de woning economisch aan [verweerder 1] toegerekend(3).

2) Het gaat in het kort geding dat in deze cassatie-procedure aan de orde is om de vraag of, dan wel onder welke voorwaarden, [eiseres] met haar dochter de woning moet verlaten.

[Eiseres] heeft op 23 juni 1998 conservatoir beslag op de woning gelegd, die zij ziet als enig verhaalsobject in Nederland voor haar vorderingen op [verweerder 1] uit hoofde van alimentatie en haar recht op passende vervangende woonruimte, alsmede een vordering tot verrekening conform de huwelijkse voorwaarden en een vordering op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. [Verweerder 1] en de B.V. hebben in dit kort geding gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld de woning te ontruimen en het beslag op te heffen, dit opdat zij de woning, die inmiddels aan een derde was verkocht, zouden kunnen leveren.

3) De President heeft deze vordering toegewezen, maar onder de voorwaarde dat [verweerder 1] een bedrag van ƒ 1,25 miljoen aan [eiseres] ter beschikking zou stellen voor de aanschaf van een vervangende woning, en onder de voorwaarde dat [verweerder 1] vervangende zekerheid zou stellen door storting van de koopprijs na aftrek van de hypotheekschuld, onder de notaris. De beslissing is in het dictum (in conventie) van het vonnis van de President van 13 januari 2000 als volgt geformuleerd:

"1. Veroordeelt [eiseres] om binnen twee maanden na de betekening van dit vonnis de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] met al de haren en het hare te ontruimen onder afgifte van de sleutels aan [verweerder] c.s.

2. Heft op de conservatoire beslagen, op 23 juni 1998 ten laste van [verweerder] c.s. gelegd op de onder 1 genoemde onroerende zaak en op het recht tot levering van die onroerende zaak.

3. Veroordeelt [eiseres] alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om de onder 2 genoemde opheffing in de registers in te schrijven.

4. Bepaalt dat [eiseres] een dwangsom verbeurt van ƒ 10.000,-- voor iedere dag dat zij nalaat aan enig onderdeel van de veroordelingen onder 1 en 3 te voldoen, met een maximum van ƒ 1.000.000,--.

5. Bepaalt dat [verweerder] c.s. geen rechten kunnen ontlenen aan de onder 1 en 3 genoemde veroordelingen en de opheffing onder 2, zolang niet veertien dagen zijn verlopen nadat de notaris aan [eiseres] heeft bericht dat hij na opheffing van de beslagen de volgende bedragen onder zich heeft:

- ƒ 1,25 miljoen, die aan [eiseres] zal worden uitbetaald voor vervangende woonruimte;

- ƒ 4,65 miljoen, die zal worden gestort op een geblokkeerde rekening ter uitbetaling aan degene die uiteindelijk zal blijken gelijk te hebben in de thans door [eiseres] aanhangig gemaakte procedures.

6. Wijst het meer of anders gevorderde af."

4) In het door [eiseres] ingestelde appel heeft het Hof het vonnis van de President met enkele wijzigingen in stand gelaten. Het Hof heeft het bedrag dat aan [eiseres] voor vervangende woonruimte moest worden uitbetaald gesteld op ƒ 2 miljoen (in plaats van ƒ 1,25 miljoen) en enige nadere bijzonderheden aan deze voorwaarde toegevoegd, rov. 4.6; het heeft een rekenfout uit het vonnis van de President hersteld, rov. 4.7; en het heeft het bedrag dat op een geblokkeerde rekening moest worden gestort bepaald op ƒ 3,6 miljoen, rov. 3.8. Per saldo heeft het Hof het vonnis van de eerste aanleg bekrachtigd met uitzondering van wat in het dictum in conventie onder 1. en 5. is bepaald, het onder 1. en 5. bepaalde vernietigd en het dictum onder 1. en 5. als volgt opnieuw geformuleerd:

"1. veroordeelt [eiseres] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] met al de haren en het hare te ontruimen onder afgifte van de sleutels aan [verweerder] c.s.;

5. bepaalt dat [verweerder] c.s. geen rechten kunnen ontlenen aan de onder 3. genoemde veroordeling en de opheffing onder 2. zolang niet 14 dagen zijn verstreken nadat

1) de notaris aan [eiseres] heeft bericht dat hij na opheffing van de beslagen een bedrag onder zich heeft van ƒ 2 miljoen, uit te betalen aan [eiseres] voor de aankoop van een op naam van [betrokkene 1] te stellen, niet door [eiseres] of namens [betrokkene 1] te verhypothekeren woning;

2) ƒ 3 miljoen zal zijn gestort op een op naam van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gezamenlijk te stellen bankrekening onder de bepaling dat [eiseres] geen rechten aan deze uitspraak kan ontlenen indien zij niet haar medewerking verleent aan overmaking van dit bedrag aan de HBU indien en zodra in rechte onherroepelijk zal zijn vastgesteld dat de hypotheek tot dat bedrag rechtsgeldig is; indien zal zijn vastgesteld dat de hypotheek niet rechtsgeldig is, zal genoemd bedrag van ƒ 3 miljoen worden aangewend op de wijze als in 3) bepaald;

3) ƒ 600.000,-- zal zijn gestort op een bankrekening als onder 2) bedoeld ter uitbetaling aan degene die uiteindelijk in het gelijk zal worden gesteld in de thans door [eiseres] aanhangig gemaakte procedures."

5) [Eiseres] is tijdig en regelmatig in cassatie gekomen. [Verweerder] c.s. zijn in cassatie niet verschenen.

Bespreking van het cassatiemiddel.

6) Als ik het goed begrijp strekt de klacht van het middel ertoe dat de wijzigingen die het Hof heeft aangebracht ten opzichte van de uitspraak van de President onbegrijpelijk zijn, omdat het dictum onder 5 in de formulering van het Hof tot interpretatiegeschillen (tussen partijen) leidt. [Verweerder] c.s. zouden de beslissing zo uitleggen dat zij ontruiming van de woning kunnen bewerkstelligen voordat de in de voorwaarden omschreven bedragen zijn gestort; [eiseres] leest het dictum zo dat zij pas tot ontruiming gehouden is, nadat zij bericht van de notaris heeft ontvangen dat deze de bedoelde bedragen onder zich heeft(4).

7) De oorzaak van het interpretatieverschil schuilt, denk ik, in het feit dat het Hof in het dictum onder 5. heeft bepaald: "dat [verweerder] c.s. geen rechten kunnen ontlenen aan de onder 3. genoemde veroordeling en de opheffing onder 2. zolang niet 14 dagen zijn verstreken nadat ... etc.", terwijl de President had bepaald: "dat [verweerder] c.s. geen rechten kunnen ontlenen aan de onder 1 en 3 genoemde veroordelingen en de opheffing onder 2, zolang niet veertien dagen zijn verstreken nadat ...etc." (telkens: mijn cursivering A-G). Anders dan het dictum van de eerste aanleg, verwijst het in appel opnieuw geformuleerde dictum sub 5 - naar mijn stellige overtuiging: alleen als gevolg van een schrijf- of typfout - niet mede naar het voorafgaande onderdeel 1 van het dictum, waarin de veroordeling tot ontruiming staat.

8) Op zichzelf is juist dat een tegenstrijdigheid in (het dictum van) een rechterlijke uitspraak, waardoor die uitspraak onvoldoende begrijpelijk wordt, grond voor vernietiging oplevert(5).

Maar zoals zojuist al aangestipt, lijkt het mij duidelijk dat de oneffenheid in het dictum van het arrest van het Hof alleen berust op een verschrijving. De door het Hof geformuleerde voorwaarden - goeddeels overeenkomend met al in de eerste aanleg gegeven voorzieningen -, hebben immers mede, zo niet vooral, zin met het oog op het dictum onder 1 (voor de voorwaarde betreffende de middelen voor de aankoop van een vervangende woning is dat in uitgesproken mate het geval); en de overwegingen uit het bestreden arrest dringen nader aan dat het Hof ook bedoeld heeft dat die voorwaarden (mede) met de ontruiming waarop het dictum onder 1 betrekking heeft verband zouden houden - zie bijvoorbeeld rov. 4.1.9, 4.5, 4.6 en 4.8. Bovendien zijn zowel de ontruiming als de opheffing van het beslag gevorderd om de levering van de woning aan de koper mogelijk te maken, zodat het niet in de rede ligt dat - ter tegemoetkoming aan de belangen van de vrouw en de dochter van partijen - aan de opheffing van het beslag voorwaarden worden verbonden, terwijl die voor de ontruiming niet zouden gelden.

9) Daaraan valt nog toe te voegen dat het arrest, wanneer men het leest zoals, volgens de stellingen van het middel, [verw[verweerder] het zou willen lezen, buiten de rechtsstrijd van partijen in appel zou treden. Daarin hadden partijen immers niet aangevoerd dat de President in eerste aanleg het verband tussen de veroordelingen en de voorwaarden in het dictum verkeerd zou hebben gelegd(6); en niets wijst er op dat het Hof partijen op dat punt anders zou hebben begrepen. Ook daarom vind ik het in uitgesproken mate onaannemelijk dat de beslissing van het hof in dit opzicht een afwijking zou beogen van wat in het vonnis van de President was beslist.

10) Als men het dictum leest met inachtneming van deze premissen is er geen onduidelijkheid - de door [eiseres] voorgestane uitleg van het dictum is kennelijk de juiste -, en gaat de klacht over onbegrijpelijkheid al daarom niet op(7).

11) Ten overvloede heb ik mij nog afgevraagd of er in geval van een (kennelijke) verschrijving, voldoende belang bestaat bij het aanwenden van het rechtsmiddel van cassatie als dat alleen gericht is op het ongedaan maken van die verschrijving. Er is immers een eenvoudige rechtstreekse mogelijkheid om zo'n verschrijving te laten corrigeren door de instantie die de betreffende uitspraak deed (inmiddels art. 31 Rv., destijds - het arrest van het Hof dateert van 23 maart 2000 - nog "jurisprudentie-recht"). Waar het aanwenden van dat middel zo duidelijk aangewezen is als in het onderhavige geval, lijkt mij voorstelbaar dat men niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang, wanneer men een (ander) rechtsmiddel aanwendt, alleen om hetzelfde doel te bereiken.

Met de sanctie van niet-ontvankelijkheid zou de bedoeling van het rectificatie-instituut - namelijk: het voorkomen dat partijen genoodzaakt worden om voor dit soort wissewasjes rechtsmiddelen aan te wenden, maar in het verlengde daarvan toch ook: voorkomen dat de rechterlijke organisatie daarmee wordt belast - gediend zijn. Er zijn nu eenmaal partijen - niet veel, gelukkig - die er behagen in lijken te scheppen het de ander - maar daarbij ook zichzelf - moeilijk te maken. Er is wat voor te zeggen dat de weg voor zulke partijen wordt afgesneden. Soortgelijke motieven hebben volgens mij een rol gespeeld bij het uitsluiten van appel van rectificatie-beslissingen(8).

12) Tegenover de in de vorige alinea neergeschreven beschouwingen staat echter, dat er ook gevallen zijn waarin men kan betwijfelen of rectificatie wel aangewezen is - en dus belang kan hebben bij het volgen van de "zekere" weg van een ander rechtsmiddel, als dat beschikbaar is; en dat er nog andere valabele redenen kunnen zijn om voor de weg van het "gewone" rechtsmiddel te kiezen(9) - bijvoorbeeld dat men de mogelijkheid wil openhouden om nog andere bezwaren tegen de betreffende beslissing in te brengen (daar waar men bij het instellen van het rechtsmiddel nog niet hoeft aan te geven waarin die bezwaren bestaan, zoals bij hoger beroep in de dagvaardingsprocedure). Daardoor zal het in de praktijk lastig zijn om zaken waarin "klaarblijkelijk" de mogelijkheid van rectificatie in aanmerking komt, te onderscheiden van gevallen waarin er redelijke gronden bestaan om (eventueel ook) voor een andere weg te kiezen. Als een sanctie zoals hiervóór verondersteld - namelijk niet-ontvankelijkheid bij gebrek aan voldoende belang - moet worden beoordeeld aan de hand van zo'n ongewisse maatstaf, denk ik per saldo dat het de voorkeur heeft om als regel aan te nemen dat de aanlegger de vrije keus heeft tussen rectificatie of een ander rechtsmiddel (of eventueel: beide tegelijk). De grens zou dan hoogstens daar zijn te trekken waar de opstelling van de aanlegger als misbruik van (proces)recht moet worden aangemerkt.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep; waarbij de Hoge Raad zou kunnen verstaan dat in het dictum van het bestreden arrest sub 5, 2e regel, kennelijk per abuis de aanduiding "1 en" is weggevallen (en het daarna volgende woord "veroordeling" dienovereenkomstig in het meervoud moet luiden).

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie voor de eerdere zaken de beschikkingen HR 2 april 1999, R98/064, NJ 1999, 656 en HR 12 april 2002, R01/103, rechtspraak.nl LJN nr. AD 9348.

2 Voor de niet geheel "neutrale" kwalificatie die ik aan de woning geef vind ik rechtvaardiging in Prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.

3 Ik erken, met schroom, dat ik de portee van deze vaststelling van het Hof (in rov. 4.1.3.) niet helemaal heb begrepen. Kennelijk ziet het hof hierbij op de gegevens die in al. 3 - 4 van de appeldagvaarding en van de Memorie van Grieven worden genoemd, en o.a. in al. 6 van de Memorie van Antwoord gedeeltelijk worden betwist. Ik kan daaruit niet opmaken wat de stand van zaken is. Voor de beoordeling in cassatie is dit gelukkig ook niet nodig - in het middel wordt geen beroep op dit gegeven gedaan.

4 Aldus het cassatiemiddel onder 4.4. Ik wijs erop dat het Hof het dictum ook in die zin heeft gewijzigd, dat de bedragen ter vervangende zekerheid moeten worden gestort op een op naam van de advocaten van partijen gezamenlijk te stellen bankrekening, en dus niet onder de notaris. Het cassatiemiddel laat ruimte voor twijfel over de vraag of [eiseres] meent dat ook deze bedragen eerst moeten zijn gestort voordat zij tot ontruiming gehouden is; maar ik neem aan dat zij dat inderdaad bedoelt.

5 Een voorbeeld levert HR 17 december 1999, NJ 2000, 171, rov. 3.5.

6 In het dossier bevinden zich, merk ik in dit verband op, geen pleitnotities van de kant van [verweerder] c.s. in appel; maar uit het bestreden arrest (rov. 1.5) maak ik op dat die ook niet aan het Hof zijn overgelegd.

7 De Hoge Raad zou echter, bij verwerping van het beroep, kunnen "verstaan" dat in het dictum van het bestreden arrest sub 5 kennelijk per vergissing de aanduiding "1 en" in de tweede regel is weggevallen - zoals dat bijvoorbeeld ook in HR 8 juni 2001, NJ 2001, 432 is gedaan.

8 HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672, en inmiddels art. 31, vierde lid Rv.

9 Snijders verwijst daarnaar in zijn noot onder HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672. Bij een uitspraak in kort geding - zoals die in deze zaak aan de orde is - zal zo'n ander geval zich overigens niet veelvuldig voordoen.