Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF5544

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
C01/360HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF5544
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

27 juni 2003 Eerste Kamer Nr. C01/360HR MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [A] MANAGEMENT EN CONSULT B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J.D. Boetje, t e g e n [Verweerder],

wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties ...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2003-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 359
JWB 2003/268

Conclusie

Rolnr.: C01/360 HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 28 maart 2003

Conclusie inzake:

[A] Management en Consult BV

tegen

[Verweerder]

(niet verschenen)

1. Inleiding

Tussen partijen is omstreden of betaling van een schuld van [A] Management en Consult BV aan [verweerder], al dan niet - hetzij door verrekening, hetzij op de voet van art. 6:30 BW - heeft plaats gevonden via [betrokkene 1] privé. In cassatie gaat het meer bepaald om de vraag of [A] Management en Consult BV daartoe voldoende heeft gesteld respectievelijk bewijs heeft aangeboden.

Het middel kan m.i. niet tot cassatie leiden en stelt geen rechtsvragen in de zin van art. 81 R.O. aan de orde.

2. Feiten(1)

2.1. [Betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is directeur en enig aandeelhouder van [A] Management en Consult BV (hierna: [A] Management).

2.2. Het op 18 september 1993 tussen mevrouw [betrokkene 1] en de niet verschenen verweerder in cassatie, de heer [verweerder], gesloten huwelijk is door inschrijving op 7 januari 1998 in de betreffende registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te Groningen d.d. 28 oktober 1997 ontbonden.

2.3. De staat van aanbrengsten behorende bij de notariële akte d.d. 2 september 1993 houdende huwelijkse voorwaarden tussen [verweerder] en [betrokkene 1], vermeldt een vordering van [verweerder] op [A] Management ten bedrage van f. 132.000,-.

2.4. [Verweerder] heeft van [A] Management een personenauto - merk Mazda - overgenomen, die hij nog niet heeft betaald.

3. Procesverloop

3.1. Bij inleidende dagvaarding van 17 juni 1999 heeft [verweerder], [A] Management gedagvaard voor de rechtbank te Groningen. Hij vorderde daarbij:

"1. Gedaagde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag van fl. 147.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 1998, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

2. Gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure

3. Het ten deze te wijzen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande verzet of hogere voorzieningen."

Hieraan legde [verweerder] ten grondslag dat hij tengevolge van werkzaamheden, verricht ten behoeve van gedaagde, een bedrag van f. 132.000,- heeft te vorderen. Voorts heeft [A] f. 25.000,- ontvangen, welk bedrag was bestemd voor [verweerder] i.v.m. door [verweerder] en [A] verrichte handelingen in de periode 1993-1994. [Verweerder] heeft een personenauto overgenomen voor een bedrag van f. 10.000,- welk bedrag in mindering kan strekken op de onderhavige vordering.(2)

[A] Management betwistte de door [verweerder] gestelde vorderingen. Volgens [A] Management is het bedrag van f. 132.000,- door [betrokkene 1] door middel van verrekening voldaan. Verder betwistte [A] Management (de omvang) van de door [verweerder] gestelde vordering ten bedrage van f. 25.000,- inzake door deze verrichtte werkzaamheden.(3)

3.2. Bij vonnis van 11 augustus 2000 wees de rechtbank de vordering van [verweerder] toe tot een bedrag van f. 142.250,-; het meer of anders gevorderde wees de rechtbank af. De rechtbank verwierp het beroep van [A] Management op verrekening door [betrokkene 1] van de vordering van f. 132.000,-. Volgens de rechtbank kon de schuld van [A] Management aan [verweerder] niet worden verrekend met eventuele vorderingen van [betrokkene 1] privé op [verweerder]. [Betrokkene 1] kan niet op één lijn worden gesteld met de rechtspersoon [A] Management. Vereenzelviging van de directeur/enig aandeelhouder van een besloten vennootschap met die besloten vennootschap is slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk. Van zo'n uitzonderingsgeval is niet gebleken.

De rechtbank wees de vordering van f. 25.000,- (als onvoldoende betwist) eveneens toe. Op de vordering diende f. 11.750,- - terzake van de auto inclusief BTW - in mindering te worden gebracht.

3.3. Tegen dit vonnis heeft [A] Management hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Zij stelde dat nakoming heeft plaats gehad via [betrokkene 1] privé, hetzij door verrekening, hetzij op de voet van art. 6:30 BW.

3.4. Bij arrest van 5 september 2001 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.5. Tegen dit arrest is door [A] Management tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel van cassatie. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [A] Management heeft haar standpunt nog schriftelijk doen toelichten.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.1. Het middel, dat bestaat uit twee onderdelen, keert zich tegen r.ovv. 2, t/m 3.3 van het bestreden arrest.(5) Hierin overwoog het hof:

'2. De eerste grief richt zich tegen hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.1 van haar vonnis heeft overwogen, voorzover inhoudende dat de schuld van [A] Management aan [verweerder] niet kan worden verrekend met eventuele vorderingen van [betrokkene 1] op [verweerder].

2.1. [A] Management voert daartoe aan, dat [betrokkene 1] hetzij door contante betaling, hetzij door verrekening een verbintenis van [A] Management op de voet van 6:30 BW kan nakomen en in dit geval ook nagekomen is.

2.2. Het hof overweegt dienaangaande dat weliswaar juist is dat, behoudens uitzonderingen die zich ten deze niet voordoen, een verbintenis door een ander dan de schuldenaar kan worden nagekomen, maar dat niet is komen vast te staan, zoals hieronder nog nader zal blijken, dat [betrokkene 1] de verbintenis van [A] Management ook daadwerkelijk nagekomen is, zodat de grief faalt.

3. De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [verweerder] ad f 132.000,- toewijsbaar is.

3.1. Ter adstructie van deze grief stelt [A] Management dat de verbintenis tot betaling van dit bedrag door [betrokkene 1] geheel is nagekomen door girale betaling, althans grotendeels door [betrokkene 1] is nagekomen door girale betaling en voor het restant ad f 11.201,34 door [A] Management is verrekend met haar onbetwiste vordering op [verweerder] uit hoofde van de koop/verkoop van de ten processe bedoelde personenauto.

De eerste girale betaling van een bedrag groot f 150.000,- zou blijkens een door [A] Management overgelegd bankafschrift d.d. 5 april 1994 van [betrokkene 1] hebben plaatsgevonden in maart 1994; vervolgens zou [betrokkene 1] in april 1995 een tweede girale betaling hebben verricht van f 176.705,46.

3.2. [Verweerder] voert daartegen onweersproken aan, dat hij de door hem ontvangen girale betaling van f 150.000,-- op 15 april 1994 aan [betrokkene 1] heeft terugbetaald. Voor het overige betwist [verweerder] dat enige betaling zijdens of namens [A] Management is gedaan.

3.3. Het hof stelt vast dat [A] Management, op wie ingevolge art. 177 Rv de bewijslast (van de betaling van haar schuld) rust geen enkel justificatoir stuk heeft overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat [betrokkene 1] ten behoeve van en/of namens en/of tot kwijting van [A] Management de schuld van laatstgenoemde ad f 132.000,- heeft voldaan.

Hoewel [A] Management bewijs van haar stellingen heeft aangeboden zal het hof hieraan voorbijgaan, omdat het bewijsaanbod slechts in algemene termen is vervat en niet is toegesneden op dit specifieke onderdeel. De grief faalt derhalve.'

4.2. Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend dat de girale betaling van f. 176.705,46 van [betrokkene 1] in april 1995 door [verweerder] is erkend en derhalve tussen partijen vaststaat. Om die reden is de overweging van het hof 'voor het overige betwist [verweerder] dat enige betaling zijdens of namens [A] Management is gedaan' onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.

4.3. Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit rov. 3.1 blijkt dat het hof de door [A] BV gestelde girale betaling ad f. 176.705,46 door [betrokkene 1] in april 1995 aan [verweerder] (respectievelijk een gestelde erkenning van die betaling door [verweerder]) niet heeft miskend. Het hof heeft in rov. 3.2 evenwel geoordeeld dat [verweerder] (afgezien van de door hem erkende ontvangen girale betaling van f 150.000,-, die hij echter op 15 april 1994 aan [betrokkene 1] heeft terugbetaald) betwist heeft dat enige betaling zijdens of namens [A] Management is gedaan. Het hof heeft vervolgens in rov. 3.3 geoordeeld dat [A] Management, ondanks haar bewijslast ten deze, niets heeft overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat de gestelde betaling betrekking had op de onderhavige schuld van [A] Management (is gedaan 'ten behoeve van en/of namens en of tot kwijting van [A] Management').

De overweging 'Voor het overige betwist [verweerder] dat enige betaling zijdens of namens [A] Management is gedaan' in rov. 3.2 is niet onbegrijpelijk omdat uit de omstandigheid dat [betrokkene 1] de desbetreffende girale betaling heeft gedaan, nog niet volgt dat deze is gedaan ter kwijting van de onderhavige schuld van [A] Management, en bovendien omdat in het dossier materiaal is te vinden waarmee [verweerder] dit laatste gemotiveerd heeft betwist.(6)

4.4. Onderdeel 2 van het middel luidt:

'Voorzover het oordeel van het Hof aldus zou moeten worden opgevat dat het niet ziet op voornoemde betaling als zodanig, geeft het blijk van een verkeerde rechtsopvatting, aangezien een erkend feit in beginsel niet behoeft te worden bewezen. Het maakt in dat geval althans onvoldoende duidelijk waarom het bewijsaanbod van [A] Management gepasseerd diende te worden. Overigens lig deze opvatting niet voor de hand gelet op de gebezigde formuleringen en met name de zinsnede in rechtsoverweging 3.1 luidende: 'vervolgens zou [betrokkene 1] in april 1995 een tweede girale betaling hebben verricht van f. 176.705,46.'

4.5. Naar mijn mening voldoet het onderdeel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv., nu het niet aangeeft op welk oordeel van het hof de eerste volzin precies doelt, en de betekenis van die volzin ook overigens aan begrijpelijkheid te wensen overlaat. Voorzover het onderdeel bedoelt dat het hof met de overweging, dat [verweerder] voor het overige betwist dat enige betaling zijdens of namens [A] Management is gedaan, niet (mede) doelt op de betaling van f. 179.705,46, mist het feitelijke grondslag. Het hof is, zoals ik hierboven onder 4.3 aangaf, niet uitgegaan van een betwisting van de betaling van zodanig bedrag door [betrokkene 1], maar heeft dienaangaande overwogen dat niet is komen vast te staan dat deze door [betrokkene 1] gedane betaling betrekking had op de onderhavige schuld van [A] Management. Het onderdeel miskent wederom dat - ook indien de betaling van f. 179.705,46 op zichzelf niet wordt betwist - daarmee nog niet erkend is dat die betaling betrekking had op de onderhavige schuld. Dit laatste heeft [verweerder] betwist en diende [A] Management, aldus het hof, te bewijzen.

4.6. De motiveringsklacht aangaande het bewijsaanbod bouwt op even bedoelde klacht voort en faalt derhalve eveneens. In het licht van het voorafgaande is niet onbegrijpelijk waarom het hof het door [A] Management gedane bewijsaanbod passeerde: bewezen diende te worden dat die betaling op de onderhavige schuld zag, en daarop was het algemene bewijsaanbod niet toegesneden.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan het vonnis van 11 augustus 2000 van de rechtbank te Groningen, rov. 1, waarnaar rov. 1 van het arrest van 5 september 2001 van het gerechtshof te Leeuwarden verwijst.

2 Inleidende dagvaarding, p. 2.

3 CvA, nrs. 1-4. Bij CvA, nr. 4, betwistte [A] Management een bedrag van f. 25.000,- t.b.v. [verweerder] te hebben ontvangen; bij CvD, nr. 1, betwistte zij nog slechts de omvang van het ontvangen bedrag.

4 De cassatiedagvaarding dateert van 30 november 2001.

5 Het middel noemt slechts r.ovv. 2.1, 2.2, 3 en 3.1, maar blijkens het daarin weergegeven citaat gaat het tevens om r.ovv. 3.2 en 3.3.

6 Het blijkt uit de context van het processtuk waarnaar het middelonderdeel verwijst. Het middelonderdeel verwijst naar prod. 9 bij [verweerder]'s MvA: een dagvaarding namens [verweerder] tegen [betrokkene 1] privé. (Het middelonderdeel verwijst tevens naar de in het onderhavige procesdossier overigens niet aanwezige prod. 5 bij die dagvaarding, die een bewijs van betaling van het bedrag van f. 176.705,64 zou inhouden.) De gemotiveerde stellingname van [verweerder] is duidelijk te vinden op blz. 3 (midden) van even genoemde dagvaarding. Hier wordt de betaling van dit bedrag door [betrokkene 1] inderdaad erkend, maar in de nadrukkelijke context van een betaling door [betrokkene 1] (dus niet: [A] BV) voor een bepaald doel, nl. de aankoop van een flat waar [verweerder] ging wonen, nadat tussen partijen huwelijksproblemen waren ontstaan. De stellingname in deze dagvaarding houdt ook in dat [verweerder] deze girale betaling in de procedure tegen [betrokkene 1] privé heeft verrekend met het overigens door hem van [betrokkene 1] privé gevorderde.