Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF6604

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
00813/02 B en 01122/02 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF6604
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

3 juni 2003 Strafkamer nr. 00813/02 B en 01122/02 B LR/LB Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Middelburg van 19 februari 2002, nummers RK 01/204 en RK 01/205, inzake een verlof als bedoeld in artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering betreffende [verdachte 1] en [verdachte 2], ingediend door: [klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden beschikking...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00813/02 B en 01122/02 B

Mr Fokkens

Parket, 25 maart 2003

Conclusie inzake:

[verzoeker=klager]

1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van de rechtbank te Middelburg waarbij de rechtbank in de zaak tegen de verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] verlof heeft verleend aan de rechter-commissaris om inbeslaggenomen bescheiden ter beschikking te stellen van de officier van justitie tot overdracht aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Veurne (België), onder voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

2. Namens verzoeker heeft mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen dat een overdracht van de inbeslaggenomen goederen aan België in strijd is met het fair trial beginsel ex art. 6 EVRM dan wel op gronden die onbegrijpelijk en/of in strijd met de wet zijn.

4. Bedoeld verweer hield - kort gezegd - in dat er in Nederland een vervolging tegen verzoeker zal worden ingesteld dan wel is ingesteld en dat de over te dragen, bij verzoeker inbeslaggenomen, stukken en zaken van belang kunnen zijn in een eventuele strafzaak tegen verzoeker. Verzoeker zal in zijn verdediging in die strafzaak kunnen worden geschaad door de overdracht aan België.

5. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 5 februari 2002 heeft de officier van justitie dienaangaande het volgende verklaard:

"Tegen belanghebbende [klager] is een onderzoek gestart door de A.I.D..

Alle inbeslaggenomen stukken, welke vatbaar zijn voor overdracht naar België, zullen als bewijs aan dit A.I.D.-dossier ontvallen.

Zo bezien is belanghebbende [klager] niet in zijn belangen geschaad."

6. De rechtbank heeft vervolgens ten aanzien van bedoeld verweer in haar beschikking het volgende overwogen:

"Tijdens het onderzoek in raadkamer heeft de officier van justitie aan belanghebbende meegedeeld dat hij in Nederland zal worden vervolgd voor soortgelijke delicten als thans aan de orde.

De officier van justitie heeft belanghebbende toegezegd dat de voor overdracht vatbare inbeslaggenomen stukken niet in deze Nederlandse strafzaak als bewijs worden gebruikt.

Gelet op hetgeen overwogen is (...) wordt het verweer verworpen."

7. In de toelichting op het middel wordt het door de rechtbank overwogene onbegrijpelijk geacht. Hiertoe wordt aangevoerd dat een officier van justitie, nu de desbetreffende stukken in het dossier zitten, niet kan beoordelen of de rechter deze stukken wel of niet tot het bewijs gebruikt. Verder wordt betoogd dat ook de rechter in de onderhavige beklagzaak niet kan oordelen over het eventuele gebruik voor het bewijs van bepaalde dossierstukken door de strafrechter te zijner tijd.

8. Het middel faalt. In de eerste plaats berust deze grief op een verkeerde lezing van de toezegging door de officier van justitie en de daarop gebaseerde overweging van de rechtbank. Ik lees beide namelijk als inhoudende dat de betreffende inbeslaggenomen zaken geen deel meer zullen uitmaken van het strafdossier van verzoeker op het moment dat deze aan België worden overgedragen.

9. In de tweede plaats is een eventuele beperking van de verdedigingsmogelijkheden van verzoeker in de tegen hem aan te spannen strafzaak een kwestie die te zijner tijd aan de orde zal moeten worden gesteld in het kader van die strafzaak. De omstandigheid dat de betreffende stukken in dat andere onderzoek mogelijk van belang kunnen zijn is op zich geen grond om te weigeren aan het verzoek tot rechtshulp te voldoen (zie art. 552k lid 1 Sv en aantek. 2d en 3 in T&C Sv bij art. 552k Sv). Bovendien is door de rechtbank het voorbehoud gemaakt dat de stukken na gebruik in de strafzaak aan Nederland zullen worden teruggegeven.

10. Gezien dit alles faalt het middel.

11. Ik concludeer dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv.