Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF5882

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
19-06-2003
Zaaknummer
C01/296HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF5882
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

13 juni 2003 Eerste Kamer Nr. C01/296HR MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: PRINCEHOEVE B.V.,gevestigd te 's-Gravenhage, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. F.I.S.A.L van Velsen, t e g e n TAMCON INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Tilburg, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2003/240
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C01/296HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 14 maart 2003

Conclusie inzake

Princehoeve B.V.

eiseres tot cassatie

tegen

Tamcon International B.V.

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1. Het in dit cassatieberoep bestreden vonnis geeft in rov. 3.3 de relevante feiten tamelijk gedetailleerd weer(1). In cassatie is daarvan nog het volgende van belang:

- De eiseres tot cassatie, Princehoeve, heeft aan de verweerster in cassatie, Tamcon, een bedrijfsruimte verhuurd aan de Hoevenseweg in Tilburg.

- Partijen hebben een aantal geschillen naar aanleiding van hun huurverhouding. In dit cassatiegeding is alleen aan de orde een schadevordering van Tamcon wegens in juni 1996 ondervonden (aanzienlijke) wateroverlast.

- Na zeer uitvoerige instructie in de vorm van deskundigenbericht, verhoor van de deskundige en het horen van (vijftien) getuigen, kwam de (kanton)rechter in eerste aanleg tot het oordeel dat de wateroverlast (en de daardoor veroorzaakte schade) moest worden toegeschreven aan het feit dat de stuwkracht van de pomp die voor afvoer van (regen)water moest zorgen niet voldoende was, en dat de pomp derhalve niet voldeed aan de eisen die daaraan in deze gesteld mogen worden(2). Daardoor zou Princehoeve (als verhuurster) tekort zijn geschoten in de verplichting om zorg te dragen voor afvoer van (hemel)water middels een deugdelijk rioolstelsel.

- De grieven waarmee de beslissingen van de rechter in eerste aanleg in appel werden bestreden betroffen (alleen) aspecten van de wijze waarop de voorgelegde feiten of te bewijzen aangeboden feiten waren beoordeeld, en betroffen niet de maatstaf aan de hand waarvan over de aansprakelijkheid van Princehoeve was geoordeeld. Ik bedoel dan in het bijzonder de maatstaf die er inhoudelijk op neerkomt dat het feit dat de pomp en/of het "rioolstelsel" niet voldeden aan de eis dat zij voor afdoende afvoer van (hemel)water konden zorgen, als (toerekenbare) tekortkoming voor rekening van Princehoeve komt(3),(4).

2. In appel heeft de rechtbank, zoals uit rov. 3.5 van het in cassatie bestreden vonnis blijkt, zich laten leiden door het oordeel (aangegeven door de in eerste aanleg benoemde deskundige) dat de pompinstallatie de (in juni 1996 plaatsgevonden) stortbui aan had moeten kunnen en dat dan geen water in de betreffende bedrijfsruimte had kunnen binnenkomen, tenzij juist zou zijn - zoals namens Princehoeve was aangevoerd - dat er water van de Hoevenseweg naar het (bij het gehuurde gelegen) parkeerterrein is gestroomd. In dat geval zou de pomp het water niet meer hebben kunnen wegstuwen. Dat dit geval zich had voorgedaan is echter door de rechtbank als niet-bewezen aangemerkt.

In deze overwegingen van de rechtbank ligt besloten dat aangenomen moet worden dat - behoudens het door de rechtbank niet bewezen geoordeelde geval dat water van de Hoevenseweg naar het parkeerterrein zou zijn gestroomd - de pompinstallatie niet beantwoordde aan de eis dat die een stortbui zoals zich in dit geval heeft voorgedaan "aan kon"; en dat daarmee de installatie niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen.

3. Princehoeve bestrijdt het appelvonnis in een tijdig en regelmatig ingesteld cassatieberoep. Tamcon is in cassatie niet verschenen. Namens Princehoeve is het cassatiemiddel schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

4. Onderdeel I van het middel (onderverdeeld in twee subonderdelen 1 en 2) klaagt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan (grieven gericht op) het feit dat Princehoeve in eerste aanleg een aanbod van getuigen(tegen)bewijs had gedaan met betrekking tot de - zoals de rechtbank het in rov. 3.4 heeft aangeduid - "technische staat" van de pomp.

Ik meen dat deze klachten niet op gaan. Zij miskennen de gedachtegang waarop de beslissing van de rechtbank berust.

5. Die gedachtegang kwam al terloops aan de orde in de hiervoor gegeven korte samenvatting van de feiten: evenals de kantonrechter in het (eind)vonnis in eerste aanleg, heeft de rechtbank, op het voetspoor van de door de kantonrechter benoemde deskundige, aangenomen dat de installatie waartoe de betreffende pomp behoorde de wateraanvoer niet "aan kon" - oftewel, zoals de kantonrechter het had uitgedrukt, "niet voldoende was" en "derhalve niet voldeed aan de eisen die daaraan in deze gesteld mogen worden". In het licht van de verklaringen van de deskundige die ertoe strekten dat een adequate (pomp)installatie wél in staat zou moeten zijn om de geconstateerde aanvoer van (hemel)water te verwerken - terwijl onbetwist was dat de installatie die aanvoer op de bewuste dag niet heeft kunnen verwerken -, zijn deze oordelen van (de kantonrechter en) de rechtbank goed te begrijpen. Ik merk ten overvloede op dat het om feitelijke oordelen gaat - ten overvloede, omdat deze oordelen zelf in cassatie niet worden bestreden.

6. In deze gedachtegang was het irrelevant of de van de betreffende installatie deel uitmakende pomp overigens technisch in orde was en/of of die op het moment van de hevige regenval in juni 1996 correct functioneerde: uit het feit dat desondanks een overmaat aan water de gehuurde bedrijfsruimte is binnen gekomen, terwijl dat volgens de deskundige bij adequaat functioneren van de (hele) afvoerinstallatie niet had kunnen of mogen gebeuren, kon geredelijk worden afgeleid dat, of de pomp nu (overigens) goed werkte of niet, de installatie als geheel niet op zijn taak berekend was - en dat is dan ook wat de kantonrechter en de rechtbank als doorslaggevend hebben beoordeeld.

Het te bewijzen aangeboden gegeven - de technische staat van de pomp en toebehoren en/of de deugdelijkheid van het daaraan verrichte onderhoud, daar kwam het op neer - kon daarom als niet ter zake dienend terzijde worden gelaten. Dat heeft de kantonrechter dan ook in rov. 3.3 van het eindvonnis in de eerste aanleg beslist; en daarbij heeft de rechtbank zich in de rov. 3.4 en 3.5 van het vonnis in appel - zij het met nuanceverschillen in de motivering - aangesloten.

7. Dat betekent dat de klacht van onderdeel I.2, die specifiek gericht is tegen het passeren van het betreffende bewijsaanbod, niet doeltreffend is; en dat betekent dat hetzelfde geldt voor de klacht van onderdeel I.1. Deze klacht berust er (mede) op dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd in appel zou zijn getreden, of feitelijke gronden in de beoordeling zou hebben betrokken die niet waren gesteld; maar uit het eerder gezegde komt al enigszins naar voren waarom daarvan geen sprake is: de rechtbank heeft inhoudelijk dezelfde uitkomst bereikt die de kantonrechter in het eindvonnis in de eerste aanleg ook bereikt had, en op gronden die ook door de kantonrechter in aanmerking waren genomen. Deze gegevens stonden, zoals bij uitstek voor de hand ligt, (ook) in appel ter beoordeling - zij vormden een van de voornaamste onderwerpen van de rechtsstrijd in appel.

8. Daaraan doet niet af dat, zoals in het middel overigens, denk ik, met juistheid tot uitgangspunt wordt genomen, van de kant van Tamcon niet specifiek was aangevoerd dat het gevorderde er (mede) op steunde dat de voorzieningen voor de afvoer van overtollig (regen)water niet op hun taak berekend waren (Tamcon heeft zich zowel in de eerste aanleg als in appel vooral geconcentreerd op de stelling dat de betreffende voorzieningen als gevolg van onvoldoende onderhoud niet goed functioneerden). Dat is allereerst daarom het geval, omdat het door de kantonrechter en de rechtbank aanvaarde gegeven - de voorzieningen voor (regen)waterafvoer voldeden niet aan de daaraan te stellen eisen - geacht kan worden in de meer specifieke stellingen van Tamcon besloten te liggen. Men kan het betoog van Tamcon immers zo opvatten dat zij, in wezen, stelde dat deze voorzieningen niet deugden, en dat zij dat nader onderbouwde met de stelling dat (dat kwam omdat) er onvoldoende onderhoud had plaatsgehad. Ik denk dat de rechtbank, evenals de kantonrechter, de stellingen van Tamcon inderdaad zo heeft opgevat. Aangezien het eerste, algemenere gedeelte van deze tweeledige stelling al voldoende werd geoordeeld om Tamcon's vordering te dragen(5), konden kantonrechter en rechtbank dan aan de nadere uitwerking - betreffende (onvoldoende onderhoud als) de oorzaak van de gebrekkigheid van de voorzieningen - voorbij gaan.

9. Maar ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat de rechtbank de stellingen van Tamcon niet aldus heeft opgevat, of dat die stellingen de zojuist veronderstelde ruime uitleg daarvan niet toelieten, lijkt de klacht op dit punt mij niet doeltreffend.

Dat is zo omdat, zoals al opgemerkt, de in appel bestreden beslissing van de kantonrechter nu eenmaal berustte op dit gegeven - te weten de constatering dat (zoals het aan het slot van rov. 3.3 van het vonnis van 3 februari 2000 wordt uitgedrukt) "de pomp ... derhalve niet voldeed aan de eisen die daaraan in deze gesteld mogen worden" en dat "zulks..., waar op Princehoeve de verplichting rust om middels een deugdelijk rioolstelsel voor de afvoer van (hemel)water zorg te dragen voor rekening en risico van Princehoeve (komt)".

10. Daartegen was in appel - inhoudelijk - alleen ingebracht dat (bewezen zou kunnen worden dat) de technische staat van pomp e.a. goed was - wat, zoals in alinea's 5 en 6 hiervóór al werd besproken, niet kan afdoen aan de bevinding dat deze zaken, zoals uit de geconstateerde wateroverlast zelf al volgt, niet op hun taak berekend waren; èn dat er een andere oorzaak voor de wateroverlast was (dan het feit dat pomp e.a. niet voldeden aan de "eisen die daaraan in deze gesteld mogen worden"), namelijk het feit dat er een overmaat aan water van de Hoevenseweg naar het parkeerterrein bij het gehuurde zou zijn gevloeid. Het debat in appel plaatste de rechtbank alleen voor deze twee kwesties; en die heeft de rechtbank dan ook beoordeeld (met negatief resultaat voor Princehoeve). Aan de rechtbank was niet voorgelegd dat er overigens gronden waren om op de door de kantonrechter bereikte uitkomst af te dingen (bijvoorbeeld, dat ZEA ambtshalve een andere feitelijke grondslag zou hebben vastgesteld dan uit Tamcon's stellingen kon worden opgemaakt). Dat betekent dat de rechtbank dat ook niet behoefde te - en zou ik menen, ook niet mocht(6) - onderzoeken. In zoverre moest de beslissing van de kantonrechter, als in appel niet bestreden, als gegeven worden geaccepteerd.

11. Misschien ten overvloede, merk ik op dat het uitgangspunt van het middel mij ook in dit opzicht te strikt lijkt, dat de rechter zijn beslissing niet uitsluitend hoeft te baseren op gegevens die door de partijen expliciet zijn gesteld en aan hun vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. De rechter mag (en onder omstandigheden: moet) daarnaast ook gebruik maken van gegevens die ten processe zijn gebleken, en waarvan in de rede ligt dat de partij die het aangaat die in de beoordeling van het van haar kant verdedigde standpunt betrokken wil zien. Dat is bij voorbeeld het geval wanneer een door de rechter benoemde deskundige komt tot een feitelijk oordeel dat, ofschoon het niet (geheel) overeenkomt met wat een partij gesteld had, wel het namens die partij verdedigde standpunt ondersteunt. Als de rechter dat oordeel juist acht, belet het feit dat het niet rechtsreeks op stellingen van de partijen berust niet, dat die rechter daarvan gebruik maakt(7). Ook langs die weg kan de klacht van dit middelonderdeel worden weerlegd.

12. Onderdeel II, eveneens bestaande uit subonderdelen 1 en 2, bestrijdt de beoordeling die de rechtbank heeft gegeven van het strijdpunt, of water van de Hoevenseweg naar het parkeerterrein bij het gehuurde is gestroomd (in welk geval (ook) volgens het door de kantonrechter en de rechtbank tot richtsnoer genomen oordeel van de deskundige, ook een wèl op zijn taak berekende afvoerinstallatie de aanvoer van water niet meer zou hebben kunnen verwerken).

13. Dit oordeel van de rechtbank berust op waardering van de verklaringen van de (vijftien) getuigen die met betrekking tot dit geschilpunt in de eerste aanleg zijn gehoord. Het komt overeen met de waardering die de kantonrechter in de eerste aanleg (die de betreffende getuigen persoonlijk had gehoord) ook aan die verklaringen had gegeven(8).

14. Waardering van getuigenbewijs behoort - bij uitstek - tot de feitelijke oordelen die in cassatie ingevolge art. 419 lid 3 Rv. als gegeven moeten worden aanvaard. Dergelijke waardering kan in cassatie - op de voet van daarop gerichte (motiverings)klachten - alleen worden beoordeeld op begrijpelijkheid.

De recente rechtspraak van de Hoge Raad wekt de indruk dat de controle in dit opzicht misschien wat is verscherpt(9). De grote meerderheid van cassatieklachten over bewijswaardering wordt echter ook sedertdien als ongegrond beoordeeld, niet anders dan voorheen (10).

Daarbij speelt allicht een rol dat de waardering van bewijs zich maar gedeeltelijk voor beredeneerde motivering leent: ook als men met stelligheid kan ervaren dat bepaalde bewijsstukken of verklaringen overtuigend zijn, of juist niet, valt lang niet altijd een rationele omschrijving te geven van de redenen die men voor dat oordeel heeft; en zo ver gaat het motiveringsvereiste (dan ook, en bij lange na) niet.

15. Ik beoordeel de klachten die het middel op dit thema formuleert, dan ook als ondoeltreffend. Subonderdeel II.1 voert aan dat de rechtbank het door de kantonrechter geformuleerde probandum (in het bijzonder de woorden "...dat het water over de stoepranden heen kwam"), oneigenlijk zou hebben opgerekt. Ik ben het daar niet mee eens: de rechtbank heeft beoordeeld waar het in het kader van dit probandum om ging (namelijk: of er water van de Hoevenseweg (niet) weg kon stromen en dientengevolge op het (parkeer)terrein terecht is gekomen, zie rov. 3.5). Door dat te doen heeft de rechtbank aan het probandum een zinnige uitleg gegeven. Dat behoort tot de taak van de rechters van de feitelijke instanties. In cassatie kan dergelijke uitleg niet worden herbeoordeeld, maar hoogstens op begrijpelijkheid worden onderzocht(11). Zoals al aangestipt lijkt mij de door de rechtbank gegeven uitleg zinnig, en dus bepaald niet onbegrijpelijk.

16. Volledigheidshalve merk ik nog op dat het de appelrechter overigens vrij staat om ten aanzien van een door de eerste rechter gegeven probandum een andere formulering te kiezen, als hij meent dat daardoor aan de te beoordelen kwestie beter recht wordt gedaan (en mits de rechtsstrijd in appel daarvoor de ruimte biedt). Ik denk dat in dit geval ook aan de hier omschreven voorwaarden voldaan was, zodat de rechtbank dit spoor had kunnen volgen; maar zoals ik al aangaf meen ik dat de rechtbank niet méér heeft beoogd, dan te interpreteren - en daarbij misschien te preciseren - waar de door de kantonrechter gegeven bewijsopdracht inhoudelijk op gericht was.

17. Verder berust subonderdeel II.1 op een woordenspel met betrekking tot het woord "stoeprand". Dat woord is in de stukken gebruikt als aanduiding voor een verhoging die zich (al dan niet) zou bevinden tussen de Hoevenseweg en het al een aantal keren genoemde parkeerterrein (partijen hebben daarvoor ook de aanduiding "verkeersdrempel" gebruikt); maar het woord "stoeprand" is ook (veelvuldig) gebruikt in de gewone, spraakgebruikelijke betekenis van: de verhoging die markeert waar de rijweg (c.q. het eigenlijke parkeerterrein) ophoudt, en het trottoir begint. De door Princehoeve aangehaalde getuigenverklaringen die er melding van maken dat water over "de stoeprand" zou zijn gekomen, lijken (beide) te bedoelen: de rand van het trottoir aan de kant van de weg waar hun woning of bedrijf zich bevond (dat is, voorzover uit het dossier valt op te maken, de kant van de weg tegenover die waaraan het parkeerterrein naast het gehuurde ligt). Gegevens over hoe hoog het water aan de ene kant van weg is gekomen hoeven niet te betekenen dat ook aan de andere kant van de weg, of verderop, water "over de stoeprand" kon lopen. Al daarom hoefde de rechtbank aan de betreffende verklaringen niet het doorslaggevende gewicht toe te kennen dat het middel daaraan wil verbinden, en is de beoordeling van de rechtbank ook begrijpelijk, zonder dat nader hoefde te worden gemotiveerd waarom aan deze uitlatingen uit de (vele) getuigenverklaringen, geen doorslaggevend gewicht werd toegekend.

18. Dezelfde "spraakverwarring" met betrekking tot stoepranden komt ook in onderdeel II.2 terug. In dit opzicht beoordeel ik dit subonderdeel om dezelfde reden als ongegrond.

Voor het overige betoogt dit onderdeel, als ik het goed begrijp, dat de rechtbank meer gewicht had moeten toekennen aan het feit dat een aanzienlijk aantal getuigen zich heeft uitgelaten in die zin, dat er (destijds) geen "stoep" of "verkeersdrempel" tussen de Hoevenseweg en het parkeerterrein was.

19. De beoordeling van het gewicht van deze uitlatingen behoort echter tot het soevereine gebied van de "feitenrechter". Ik wil niet verhelen dat men er begrip voor kan opbrengen dat Princehoeve vindt dat dit gegeven meer aandacht had verdiend. De rechtbank heeft echter klaarblijkelijk de getuigenverklaringen - eveneens een aanzienlijk aantal - die ertoe strekten dat géén water van de weg naar het parkeerterrein is gelopen, zodanig gewaardeerd dat de tegengestelde stelling van Princehoeve niet als bewezen kon gelden. Die waardering is, ook als men het hier door Princehoeve benadrukte gegeven in aanmerking neemt, bepaald niet onbegrijpelijk.

20. Het komt bij de waardering van bewijs regelmatig voor dat er zowel vóór als tegen het probandum aanwijzingen bestaan die men geredelijk als overtuigend kán beoordelen. In zo'n geval valt er geen onweerlegbare motivering te geven voor het oordeel dat de ene lezing geloofwaardiger is dan de andere; en kan men dus ook de in het ongelijk gestelde partij niet met wiskundige precisie aangeven waarom zijn argumenten het hebben afgelegd tegen de "tegenargumenten"(12). Dan kan men - ik zei het zo-even al - er begrip voor opbrengen dat de in het ongelijk gestelde partij van zijn kant met onbegrip reageert: het betreffende oordeel is hem niet begrijpelijk uitgelegd, en kàn ook niet begrijpelijk - in de betekenis van: met een logisch sluitende motivering - worden uitgelegd. Een dergelijke motivering is echter nu eenmaal in veel afwegingen als deze niet te geven - en is dus, vanzelfsprekend, ook niet rechtens vereist.

In dit geval heeft de rechtbank uit de conflicterende aanwijzingen die het bewijsmateriaal bevat een keuze gemaakt die, al is hij niet met een logisch onweerlegbare redenering te onderbouwen, volkomen begrijpelijk is. Daarop stuit (ook) deze klacht af.

21. Wanneer de Hoge Raad tot dezelfde uitkomsten zou komen als door mij hiervóór werden verdedigd, ligt tevens in de rede dat het middel geen kwesties aan de orde stelt die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om een antwoord vragen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het in cassatie overgelegde procesdossier vertoont echter een aantal lacunes. Daaraan ontbreken o.a. de (partij)deskundigenrapporten waarnaar in het in eerste aanleg gewezen vonnis van 10 juli 1997 op p. 6 wordt verwezen, en de situatieschets (met letteraanduidingen van verschillende punten daarin) die in een aanzienlijk deel van de verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen wordt besproken (en waarop men, naar ik aanneem, kan zien hoe de Hoevenseweg ligt ten opzichte van de andere genoemde wegen en ten opzichte van het (parkeer)terrein waaraan het gehuurde grenst; en ook kan zien waar de gehoorde getuigen al dan niet uitzonderlijke aanvoer of niveaustijging van water (zeggen te) hebben waargenomen). Of de rechtbank wèl over deze stukken kon beschikken kan aan de hand van het (ene) in cassatie overgelegde dossier niet worden beoordeeld.

Het dossier bevat wel een overzichtsfoto van de omgeving van het gehuurde waarop sommige plaatsen met letters zijn aangegeven (die echter niet volledig corresponderen met de letters waarnaar in de getuigenverhoren wordt verwezen). Deze foto is gevoegd bij het proces-verbaal van de in eerste aanleg op 15 maart 1999 gehouden terechtzitting (enquête), en wordt in de bij die zitting opgenomen verklaring van [P.J. Moorees] genoemd. Ter illustratie van de feitelijke situatie heb ik een (niet aan het dossier ontleend) plattegrondje van de plaatselijke situatie aan deze conclusie gehecht.

2 Dit blijkt niet uit het in appel gewezen (en in cassatie bestreden) vonnis, maar uit rov. 3.3 (slotalinea) van het in eerste aanleg als laatste gewezen interlocutoire vonnis (van 3 februari 2000).

3 Ook de feiten die ik hier weergaf zijn niet expliciet in het bestreden (appel)vonnis vastgesteld, maar kunnen wel uit het dossier worden opgemaakt.

4 Over de maatstaf voor aansprakelijkheid van de verhuurder voor schade als gevolg van aan het gehuurde klevende gebreken bestaat verschil van mening, zie bijvoorbeeld Handboek Huurrecht, Huydecoper, aant. 71 - 76 bij art. 1587; Asser-Abas 5 II (2001), nr. 35; Dozy - Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht (etc.), 1999, p. 81-85. Illustratief zijn ook de uitvoerige beschouwingen in de Parlementaire Geschiedenis van wetsontwerp 26 089 (inmiddels de wet van 21 november 2002, Stb. 587 (nog niet in werking getreden); ik noem als illustratie binnen deze illustratie de beschouwingen in de Memorie van Antwoord in de Eerste Kamer, EK 2001 - 2002, 26 089, p. 9 - 10). Maar zoals al aangestipt, in deze cassatiezaak wordt niet over deze maatstaf gestreden.

5 Zoals in voetnoot 4 al opgemerkt, is de vraag of daarmee de juiste maatstaf voor aansprakelijkheid van de verhuurder voor gebreken is aangelegd, in cassatie niet aan de orde. Men versta mij overigens niet verkeerd: ik breng niet - versluierd - tot uitdrukking dat ik de in deze zaak gehanteerde maatstaf onjuist vind. Ik meen er alleen goed aan te doen, te constateren dat die maatstaf thans niet ter discussie staat.

6 HR 31 maart 1978, NJ 1978, 467 m.nt. WHH, en Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, p. 57.

7 Een illustratie vormt HR 23 november 2001, NJ 2002, 387 m.nt. JBMV, rov. 3.5.6, ook gelezen in verband met alinea's 9 en 10 van de conclusie van A-G Hartkamp. Zie voor een illustratie van deze materie in een andere context (namelijk die van beoordeling van de uitkomsten van een getuigenverhoor) HR 12 februari 1999, NJ 2000, 17 m.nt. WMK, rov. 3.3.2.

8 Dit geval onderscheidt zich daardoor van het geval dat beoordeeld werd in HR 1 november 2002, RvdW 2002, 177, rov. 3.5. 9 HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7, rov. 3.5; zie ook de interessante beschouwing in alinea 2.5 van de conclusie van (destijds) A-G Bakels voor HR 21 december 2001, NJ 2002, 60.

10 Een recent "alledaags" voorbeeld vormt HR 15 november 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE8465, zie alinea's 5 en 6 van de conclusie van A-G Strikwerda.

11 Zie bijvoorbeeld HR 3 mei 2002, NJ 2002, 348, rov. 3.2 (slot); HR 16 juni 2000, NJ 2000, 584 m.nt. CJHB, rov. 3.3.

12 Hier manifesteert zich het gegeven: "bewijsrisico". Als te bewijzen feiten niet aannemelijk worden is dat voor risico van de partij die de bewijslast draagt; en dat kan heel goed ook dan het geval zijn, als feiten die de wederpartij ter ondersteuning van haar standpunt naar voren heeft gebracht, óók niet als aannemelijk zijn beoordeeld. Wanneer verschillende lezingen van bepaalde gebeurtenissen geen van alle aannemelijk worden gemaakt, betekent dat dat geen van die lezingen als bewezen kan worden aangemerkt; en dat betekent weer dat de partij die de bewijslast droeg, aan het kortste eind trekt.