Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF6236

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
01055/02 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF6236
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

27 mei 2003 Strafkamer nr. 01055/02 B LR/DAT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 28 december 2001, nummer RK 01/1391, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door: [betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats]. 1. De bestreden beschikking...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 552m, geldigheid: 2003-05-27
Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Brussel, 27-06-1962 2, geldigheid: 2003-05-27
Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Brussel, 27-06-1962 4, geldigheid: 2003-05-27
Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Brussel, 27-06-1962 22, geldigheid: 2003-05-27
Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Brussel, 27-06-1962 23, geldigheid: 2003-05-27
Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Brussel, 27-06-1962 24, geldigheid: 2003-05-27
Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, Straatsburg, 08-11-1990 2, geldigheid: 2003-05-27
Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, Straatsburg, 08-11-1990 18, geldigheid: 2003-05-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 250

Conclusie

Nr. 01055/02 B

Mr Wortel

Zitting: 18 maart 2003

Conclusie inzake:

[verzoekster=betrokkene]

1. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft een op art. 552a Sv gegrond beklag van verzoekster, strekkende tot opheffing van het onder haar gelegde beslag op stukken, ongegrond verklaard.

2. Namens verzoekster heeft mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De Belgische autoriteiten hebben in het kader van een door hen ingestelde strafrechtelijk onderzoek tegen [persoon 1] een verzoek om rechtshulp tot de Nederlandse autoriteiten gericht. Daarin is onder meer verzocht om de inbeslagneming en overdracht van delen van de administratie van klaagster. De tegen [persoon 1] bestaande verdenking betreft - kort gezegd - het ontduiken van (vennootschaps)belasting in België met behulp van zogenaamde kasgeldvennootschappen.

4. Bij de stukken bevindt zich een brief, gedateerd 11 oktober 2000, namens de Minister van Justitie gezonden aan de hoofdofficier van justitie te Den Haag, die een krachtens art. 552m, derde lid, Sv gegeven machtiging inhoudt. In die brief wordt verwezen naar een aangehecht schrijven van het hoofd van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, waarin is vermeld dat het rechtshulpverzoek betrekking heeft op de ontduiking van de Belgische vennootschapsbelasting. Aangenomen moet worden dat het hoofd van de FIOD is gemachtigd om namens de Minister van Financiën een standpunt in te nemen als bedoeld in art. 552m, derde lid, Sv.

Op vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank te Den Haag op 13 februari 2001 een bevel tot uitlevering ter inbeslagneming gegeven, als bedoeld in art. 105 Sv. Ambtenaren van de FIOD hebben krachtens dit bevel onder verzoekster diverse bescheiden in beslag genomen.

5. Kennelijk was verzoekster aanvankelijk niet bekend met de door de Minister van Justitie gegeven machtiging, aangezien het klaagschrift mede stoelde op de stelling dat de in art. 552m, derde lid, Sv bedoelde machtigingsprocedure niet was gevolgd.

6. De nu bestreden beschikking van de Rechtbank houdt in:

"De rechtbank is met de raadsman van oordeel, dat er voor de inwilliging van een rechtshulpverzoek dat betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten met betrekking tot belastingen of daarmee verband houdende feiten, waarvan inwilliging van belang kan zijn voor 's Rijks belastingen, dan wel aan een verzoek betrekking hebbend op gegevens, welke onder 's Rijks belastingdienst rusten, een machtiging is vereist van de Minister van Justitie na overleg met de Minister van Financiën.

Uit het dossier is gebleken dat, in afwijking van hetgeen ter zitting werd geconstateerd, niet één maar twee machtigingen zijn verstrekt. Eén is gedateerd voor de inbeslagname (11 oktober 2000) en één is gedateerd na de inbeslagname van de voorwerpen (24 april 2001). Beide machtigingen zijn gegeven in het kader van het verzoek om rechtshulp van de Belgische autoriteiten in de strafzaak tegen [persoon 1], en naar de officier van justitie verklaarde inmiddels ook tegen [betrokkene]. Laatstgenoemde machtiging is gegeven in het kader van een aanvullend rechtshulpverzoek, en heeft derhalve geen betrekking op de in het klaagschrift bedoelde voorwerpen.

De machtiging gegeven op 11 oktober 2000 ziet op de in het klaagschrift opgenomen voorwerpen.

Gelet echter op de tekst van bedoelde machtiging - waarin enerzijds een machtiging wordt verstrekt doch anderzijds wordt gesteld dat een wettelijke grondslag daartoe ontbreekt - is thans nog allerminst duidelijk of deze machtiging het beoogde rechtsgevolg kan hebben. Daartoe zal in het kader van het verzoek ex artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering jegens [betrokkene] nader onderzoek moeten worden verricht.

Zolang de uitkomsten daarvan niet voorhanden zijn, dient het beslag in stand te blijven."

7. Ik geef, alvorens de middelen te bespreken, een kort overzicht van de toepasselijke verdragsbepalingen. Art. 22 van het Benelux-Verdrag uitlevering en rechtshulp in strafzaken (BUV, Trb. 1962, 97) bepaalt dat de aangesloten Staten zich verbinden om elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten, waarover de verzoekende partij rechtsmacht heeft. Art. 23 BUV bepaalt dat de aangezocht partij gevolg zal geven aan de rogatoire commissies die tot doel hebben het verrichten van onderzoekshandelingen of de toezending van stukken van overtuiging, dossiers of documenten. In het tweede lid van art. 24 wordt zulks echter ingeperkt waar het gaat om rogatoire commissies die strekken tot een huiszoeking of een inbeslagneming. Te dien aanzien is bepaald dat deze slechts kunnen worden uitgevoerd voor feiten welke op grond van het BUV aanleiding kunnen geven tot uitlevering, en met inachtneming van het in artikel 20, tweede lid BUV uitgedrukte voorbehoud.

8. Art. 2 BUV bepaalt - kort gezegd - dat tot uitlevering kunnen leiden de feiten die krachtens de wetten van zowel de verzoekende als de aangezochte partij strafbaar zijn gesteld, en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste zes maanden is gesteld. Art. 4 BUV maakt daarop een uitzondering voor 'fiscale delicten': inzake retributies, belastingen, douane, deviezen, invoer, uitvoer en doorvoer zal uitlevering onder de in dit verdrag voorziene voorwaarden slechts worden toegestaan indien ten aanzien van elk delict of elke groep van delicten tussen de regeringen van de partijen daartoe is besloten.

9. Een dergelijk besluit is te vinden in de Overeenkomst inzake de administratieve en strafrechtelijke samenwerking op het gebied van de regelingen die verband houden met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Benelux Economische Unie, Trb. 1969, 124, en de daarbij behorende aanvullende Protocollen. In art. 17 van genoemde Overeenkomst is weliswaar bepaald dat de mogelijkheid van art. 24 van het Uitleveringsverdrag om voorwerpen in beslag te nemen er uitvoering van een verzoek om rechtshulp ook kan gelden voor strafbare feiten die niet op basis van genoemd verdrag tot uitlevering zouden kunnen leiden, maar die bepaling moet in verband worden gelezen met het bepaalde in het Aanvullend Protocol houdende bijzondere bepalingen op het stuk van de belastingen, waarin is aangegeven dat dit Protocol en de in de Overeenkomst neergelegde bevoegdheden slechts gelden voor de bepalingen met betrekking tot douane en accijnzen alsmede de omzetbelasting, vgl. ook J. Koers, Nederland als verzoekende staat bij de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, pag. 342 e.v.

10. Opmerking verdient nog dat in art. 50 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst de wederzijdse rechtshulp inzake fiscale delicten eveneens is beperkt tot douane, accijnzen en omzetbelasting.

11. De door de Minister van Justitie verstrekte machtiging houdt het volgende in:

"Hierbij machtig ik u op grond van artikel 552m, lid 3 Wetboek van Strafvordering over te gaan tot de uitvoering van het verzoek.

Bijgesloten treft u een brief van 15 september 2000 no. J 00/132 van het Hoofd van de FIOD te Haarlem aan, naar de inhoud waarvan ik u verwijs, met betrekking tot de uitvoering van het verzoek tot rechtshulp van de Belgische autoriteiten. In deze brief wordt melding gemaakt van het feit dat van ontneming geen sprake kan zijn daar, voor wat betreft de directe belastingen met België daar hiervoor een wettelijke grondslag ontbreekt (artikel 50 van de Schengen Uitvoerings Overeenkomst.)"

12. De bedoelde brief van het hoofd van de FIOD houdt, voor zover hier van belang in:

"Het rechtshulpverzoek vermeldt m.n. als strafbare feiten die verband houden met belastingen: het plegen van omvangrijke fraude inzake vennootschapsbelasting, strafbaar gesteld als heling en witwas.

Het navolgende wordt met name verzocht:

- de inbeslagneming van administratief bewijsmateriaal bij [betrokkene], gevestigd [a-straat 1] te [vestigingsplaats];

- het blokkeren van bankrekeningen en het beslagleggen op de tegoeden van [betrokkene];

- informatie-verstrekkking m.b.t. [betrokkene], aanwezig bij de Belastingdienst

- het verhoren van de verantwoordelijke personen van de firma [B] te [vestigingsplaats].

- Aanwezigheid van Belgische opsporingsambtenaren tijdens de uitvoering van dit verzoek.

Het volgende dient te worden opgemerkt.

Het rechtshulpverzoek heeft betrekking op de ontduiking van Belgische vennootschapbelasting, hetgeen als een vorm van directe belasting niet kan leiden tot de toepassing van het dwangmiddel van inbeslagneming.

Ik verwijs hiervoor naar de uitspraak van het Belgische Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 17 februari 1998, waarbij de inbeslagneming inzake directe belastingendelicten niet mogelijk werd geacht tussen België en Nederland vanwege het ontbreken van een aanvullende verdragsgrondslag. Het reciprociteitsbeginsel lijkt mij in deze opportuun.

Ten aanzien van de informatie-verschaffing door de Belastingdienst, het horen van personen en de aanwezigheid van Belgische opsporingsambtenaren, bestaat mijnerzijds geen bezwaar tegen de inwilliging van het rechtshulpverzoek.(...)"

13. De brief waarin de machtiging van de Minister van Justitie is neergelegd wekt verwarring omdat daarin is vermeld dat van ontneming geen sprake zal kunnen zijn. De verwarring wordt nog groter omdat uit de door de Belgische autoriteiten overgelegde stukken blijkt dat mede is verzocht om maatregelen (blokkeren van bankrekeningen en beslaglegging op tegoeden) ter voorbereiding van een latere "verbeuring", verbeurdverklaring of confiscatie. In zulke sancties zou men naar Nederlandse begrippen ontnemingsmaatregelen kunnen zien.

14. Het is mogelijk dat de Rechtbank hierop heeft gedoeld met haar overweging dat de tekst van de machtiging niet duidelijk maakt of die het beoogde rechtsgevolg kan hebben.

Zo dat inderdaad de gedachte is geweest kan ik de Rechtbank daarin niet volgen. De onderliggende brief van het hoofd van de FIOD, waarnaar de Minister van Justitie heeft verwezen, maakt er weliswaar melding van dat het verzoek om rechtshulp strekt tot, naast inbeslagneming van bewijsmateriaal en het afnemen van verhoren, blokkering van bankrekeningen en beslaglegging op tegoeden, maar vervolgens is in algemene zin opgemerkt dat, nu het rechtshulpverzoek betrekking heeft op de ontduiking van een directe belasting, het dwangmiddel van inbeslagneming niet kan worden toegepast. Aansluitend is opgemerkt dat geen bezwaar bestaat tegen de uitvoering van het rechtshulpverzoek voor zover het strekt tot informatie-verschaffing door de Belastingdienst, het horen van personen en de aanwezigheid van Belgische opsporingsambtenaren.

15. Nu in de machtiging van de Minister van Justitie is verwezen naar de brief van het hoofd van de FIOD, en ook melding is gemaakt van art. 50 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst, moet naar mijn inzicht worden aangenomen dat het woord "ontneming" in de machtigingsbrief per abuis is vermeld, en dat daarvoor dient te worden gelezen: "inbeslagneming".

16. Het is ook denkbaar dat de overweging betreffende de onduidelijkheid van het aan de machtiging te verbinden rechtsgevolg verband houdt met de opmerking van de officier van justitie bij de behandeling ter zitting dat het aan het verzoek om rechtshulp ten grondslag liggende delict 'witwassen' is, zodat een machtiging in het geheel niet is vereist. Het verzoek om rechtshulp maakt inderdaad gewag van de "Witwas Overeenkomst" van 8 november 1990, terwijl bij het rechtshulpverzoek is gevoegd de tekst van de art. 505 en (niet geheel leesbaar) 507 van het Belgische Strafwetboek. In die bepalingen is een - gedeeltelijk met art. 420bis Sr overeenkomende - omschrijving opgenomen van strafbare handelingen die als 'witwassen' zijn aan te duiden.

17. Bedoeld Verdrag (het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, Trb 1990, 172, nadere gegevens in Trb 1993, 88, Trb 1997, 68 en Trb 1998, 267) voorziet in een grondslag voor het verlenen van rechtshulp bij het identificeren en opsporen van voorwerpen die vatbaar zijn voor confiscatie, ook in de vorm van iedere maatregel om bewijs te verschaffen en veilig te stellen met betrekking tot het bestaan, de vindplaats, de aard of waarde, van zulke voorwerpen (art. 7 en 8). De rechtshulp wordt verleend in overeenstemming met de nationale wetgeving van de aangezochte Staat (art. 9), en er is een facultatieve weigeringsgrond gelegen in de omstandigheid dat het verzoek betrekking heeft op een fiscaal delict (art. 18). Het Verdrag schrijft de aangesloten Staten voor de wetgevende en andere maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om tot confiscatie over te gaan (art. 2), waarbij Nederland zich het recht heeft voorbehouden die maatregelen niet te treffen ten aanzien van de opbrengst van fiscale delicten.

18. Mij dunkt dat hier in het midden kan blijven dat art. 8 van dit Verdrag, in ieder geval naar de letter genomen, alleen betrekking heeft op het veilig stellen van bewijs omtrent de voor confiscatie vatbare voorwerpen, hetgeen niet noodzakelijk overeenkomt met het bewijs omtrent de toedracht van strafbare feiten die voordeel hebben opgeleverd.

19. In de onderhavige zaak heeft de Minister van Justitie zich blijkens bovengenoemde machtiging als bedoeld in art. 552m, derde lid, Sv aangesloten bij het door het hoofd van de FIOD ingenomen standpunt dat het rechtshulpverzoek betrekking heeft op de ontduiking van de Belgische vennootschapsbelasting. Daaraan heeft de Minister van Justitie - diens machtiging in zoverre verbeterd gelezen in de hierboven genoemde zin - de consequentie verbonden dat een wettelijke grondslag voor inbeslagneming ontbreekt.

20. De Staat der Nederlanden is gehouden haar bij verdrag aangegane verplichtingen zo veel mogelijk na te komen. Daaruit vloeit ook voor de rechter, met behoud van zijn onafhankelijkheid, een zekere verantwoordelijkheid voort. Waar in verband met de uitvoering van tot Nederland gerichte en op verdragsbepalingen gebaseerde rechtshulpverzoeken de bevoegdheden wettelijk zijn verdeeld over de Minister van Justitie en de rechter, is het naar mijn overtuiging in de eerste plaats aan de Minister om te bepalen of de toepasselijke verdragsbepalingen aan volledige uitvoering van een rechtshulpverzoek in de weg staan. Komt de Minister, nog voordat de rechter de aan hem voorbehouden beslissing moet geven, tot het oordeel dat uit de toepasselijke verdragsbepalingen voortvloeit dat Nederland niet zonder meer of niet volledig aan een verzoek om rechtshulp kan voldoen, dan zal de rechter, naar mij voorkomt, dat oordeel hebben te respecteren.

21. Nu de Minister van Justitie het onderhavige rechtshulpverzoek aldus heeft verstaan dat het betrekking heeft op feiten die wegens hun fiscale karakter een machtiging als bedoeld in art. 552m, derde lid, Sv noodzakelijk maken, terwijl de aard van die feiten meebrengt dat ter voldoening aan het rechtshulpverzoek geen gebruik gemaakt kan worden van het dwangmiddel van inbeslagneming, had de Rechtbank die uitleg van het rechtshulpverzoek tot uitgangspunt moeten nemen.

22. Daarom lijkt het oordeel van de Rechtbank dat zij zich zonder nader onderzoek niet in staat achtte te bepalen of de machtiging van de Minister van Justitie het beoogde rechtsgevolg kan hebben mij niet op toereikende en begrijpelijke wijze gemotiveerd te zijn.

Ik kom nu toe aan bespreking van de voorgestelde cassatiemiddelen.

23. Het eerste middel klaagt in hoofdzaak dat de Rechtbank een verkeerde maatstaf heeft aangelegd, door niet te onderzoeken of het belang van de (buitenlandse) strafvordering zich, gelet op het vermoeden van onrechtmatigheid van de inbeslagneming, tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzet.

24. In HR 19 maart 2002, LJN ZE2927 heeft de Hoge Raad de maatstaf geformuleerd die de rechter zal moeten aanleggen indien hem op grond van art. 552p Sv verlof wordt gevraagd voor de overdracht - via de officier van justitie - van hier te lande ter uitvoering van een rechtshulpverzoek inbeslaggenomen voorwerpen aan de verzoekende staat. In dat geval heeft als uitgangspunt te gelden dat, indien het verzoek is gegrond op een verdrag, aan dat verzoek ingevolge art. 552k, eerste lid, Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.

25. Naar mijn inzicht zal de rechter die een beslissing moet nemen op een beklag, gegrond op art. 552a Sv, strekkende tot teruggave van voorwerpen die op verzoek van buitenlandse autoriteiten in beslag zijn genomen, zich eveneens naar dit toetsingskader moeten richten. Dat betekent dat in een dergelijke procedure, in ieder geval indien het verzoek van de buitenlandse autoriteiten op een verdrag is gestoeld, geen zelfstandig belang toekomt aan de vraag of het belang van de buitenlandse strafvordering zich tegen teruggave verzet. De rechter zal, ook naar aanleiding van een dergelijk beklag, slechts hebben te onderzoeken of het toepasselijke verdrag wezenlijke belemmeringen opwerpt tegen de inbeslagneming en het voortduren van het beslag, dan wel de inbeslagneming op verzoek van de buitenlandse autoriteiten in strijd komt met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht. Weliswaar is het bepaalde in art. 116 Sv in art. 552p, vierde lid, Sv van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing omtrent het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof, maar in het licht van HR 19 maart 2002, LJN ZE2927 zal art. 116 Sv daarbij aldus uitgelegd moeten worden dat bij die beslissing op gezag van de verzoekende Staat wordt aangenomen dat het belang van de buitenlandse strafvervolging zich tegen teruggave verzet.

26. Naar aanleiding van het derde middel, en gelet op hetgeen voorafgaand aan de bespreking van de middelen werd opgemerkt, zal ik hieronder uiteenzetten dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten een uitspraak te doen over de vraag of de toepasselijke verdragsbepalingen de inbeslagneming toelaten, maar het eerste middel faalt.

27. Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank geheel voorbij is gegaan aan de in het klaagschrift aangevoerde tweede grond voor onrechtmatigheid van de inbeslagname. Die grond betreft, kort gezegd, dat (zoals door de officier van justitie is verklaard) verzoekster op een gegeven moment ook zelf door de Belgische autoriteiten als verdachte is aangemerkt met betrekking tot het feitencomplex waarvan [persoon 1] reeds werd verdacht. In verband met het bepaalde in art. 105, tweede lid, en art. 96a, tweede lid, Sv zou de rechter-commissaris daarom geen bevel tot uitlevering ter inbeslagneming tot verzoekster hebben mogen richten.

28. Naar mijn inzicht zal de rechtmatigheid van een bevel als bedoeld in art. 105 Sv beoordeeld moeten worden naar de stand van zaken die de rechter-commissaris bij het geven van dat bevel bekend kon zijn. In verband met de in art. 105, tweede lid, jo art. 96a, tweede lid, Sv opgenomen beperking dat het bevel niet tot een verdachte gericht mag worden, wordt een reeds gegeven bevel daarom niet onrechtmatig indien degene tegen wie het is gericht op een later tijdstip als verdachte wordt aangemerkt.

29. Nu de vordering van de Officier van Justitie als bedoeld in art. 552n, lid 3 Sv, waarin tevens een vordering tot toepassing van art. 105 Sv is opgenomen, dateert van 1 februari 2001 en niet inhoudt dat verzoekster zelf verdachte zou zijn, terwijl het verzoek om rechtshulp dat de officier van justitie daarbij aan de rechter-commissaris heeft overgelegd dateert van 12 september 2000 en evenmin inhoudt dat verzoekster als verdachte is aangemerkt, is het op 13 februari 2001 gegeven bevel tot uitlevering van stukken ter inbeslagneming niet onrechtmatig te noemen in verband met de opmerking van de officier van justitie, ter zitting van 10 december 2001, dat verzoekster zelf inmiddels als verdachte werd aangemerkt.

30. Daarop moet het tweede middel afstuiten.

31. Het derde middel bevat de klacht dat de Rechtbank niet heeft geoordeeld over het in het klaagschrift gedane verzoek om reeds op voorhand een door de rechter-commissaris te vragen verlof op grond van art. 552p Sv te weigeren. Daarbij wordt verwezen naar HR NJ 1987, 513 en HR NJ 1988, 1020.

32. In het klaagschrift is (onder 6) mede verzocht om het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof niet te verlenen indien de rechter-commissaris daarom zou verzoeken. Uiteraard diende de Rechtbank er van uit te gaan dat dit verlof zou worden gevraagd. Het lijkt mij in die situatie een begaanbare weg om de beslissing op het klaagschrift aan te houden teneinde het gelijktijdig met het verzoek tot verlening van het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof te kunnen behandelen, mits de beslissing op het klaagschrift daardoor niet al te lang wordt opgehouden. De in art. 552a Sv opengestelde mogelijkheid een klaagschrift in te dienen, die blijkens het vierde lid van art. 552p Sv ook openstaat indien de inbeslagneming ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp heeft plaatsgevonden, beoogt te waarborgen dat de klager zo spoedig mogelijk een rechterlijke beslissing krijgt. In een geval als het onderhavige, waarin de beoordeling van het beklag onlosmakelijk verbonden is met de mogelijkheid het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof te geven, lijkt de doelmatigheid die gelegen is in gelijktijdige behandeling van het bezwaar tegen het te verlenen verlof en het verlof zelf mij enig uitstel te kunnen rechtvaardigen.

33. Daarbij zal de Rechtbank er evenwel op moeten toezien dat de behandeling van het klaagschrift niet langer wordt opgehouden dan strikt noodzakelijk is.

In dit verband merk ik op dat uit navraag bij de Rechtbank is gebleken dat de behandeling van het in art. 552p Sv bedoelde verlof eerst voor de zitting van 18 februari jongstleden was voorzien, doch is aangehouden tot een zitting van 1 april aanstaande.

34. Intussen levert de door de Rechtbank gekozen oplossing, waarbij het klaagschrift ongegrond is verklaard maar geen beslissing is gegeven op het daarin opgenomen verzoek het in art. 552p, tweede lid, bedoelde verlof te weigeren, naar mijn inzicht een schending op van het bepaalde in art. 552a Sv in verband met 552p, vierde lid, Sv. Het middel treft derhalve doel, en de bestreden beschikking zal niet in stand kunnen blijven.

35. Het is ongelukkig dat de behandeling van het rechtshulpverzoek nu twee sporen is gaan volgen. Dat kan, afhankelijk van de beslissing die in dit cassatieberoep wordt bereikt en de beslissing die de Rechtbank in verband met art. 552p Sv nog moet nemen, tot gevolg hebben dat er (tijdelijk) twee uitspraken tot stand komen die ten aanzien van de verdere afhandeling van het rechtshulpverzoek niet met elkaar te verenigen zijn. Het probleem zal zich niet voordoen indien de Rechtbank in de thans nog lopende procedure tot het oordeel komt dat het gevraagde verlof moet worden geweigerd, en de inbeslaggenomen bescheiden aan verzoekster teruggegeven moeten worden, omdat de toepasselijke verdragsbepalingen geen grondslag voor de inbeslagneming bieden.

In dat geval zal volstaan kunnen worden met een oordeel over de wijze waarop de Rechtbank de nu voorliggende zaak heeft afgedaan, en kan verwijzing achterwege blijven. Aannemende dat het openbaar ministerie tegen een dergelijke uitspraak geen cassatie instelt, zou in dat geval zelfs geoordeeld kunnen worden dat verzoekster geen belang meer heeft bij dit cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

36. Indien er ten tijde van de beslissing van de Hoge Raad op dit cassatieberoep geen onherroepelijke beslissing van de Rechtbank is die een weigering van het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof en een last tot teruggave inhoudt, rijst de vraag wat de meest doelmatige afdoening van de zaak zal zijn.

Om de redenen die hiervóór, onder 7 tot en met 21, zijn uiteengezet meen ik dat in de nu aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen zaak geen andere beslissing zal kunnen volgen dan gegrondverklaring van het klaagschrift voor zover het strekt tot weigering van het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof, met last tot teruggave aan verzoekster van de onder haar inbeslaggenomen bescheiden.

37. Die beslissing zou de Hoge Raad zelf kunnen nemen, zodat verwijzing achterwege kan blijven. Daarbij moet evenwel onder ogen worden gezien dat het verlenen van het verlof niet in volle omvang aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen. Een daartoe strekkend verzoek van de rechter-commissaris behoort niet bij de stukken. Alleen uit de bovengenoemde, telefonisch verkregen, inlichtingen betreffende de nu nog bij de Rechtbank aanhangige procedure kan worden afgeleid dat het verlof inmiddels is gevraagd. Bovendien blijkt uit de in deze zaak aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet dat het openbaar ministerie zich heeft uitgelaten over de vraag of de toepasselijke verdragsbepalingen een toereikende grondslag bieden voor de inbeslagneming, gelet op de aard van de in het verzoek om rechtshulp omschreven feiten. Het beginsel van hoor en wederhoor vergt derhalve aandacht. Dat indiceert in beginsel een nieuwe feitelijke behandeling.

38. Daar stel ik tegenover dat niet goed valt in te zien hoe het openbaar ministerie nog zal kunnen wijzen op omstandigheden die meebrengen dat de toepasselijke verdragsbepalingen een toereikende grondslag voor de inbeslagneming bieden. Het lijkt mij de onafwendbare uitkomst van de onderhavige beklagprocedure te moeten zijn dat de teruggave van de onder verzoekster inbeslaggenomen voorwerpen wordt bevolen. Voorts herhaal ik dat in art. 552a Sv besloten ligt dat een klager zo snel mogelijk bescheid moet krijgen. De procedure heeft reeds nu (om mij onbekende redenen) langer geduurd dan wenselijk is.

Daarom stel ik de Hoge Raad voor de zaak om redenen van doelmatigheid zelf af te doen.

39. Aannemende dat de Rechtbank vóór de uitspraak van de Hoge Raad nog niet onherroepelijk een uitspraak zal hebben gedaan die meebrengt dat de na te noemen beslissing overbodig is, of verzoekster in dit cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, strekt deze conclusie ertoe dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd, het beklag gegrond wordt verklaard voor zover het inhoudt dat het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof moet worden geweigerd wegens de onrechtmatigheid die de inbeslagneming van voorwerpen onder verzoekster aankleeft, en de teruggave van die voorwerpen aan verzoekster wordt gelast.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,