Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF6206

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
20-06-2003
Zaaknummer
C02/072HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF6206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

20 juni 2003 Eerste Kamer Nr. C02/072HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE SCHEVENINGSE PIER EXPLOITATIE B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.F. Thunnissen, t e g e n GOTHAM CITY MUSIC PROMOTIONS B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. K.T.B. Salomons. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: Gotham - heeft bij exploit van 2 juli 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: De Pier - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 340
JWB 2003/258
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C 02/072 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 21 maart 2003

Conclusie inzake:

Scheveningse Pier Exploitatie B.V.

tegen

Gotham City Music Promotions B.V.

In dit geding over een gebruiksovereenkomst wordt geklaagd over een bewijsoordeel.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(1):

1.1.1. Eiseres in cassatie (De Pier) en verweerster in cassatie (Gotham) zijn overeengekomen dat Gotham in de nacht van 31 december 1996 op 1 januari 1997 in het restaurant op de pier te Scheveningen een feest zal houden. De schriftelijke overeenkomst vermeldt dat het maximum aantal toe te laten gasten 2200 bedraagt, dat De Pier een nachtvergunning voor het evenement zal aanvragen en dat De Pier in geen enkele situatie verantwoordelijk is voor eventuele ontzeggingen van gemeentelijke instanties.

1.1.2. De gemeente 's-Gravenhage heeft de door De Pier aangevraagde nachtvergunning op 24 december 1996 verleend, maar daaraan het voorschrift verbonden dat maximaal 1400 personen tegelijk aanwezig mogen zijn c.q. mogen worden toegelaten(2).

1.1.3. Gotham heeft 1200 kaarten verkocht en het feest heeft op 31 december 1996 plaatsgehad. De Pier heeft aan Gotham voor het gebruik van de locatie een factuur ad f 5.189,25 gezonden. Gotham heeft deze factuur niet voldaan.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 2 juli 1997 heeft Gotham gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat De Pier toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenis en een schadevergoeding geëist van f 81.000,-.(3) Aan deze vordering heeft Gotham ten grondslag gelegd dat zij met De Pier was overeengekomen dat 2200 personen zouden worden toegelaten en dat zij door de beperking van het bezoekersaantal schade heeft geleden. Voorts heeft zij gesteld dat aan De Pier geen beroep toekomt op de bovengenoemde uitsluiting van aansprakelijkheid omdat De Pier reeds bij het aangaan van de overeenkomst wist of behoorde te weten dat de gemeente nimmer toestemming zou geven voor een evenement met 2200 bezoekers.

1.3. De Pier heeft verweer gevoerd en in reconventie betaling gevorderd van het factuurbedrag.

1.4. Bij vonnis van 14 oktober 1998 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage de vordering in conventie afgewezen en die in reconventie toegewezen. Kort samengevat was de rechtbank van oordeel dat De Pier zich kon beroepen op de (hiervoor in 1.1.1. genoemde) bedongen uitsluiting van aansprakelijkheid.

1.5. Op het door Gotham ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij tussenarrest d.d. 18 mei 2000 partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een (als productie overgelegde) brief van De Pier aan Gotham d.d. 19 oktober 1996 waaraan het hof betekenis hechtte. Nadat partijen zich hierover hadden uitgelaten, heeft het hof bij tussenarrest van 1 november 2001 behoudens (door De Pier te leveren) tegenbewijs bewezen geacht dat De Pier reeds ten tijde van het sluiten van de overeenkomst wist dat (aanzienlijk) lager aantal personen op de pier zou worden toegelaten dan in de overeenkomst is genoemd. Het hof heeft De Pier in de gelegenheid gesteld dit tegenbewijs te leveren en voorts bewijs te leveren van haar stelling dat Gotham zelf van de gemeentelijke beperking op de hoogte was, althans daarvan op de hoogte behoorde te zijn.

1.6. Tegen dit (vóór 1 januari 2002 uitgesproken(4)) tussenarrest heeft De Pier - tijdig - cassatieberoep ingesteld. Gotham heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I is gericht tegen rov. 3 van het arrest van 1 november 2001 (het middel spreekt abusievelijk van 2 november). Blijkens de gedingstukken is de overeenkomst vastgelegd in een brief van De Pier d.d. 8 oktober 1996(5), die door Gotham op 18 oktober 1996 voor accoord is ondertekend en geretourneerd. Op 19 oktober 1996 heeft De Pier de door het hof bedoelde brief aan Gotham geschreven, waarin De Pier te kennen gaf het maximumaantal bezoekers te willen terugbrengen tot 1500 personen(6).

2.2. In het eerste tussenarrest, rov. 4, heeft het hof de vraag aan de orde gesteld of Gotham wellicht met de op 19 oktober 1996 door de Pier voorgestelde vermindering van het maximumaantal bezoekers (tot 1500) heeft ingestemd; dat zou gevolgen kunnen hebben voor de omvang van de schade. Bij akte ter rolle d.d. 20 juli 2000 (punt 5) heeft Gotham uitdrukkelijk betwist met zulk een vermindering tot 1500 bezoekers te hebben ingestemd. Bij antwoordakte (blz. 3 ad a) heeft De Pier aangevoerd dat Gotham niet meer heeft gereageerd op haar brief van 19 oktober 1996 en daarom geacht moet worden accoord te zijn gegaan met een vermindering van het maximumaantal bezoekers tot 1500. Vervolgens heeft het hof de bovengenoemde bewijsopdrachten gegeven. Het hof heeft in zijn tweede tussenarrest de gestelde vermindering tot 1500 in het midden gelaten: omtrent de omvang van de schade heeft het hof een comparitie gelast en zich iedere beslissing voorbehouden. Middel I klaagt dat onbegrijpelijk is waarom het hof in zijn tweede tussenarrest niet tevens het (in het eerste tussenarrest van belang geachte) geschilpunt van de gestelde vermindering tot 1500 bezoekers heeft afgehandeld. Deze klacht stuit m.i. af op het bepaalde in art. 399 Rv. Het stond het hof vrij, eerst het vraagstuk af te handelen óf Gotham wanprestatie had gepleegd en de kwestie van de omvang van de schade te bewaren voor later. De wijze waarop het hof van deze beleidsvrijheid gebruik maakt behoefde geen nadere motivering. Middel I faalt.

2.3. Middel II richt motiveringsklachten tegen het voorshands (immers: behoudens tegenbewijs) gegeven bewijsoordeel in rov. 4.1 - 4.3 van het tweede tussenarrest. De juistheid van dat feitelijke oordeel staat in cassatie niet ter discussie. M.i. is de motivering door het hof van dat bewijsoordeel niet als onbegrijpelijk aan te merken. In de bedoelde brief van de gemeente aan De Pier d.d. 21 september 1994(7) wordt, in verband met door De Pier voorgenomen evenementen op de pier in september en oktober 1994, gewezen op de brandveiligheidseisen en op nog te treffen bouwkundige voorzieningen (sprinklerinstallatie e.d.). Het hof heeft hieruit kunnen afleiden dat, wanneer de gemeente zich op het punt van de brandveiligheid al zo streng betoont ten aanzien van evenementen met aanzienlijk kleinere bezoekersaantallen, De Pier ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met Gotham moet hebben geweten dat van de kant van de gemeente op het punt van de brandveiligheid zeker bezwaren te verwachten waren wanneer het gaat om een evenement met een veel groter aantal bezoekers. De brief van de gemeente van 15 december 1997, waarin geconstateerd wordt dat de sprinklerinstallatie en andere, uit een oogpunt van brandveiligheid noodzakelijke voorzieningen nog steeds niet zijn aangebracht, versterkt dit oordeel. Daaraan doet uiteraard niet af dat laatstgenoemde brief dateert van ná het sluiten van de onderhavige overeenkomst.

2.4. Anders dan middel II betoogt, was het hof niet verplicht in zijn motivering aandacht te besteden aan het begeleidend schrijven d.d. 18 oktober 1996 waarmee Gotham de door haar ondertekende overeenkomst terugzond. Dat schrijven zegt niets over wetenschap die bij De Pier bestond. Voor zover het middel hieruit wil afleiden dat ook Gotham "een slecht gevoel had over de aantallen toe te laten bezoekers", berust het middel op een eigen waardering, waaraan het hof niet gebonden was. Het hof behoefde m.i. uit de passage, geciteerd in het cassatiemiddel, niet méér af te leiden dan dat Gotham ermee instemde dat, nadat eerder tussen partijen was gesproken over 2500 bezoekers, in de opdrachtbevestiging van 8 oktober 1996 het maximumaantal bezoekers werd vastgesteld op 2200. De slotsom is dat middel II faalt.

2.5. Middel III mist zelfstandige betekenis naast de voorafgaande middelen. De middelen nopen m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtsontwikkeling of de rechtseenheid.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 2.1 - 2.3 van het tussenarrest van 18 mei 2000.

2 Uit de gedingstukken volgt dat dit voorschrift samenhing met de brandveiligheid, in het bijzonder de vluchtmogelijkheden van bezoekers in geval van brand.

3 Het grootste gedeelte hiervan, f 75.000,-, betreft gederfde winst (minder verkochte toegangskaarten). Daarnaast wordt f 5.000,- gevorderd wegens goodwillverlies en f 1.000,- wegens incassokosten.

4 Vgl. HR 31 januari 2003 (C 02/175); losbl. Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 5 op Boek I (E.M. Wesseling-van Gent).

5 Prod. bij CvA conv./CvE reconv.

6 Het begeleidend schrijven van Gotham d.d. 18 oktober 1996 en de brief van De Pier van 19 oktober 1996 zijn overgelegd bij akten ter rolle van 7 september 1998.

7 Prod. I bij CvR conv., tevens CvA reconv. De hierna te noemen brief van 15 december 1997 is overgelegd als prod. 3 bij MvG.