Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF6224

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-05-2003
Datum publicatie
23-05-2003
Zaaknummer
R02/059HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF6224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet tarieven in burgerlijke zaken 22
Wet tarieven in burgerlijke zaken 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 289
JWB 2003/222
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekest nr. R02/059HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Parket 21 maart 2003

Conclusie inzake

[Verzoeker] opposant op de voet van art. 22 lid 4 Wet tarieven in burgerlijke zaken

1. Deze zaak betreft het door thans verzoeker tot cassatie [verzoeker] op de voet van art. 22 lid 4 Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) ingestelde verzet tegen het door de Griffier van de Hoge Raad uitgevaardigde dwangbevel ter zake van de door de Griffier vastgestelde griffierechten (in de WTBZ aangeduid als vast recht) in een drietal door [verzoeker] bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte procedures. Het gaat hier om de volgende procedures en griffierechten:

i) In het eerste geding, ingeleid door een op 15 april 1998 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift, heeft [verzoeker] - niet vertegenwoordigd door een advocaat - te kennen gegeven request-civiel in te stellen bij de Hoge Raad. Bij beschikking van 13 november 1998 (R98/055HR) heeft de Hoge Raad [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, daartoe overwegende dat het request-civiel een rechtsmiddel is dat moet zijn gericht tegen een uitspraak in een civiel geding en dat uit het verzoekschrift niet blijkt dat het is gericht tegen een rechtelijke uitspraak. Het in verband met dit verzoek verschuldigde griffierecht is vastgesteld op f 440,-.

ii) In het tweede geding, ingeleid bij verzoekschrift van 21 december 1998, heeft [verzoeker] - wederom niet vertegenwoordigd door een advocaat - bij de Hoge Raad request-civiel ingesteld inzake een tweetal door de Rechtbank te Leeuwarden gewezen beschikkingen. Bij beschikking van 11 december 1998 (R98/130HR) heeft de Hoge Raad [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek op de grond dat het verzoek niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Het griffierecht is vastgesteld op f 440,-.

iii) In het derde geding heeft [verzoeker] - bij op 6 september 2000 ingekomen verzoekschrift dat niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad - cassatieberoep ingesteld tegen beschikkingen van het Hof Leeuwarden van 12 juli 2000 en van 30 augustus 2000. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 5 januari 2001 (R00/134HR) [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verzoek niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Het griffierecht is vastgesteld op f 400,-.

[Verzoeker] heeft de aan hem ter zake van genoemde procedures in rekening gebrachte griffierechten niet voldaan. Op 19 juni 2002 is aan [verzoeker] betekend een op 27 mei 2002 uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard dwangbevel strekkende tot betaling van 759,17 euro.

[Verzoeker] heeft tegen dit dwangbevel verzet ingesteld op de voet van artikel 22 lid 4 WTBZ met een op 21 juni 2002 (en derhalve binnen de in art. 22 lid 4 WTBZ voorgeschreven termijn van een maand) ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzetschrift. De Griffier heeft een verweerschrift ingediend, dat ertoe strekt dat het verzet ongegrond zal worden verklaard.

2. Voorop moet worden gesteld dat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn zonder tussenkomst van een advocaat ingestelde verzet. Tussenkomst van een advocaat is in een procedure als de onderhavige immers niet vereist nu het hier betreft een naar haar aard administratieve procedure waarin geen procesvertegenwoordiging is voorgeschreven terwijl de procesregels voor verzoekschriftprocedures niet van toepassing zijn verklaard. Vgl. ten aanzien van de procedure van art. 25 WTBZ: de conclusie (sub 5) van de toenmalige A-G Ten Kate voor HR 20 maart 1990, NJ 1990, 515 en de conclusie (sub 2) van mijn ambtgenote Wesseling-van Gent voor HR 30 november 2001, NJ 2002, 36.

3. Verzoeker voert in zijn verzetschrift aan dat in bedoeld dwangbevel "buiten beschouwing is gelaten dat verzoeker ontkent in dit stadium nog enig bedrag van dergelijke aard verschuldigd te zijn, en dat tussen partijen omtrent die vordering en dergelijke vorderingen jegens verzoeker bij griffien ter andere rechtsinstantien rechtsgeschillen bestaan waarover in rechte nog niet is beslist" en voorts dat "vermelde executoirverklaring kennelijk althans mogelijk door bedrog en of arglist is verkregen, althans voormelde executoirverklaring is onrechtmatig verkregen nu betreffende die vordering nog een rechtsgeschil bestaat waarover van rechtswege nog niet is beslist".

4. Het verzet berust aldus kennelijk op twee gronden, te weten de grond dat wordt ontkend dat verzoeker in dit stadium nog enig bedrag verschuldigd is en de grond dat betreffende de onderhavige vordering ter zake van de griffierechten "ter andere rechtsinstantien" "rechtsgeschillen" bestaan waarover van rechtswege nog niet is beslist. Het verzet kan niet slagen. De eerste grond faalt omdat de enkele ontkenning - zonder overlegging van bewijs van betaling - nog enig bedrag verschuldigd te zijn, niet volstaat. De tweede grond faalt reeds omdat tegen de vaststelling van het griffierecht, waarvan de verschuldigdheid rechtstreeks voortvloeit uit het bepaalde in art. 2 WTBZ, slechts op de voet van artikel 22 lid 4 WTBZ (dan wel - na betaling - op de voet van artikel 24 lid 3 WTBZ) verzet kan worden ingesteld bij het betrokken gerecht, rechtdoende in burgerlijke zaken. De klacht dat over het griffierecht "ter andere instantien" "rechtsgeschillen" bestaan, moet dan ook falen, nog daargelaten dat het verzetschrift niet aangeeft om welke "rechtsgeschillen" bij welke "instantien" het zou gaan.

Conclusie

De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het verzet.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden