Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF5454

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2003
Datum publicatie
08-07-2003
Zaaknummer
00815/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF5454
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

8 juli 2003 Strafkamer nr. 00815/02 KD/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 maart 2002, nummer 22/000715-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 281
JOL 2003, 366

Conclusie

Nr. 00815/02

Mr. Machielse

Zitting 25 februari 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 5 maart 2002 ter zake van "als getuige in een onder ede voor een commissie van onderzoek als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet op de Parlementaire Enquête afgelegde verklaring feiten tegen de waarheid voordragen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. J.M. Sjöcrona en Mr. D.V.A. Brouwer, beiden advocaat te 's-Gravenhage hebben een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte], onder griffienummer 00816/02 waarin ik heden eveneens concludeer.

3. In deze zaak gaat het om wat (wellicht) het sluitstuk van wat de IRT-affaire zal gaan heten. De Tweede Kamer heeft op 22 november 1994 besloten een commissie in te stellen met de opdracht een onderzoek te doen naar:

'- de aard, ernst en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit;

- de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid, het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden;

- de organisatie, het functioneren van en de controle op de opsporing.'

Het primaire doel van het onderzoek was het verkrijgen van informatie met het oog op het normeren van de methoden die door de politie, bijzondere opsporingsdiensten en justitie kunnen worden gehanteerd.(1)

De parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, naar haar voorzitter ook wel Commissie Van Traa genoemd (hierna afgekort als PEC), heeft op 1 februari 1996 haar eindrapport aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte] zijn door de PEC in het openbaar onder ede gehoord. De PEC heeft tegen beiden een proces-verbaal meineed opgemaakt dat is gedateerd 1 februari 1996. Dit proces-verbaal meineed is bij brief gedateerd 31 januari 1996 aan de Hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage aangeboden. Hierop is door de rijksrecherche een opsporingsonderzoek gestart. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de veroordeling door het Gerechtshof 's-Gravenhage terzake van meineed. De medeverdachte is tevens veroordeeld voor het bedreigen van een getuige, die in deze zaak een cruciale rol heeft gespeeld.

4.1. Het eerste middel klaagt erover dat het hof zonder nadere toelichting als bewijsmiddel heeft gebezigd (een deel van) het stenografisch verslag van het verhoor onder ede dat verdachte is afgenomen door de PEC op 2 november 1995. Nu verdachte ten tijde van diens verhoor door de PEC, wegens het (nog) niet bezitten van de status van verdachte in de zin van art. 27 Sv, het zwijgrecht van art. 29 Sv niet toe kwam en voor verdachte evenmin de mogelijkheid openstond zich met succes te beroepen op één van de in de Wet op de Parlementaire Enquête (WPE) genoemde verschoningsgronden terwijl verdachte verplicht was de eed of belofte af te leggen, kan volgens de stellers van het middel worden aangenomen "dat verdachte zijn verklaring ten overstaan van de PEC heeft afgelegd onder dwang van strafbedreiging". Het gebruik voor het bewijs van een op een dergelijke wijze verkregen verklaring zou derhalve in strijd met artikel 6 EVRM zijn. Blijkens de toelichting op het middel had het hof dit ambtshalve dienen te onderzoeken.

4.2. Het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Het is vaste rechtspraak dat de feitenrechter in de regel geen verantwoording hoeft af te leggen van de keuze die hij maakt(2). Deze regel lijdt slechts uitzondering als het betrouwbaarheids- of rechtmatigheidsoordeel van de rechter inzake het gehanteerde bewijsmiddel, alle bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, niet zonder meer begrijpelijk is; een nadere motivering mag dan niet achterwege blijven.(3) De stelling dat de rechter alleen tot het bewijs zou mogen doen meewerken bewijsmiddelen waaruit blijkt dat zij op rechtmatige wijze zijn verkregen, is reeds door de Hoge Raad verworpen(4). Uit het bewijsmiddel behoeft derhalve niet te volgen dat het rechtmatig is verkregen; pas als uit de stukken van het geding een rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat een onrechtmatigheid is begaan mag het niet zonder meer worden gebruikt(5).

4.3. Volgens de stellers van het middel heeft het hof in strijd met artikel 6 EVRM gehandeld door een onder dwang van strafbedreiging afgelegde verklaring van verdachte als bewijs te bezigen. Met deze gevolgtrekking miskent het middel, mijns inziens, dat verdachte naast het afleggen van een meinedige verklaring tevens de mogelijkheid had een verklaring af te leggen die niet in strijd met de waarheid was. In het midden gelaten of de verdachte daadwerkelijk geen beroep op zijn zwijgrecht dan wel op een verschoningsrecht toekwam(6), lijkt verdachte op geen enkele wijze gedwongen te zijn geweest een verklaring af te leggen zoals hij heeft gedaan. Verdachte had ervoor kunnen en behoren te kiezen de waarheid te vertellen. Strafvervolging had verdachte immers niet hoeven vrezen nu in artikel 24 WPE is bepaald dat verklaringen voor een commissie, of op haar vordering afgelegd nimmer als bewijs in rechte kunnen gelden, hetzij tegen degene door wie zij afgelegd zijn, hetzij tegen derden. Nu in de toelichting op het middel niet gemotiveerd uiteengezet is waarom verdachte zich ten tijde van zijn verhoor voor de PEC niet kon bedienen van een verklaring overeenkomstig de waarheid, kan naar mijn mening niet vastgesteld worden dat verdachte de betreffende verklaring onder dwang van strafbedreiging heeft afgelegd. Verdachte moest inderdaad antwoord geven op vragen, maar hij behoefde geen onware antwoorden te geven. Ik maak een vergelijking met de arts die verplicht is naar waarheid een verklaring van overlijden, zoals bedoeld in art. 7, eerste lid, Wet op de lijkbezorging, op te maken en af te geven. De naar waarheid opgemaakte verklaring, inhoudende dat er geen natuurlijke doodsoorzaak was maar euthanasie, zal de arts in een daaropvolgende strafprocedure in een lastig parket kunnen brengen als die verklaring in de strafvervolging mag worden ingebracht. De arts die evenwel een valse verklaring opmaakt zal zich niet op het nemo-teneturbeginsel kunnen beroepen.(7)

Uit de stukken van het geding rijst derhalve allerminst een rechtstreeks en ernstig vermoeden dat de verklaring van verdachte op onrechtmatige wijze is verkregen waarnaar het hof ambtshalve een onderzoek had moeten instellen.

4.4. In het door de verdediging aangehaalde arrest "Saunders"(8) staat het nemo-teneturbeginsel, the right not to incriminate oneself, centraal. Deze uitspraak van het EHRM handelt voornamelijk over de welbekende problematiek van de spreekplicht versus het zwijgrecht: hoe verhouden de inlichtingenplichten die in bepaalde situaties op burgers rusten, zich tot het zwijgrecht dat zij als verdachte hebben? Met betrekking tot dit punt heeft het Hof vastgesteld dat verklaringen die een burger gedwongen was af te leggen, niet in een strafproces tegen hem gebruikt mogen worden. Het publieke belang kan, ongeacht de aard van de telastegelegde feiten, een dergelijk gebruik niet rechtvaardigen(9).

Het uit dit nemo-teneturbeginsel voortvloeiende dilemma, speelt zich af tussen het weigeren een verklaring af te leggen en daardoor strafbaar zijn en het wel een verklaring afleggen en daardoor zichzelf belasten. Het nemo tenetur-beginsel ziet derhalve op belastende verklaringen inzake reeds gepleegde strafbare feiten. In de onderhavige zaak gaat het echter om een strafbaar feit dat pas is ontstaan op het moment dat de (meinedige) verklaring werd afgelegd. Verdachte heeft verscheidene malen aangegeven geen gedetailleerde verklaringen af te willen leggen om anderen (bij criminele trajecten betrokken informanten) te beschermen(10), maar uit het middel, noch uit de overige zich in het dossier bevindende stukken volgt dat verdachte ten tijde van zijn verhoor voor de PEC op bepaalde vragen geen antwoorden kon geven omdat hij dan zichzelf zou belasten. Indien dit wel het geval was geweest had verdachte nog niets hoeven te vrezen gelet op art. 24 WPE. Het zich binnen het nemo-teneturbeginsel afspelende dilemma wordt derhalve in beginsel ondervangen door art. 24 WPE en het gebruik van de onderhavige in strijd met de waarheid afgelegde verklaring voor de PEC in het strafproces tegen verdachte wegens meineed valt daar in zoverre buiten.

Het besluit van het hof om (een deel van) het stenografisch verslag van het verhoor dat verdachte is afgenomen door de PEC op 2 november 1995 als bewijsmiddel te bezigen getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is zonder nadere motivering evenmin onbegrijpelijk.

4.5. Voorts dient in dit kader nog opgemerkt te worden dat een parlementaire enquête niet is gericht op het vaststellen van schuld of op het aanwijzen van schuldigen, maar op het vinden van de waarheid omtrent feiten en gebeurtenissen in het verleden(11). Uit de wetsgeschiedenis volgt behalve de bevoegdheid van de beide kamers om van de hoofden der ministeriële departementen de nodige inlichtingen omtrent de onderwerpen, welke binnen de kring harer werkzaamheden liggen, te vorderen, dat de Tweede Kamer tevens het recht dient te hebben om van elders zodanige inlichtingen te betrekken(12). Het wezenlijke kenmerk van het recht van enquête is niet het recht informatie in te winnen, maar het recht informatie zo nodig af te dwingen(13). Door het plegen van meineed - het welbewust afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid - wordt het werk van een parlementaire enquêtecommissie in zijn kern geraakt. Indien een meinedige verklaring niet als bewijsmiddel in een strafrechtelijke procedure wegens meineed tegen de persoon die deze verklaring in strijd met de waarheid heeft afgelegd, mag worden gebruikt omdat zij onder dwang van strafbedreiging zou zijn afgelegd, krijgt het delict van meineed de status van een dode letter. De redenering die de stellers van het middel volgen is immers niet beperkt tot de context van een parlementaire enquête. Een ieder, niet zijnde een verdachte in de zin van art. 27 Sv, zou onder ede in strijd met de waarheid kunnen verklaren zonder daar met kans op succes strafrechtelijk voor vervolgd te worden nu een dergelijke vervolging de beginselen van een behoorlijke procesorde zou schenden. Ook de getuige die onder ede weigert een verklaring af te leggen en die zich niet op een erkend verschoningsrecht kan beroepen, zou de strafrechtelijke dans ontspringen omdat hij zich er volgens de stellers van het middel op zou kunnen beroepen dat hij nooit mag worden gedwongen een verklaring af te leggen, of die nu waar is of niet. De door de stellers van het middel gevolgde redenering ondermijnt derhalve het systeem van het horen van getuigen onder ede in zijn algemeenheid op een ontoelaatbare manier.

4.6. Het middel faalt derhalve.

5.1. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte enkele in de bewezenverklaring opgenomen uitspraken zou hebben gedaan. In de bewezenverklaring is vermeld dat verdachte, in strijd met de waarheid, tegenover de PEC, onder meer, heeft verklaard "te Haarlem en/of elders in Nederland", "zijnde [...] - [a-straat 1], [plaats B]" en "wiens initialen zijn [...]". Dat verdachte dit verklaard heeft, valt volgens de stellers van het middel niet uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden.

5.2. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 2 november 1995 te 's-Gravenhage als getuige in zijn openbare verhoor door de Parlementaire Enquête Commissie Opsporingsmethoden (de zogenaamde Commissie van Traa), nadat hij ten overstaan van deze Commissie de eed overeenkomstig de bepaling van art. 8 lid 1 en 2 Wet op de Parlementaire Enquête had afgelegd, in zijn onder ede afgelegde verklaringen feiten tegen de waarheid heeft voorgedragen,

immers heeft hij, verdachte, telkens toen aldaar als beëdigd getuige tijdens zijn openbare verhoor door bovengenoemde Commissie opzettelijk in strijd met de waarheid een verklaring afgelegd, die - zakelijk weergeven - ongeveer de strekking had en/of er op neer kwam (onderstreping achteraf, AM):

- dat het enige dat hij, verdachte, in 1993 te Haarlem en/of elders in Nederland al dan niet samen met [medeverdachte] heeft gedaan is de cover (zijnde [...] - [a-straat 1], [plaats B]) ter beschikking stellen aan de limonademan (Sapman, wiens initialen zijn [...]) en dat hij/zij verder zich daar helemaal niet mee bemoeid heeft/hebben en

- dat er in het tijdvak van 01 maart 1993 tot 01 augustus 1994 te Haarlem en/of Rotterdam en/of elders in Nederland nimmer onder zijn, verdachte's leiding en/of aanwezigheid, zijn bijzijn en/of medeweten geld over tafel is gegaan naar Sapman (wiens initialen zijn: [...]) en/of nimmer door de [medeverdachte] betalingen zijn verricht van (een of meer) geld(bedrag(en) ) onder zijn, verdachte's leiding en/of in diens bijzijn aan Sapman (wiens initialen zijn: [...]) en dat hij verdachte niet met de [medeverdachte] in bedoeld tijdvak daarover gesproken heeft en daarvan in bedoeld tijdvak niet heeft geweten."

De bewezenverklaring berust, voorzover hier van belang, op de navolgende bewijsmiddelen:

- Het stenografisch verslag van het openbaar verhoor van de parlementaire enquête- commissie opsporingsmethoden op 2 november 1995 in de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Generaal te Den Haag, voor zover inhoudende (bewijsmiddel 3):

Verhoord wordt de [verdachte].

De voorzitter: Ik wil graag met u overgaan naar het zogenaamde sap-traject. Wordt de sap- en limonademan een informant?

De [verdachte]: Deze man wordt een informant van de RCID Kennemerland.

De voorzitter: Mag ik u vragen met wie u deze informant, deze limonade- en sapfabrikant, gerund hebt?

De [verdachte]: Deze sapman is gerund door drie man van de RCID Kennemerland, waarvan ik er één ben.

De voorzitter: Daar bent u er één van. Wie waren de andere twee?

De [verdachte]: De een is de [medeverdachte] en de ander een medewerker van de RCID Kennemerland.

De heer De Graaf: U hebt eerder gezegd dat u dit niet deed als chef van de CID, behalve bij een belangrijke informant in het Delta-traject. Dat is echter niet deze limonadefabrikant. Hier hebt u het dus ook gedaan?

De [verdachte]: Incidenteel.

De heer De Graaf: Waarom?

De [verdachte]: Deze man gaf zeer specifieke en goede informatie die wij gebruikten in het Delta-traject.

De heer De Graaf: Dat zal best, maar dat hadden uw CID-runners toch ook kunnen doen. Die waren toch ook betrokken bij het Delta-traject?

De [verdachte]: Tja...

De heer De Graaf: Daar is ook geen verklaring voor?

De [verdachte]: Nou, geen verklaring voor... Vorige keer is door de commissie gevraagd of het niet normaal is dat er af en toe een CID-chef meegaat. Dat is ook normaal. Bij deze specifieke man met deze specifieke kennis heb ik vaker deel uitgemaakt van het tweemanschap.

De voorzitter: Is het ook zo dat u eind november toestemming hebt gegeven om de personennaam van een van de dekmantels te gebruiken voor het openen van een borgrekening voor het bedrijf van deze persoon?

De [verdachte]: Dat is juist.

Hij had alleen een niet-Nederlandse cover-naam nodig. En die hebben wij hem aangereikt. Daarmee was de continuïteit van zijn bedrijf verzekerd. Dat was het belang dat wij in de zaak hadden. Wij hadden er belang bij dat zijn bedrijf in stand bleef, omdat wij continu of zeer regelmatig vruchtensappen transporteerden naar zijn bedrijf.

Ik neem aan dat het november 1992 geweest moet zijn. U hebt het gehad over eind november 1992. Neen, dat kan niet. Het is eind 1993.

De voorzitter: De limonademan zegt dat hij vanaf 1993 betalingen heeft gekregen via [medeverdachte]. Hij zegt echter ook dat u hem betalingen hebt aangeboden.

De [verdachte]: Dit is absolute waanzin. Ik heb deze man nimmer geld gegeven. Er is ook niet in mijn bijzijn geld over tafel gegaan naar deze man. (..) Zoals ik al zei zijn er onder mijn leiding of in mijn bijzijn geen betalingen verricht door de [medeverdachte].

De voorzitter: Weet u of [medeverdachte] wel betalingen heeft gedaan aan deze man?

De [verdachte]: Daar hebben wij het afgelopen dinsdag uitgebreid over gehad. Dat is echter gebeurd op een moment dat [medeverdachte] al weg was bij de politie. Het is dus niet onder mijn leiding gebeurd.

De voorzitter: En daar hebt u nooit van geweten, zegt u?

De [verdachte]: Ik ben daarmee geconfronteerd door de rijksrecherche op, als ik het goed heb, donderdag of vrijdag een week geleden. Daarna is het verhoor door de rijksrecherche afgebroken en heb ik mij in verbinding gesteld met [medeverdachte]. Toen heb ik het verhaal van hem gehoord.

De voorzitter: Hebt u nooit meer met [medeverdachte] over deze limonadefabrikant gesproken, nadat [medeverdachte] de dienst verlaten had?

De [verdachte]: Ik heb na die tijd nog regelmatig met [medeverdachte] gesproken, dus uiteraard ook over deze limonademan.

De voorzitter: Precies. U zegt echter: ik heb daarbij nooit gesproken over geld dat betaald is.

De [verdachte]: Neen, wij hebben daar niet over geld gesproken.

De voorzitter: Weet u dat heel zeker?

De [verdachte]: Ja.

De voorzitter: Weet u dat echt zeker?

De [verdachte]: Ja.

De voorzitter: U hebt nooit met [medeverdachte] gesproken over betalingen die gedaan zijn?

De [verdachte]: Ik heb daar vorige week met hem over gesproken naar aanleiding van de opmerking van de rijksrecherche dat er in het traject in 1995 gelden over tafel gegaan zijn. Daar ben ik mee geconfronteerd. En toen heb ik het verhaal van hem gehoord.

De voorzitter: Wat hebt u toen gehoord?

De [verdachte]: Dat er inderdaad middels [medeverdachte] bedragen geld naar de limonademan gegaan zijn.

De voorzitter: En toch hebt u al deze dingen die ik u vraag en die door [medeverdachte] aan de limonademan gezegd zijn, nooit met hem besproken?

De [verdachte]: Neen.

De voorzitter: Nooit besproken?

De [verdachte]: Zoals ik al zei: nooit besproken.

De voorzitter: Ik wil u nog een feitelijke vraag stellen over het gebruik van de cover die u aan de limonademan hebt toegestaan. Hebt u later nog gecontroleerd wat daar verder mee gebeurd is, toen u wegging als CID-chef?

De [verdachte]: Neen, het enige wat er gebeurd is...

De voorzitter: Waarom niet?

De [verdachte]: Om uw eerste vraag even af te maken: het enige wat wij gedaan hebben, is de cover ter beschikking stellen. Verder hebben wij ons daar helemaal niet mee bemoeid. Dat is allemaal binnen de bedrijfsvoering van de man zelf gegaan. Ik zou ook geen enkele reden of noodzaak zien om dat later nog een keer na te trekken.

De voorzitter: Maar u bent toch wel verantwoordelijk voor het gebruik dat van die naam gemaakt wordt?

De [verdachte]: Het enige wat de bedoeling was, was om die naam te gebruiken om een tegenrekening te kunnen realiseren, met in de lijn een aantal mensen die daar mede hun toestemming voor hadden gegeven, zoals een bankdirecteur. Ik heb er nooit aan getwijfeld dat dit fout zou lopen.

De voorzitter: Maar er is met hem toch wel, ook gedrieën, gesproken over het opzetten van zijn bedrijf in Zuid-Amerika en de consequenties daarvan?

De [verdachte]: Neen, hij heeft ons op enig moment geïnformeerd dat hij dat van plan was en dat hij...

De voorzitter: En u ontkent dat er toen sprake is geweest, direct of indirect, van enige betaling?

De [verdachte]: Dat ontken ik.

De voorzitter: Dat ontkent u?

De [verdachte]: Ten stelligste.

- Een ambtsedig proces-verbaal van het Fort-team Rijksrecherche betreffende verhoor van getuige op 5 juli 1995 opgemaakt en ondertekend door J.B.A. de Wit en W.T. Deinum voornoemd, voorzover inhoudende als de op 16 juni 1995 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (blz. 102 t/m 108) - voorzover hier van belang - (bewijsmiddel 5):

Terugbladerend in mijn agenda van 1993, die ik nu heb meegenomen, zie ik dat ik toen de personalia en bedrijfsnaam van [X] overgenomen heb. Het betreft hier volgens zijn opgave: [...], [geboortedatum] [geboorteplaats], [a-straat 1], [plaats B]. Het bedrijf is genaamd [C], Postbus [0001], [plaats B].

Kort na de betaling van die f 200.000,- in maart 1993 werd bij ontmoetingen in Haarlem tussen [verdachte], [medeverdachte] en mij, gesproken over het importeren van fruit uit Zuid Amerika. [Verdachte], die ik in deze periode nog steeds kende als [X], was meestal bij deze besprekingen aanwezig maar [medeverdachte] was de woordvoerder.

5.3. Aan verdachte is tenlastegelegd het afleggen van een meinedige verklaring tijdens een verhoor van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden. De bewezenverklaring van het onderhavige delict is als volgt samengesteld. Er wordt aangevangen met een zinsnede die weergeeft wanneer verdachte, waar, in welke hoedanigheid, voor welk orgaan, onder ede een verklaring in strijd met de waarheid heeft afgelegd. Vervolgens vermeldt de bewezenverklaring de betreffende meinedige verklaringen met daaraan voorafgaand de woorden "- zakelijk weergeven - ongeveer de strekking had en/of er op neer kwam dat". Hiermee wordt, naar mijn mening, duidelijk aangegeven dat hetgeen na deze tekst volgt geen letterlijke weergave van de afgelegde verklaringen betreft. Integendeel, door de tenlastelegging en/of de bewezenverklaring aldus te formuleren heeft het Openbaar Ministerie te kennen gegeven in casu in samenvattende termen te vermelden wat er door verdachte tijdens zijn verhoor voor de PEC is gezegd, zonder te streven naar een woordelijke herhaling van het gezegde.

Voorts zijn de twee door de stellers van het middel bestreden onderdelen van de verklaringen van verdachte, te weten "zijnde [...] - [a-straat 1], [plaats B]" en "wiens initialen zijn [...]." tussen haken geplaatst, hetgeen mijn inziens betekent dat deze aanduidingen slechts aan de bewezenverklaring zijn toegevoegd ter verduidelijking en nadere invulling van de relevante samengevatte passages uit het verhoor.

5.4. Het moge inmiddels duidelijk zijn dat verdachte ten tijde van de openbare verhoren van de PEC niet vrijuit kon spreken over namen van informanten en zich niet tot in detail kon uitlaten over de door de politie gehanteerde specifieke methoden en samenwerkingsverbanden. Zowel de commissie als verdachte dienden zich in enigszins vage termen uit te drukken om te voorkomen dat door middel van concrete uitlatingen met naam en toenaam mensen die betrokken waren bij de verschillende trajecten, gevaar zouden lopen. Derhalve werd in het betreffende verhoor de persoon met wie in het kader van het sapproject werd samengewerkt aangeduid met de "sapman" of de "limonademan". Uiteraard waren beide partijen ten tijde van dit verhoor op de hoogte van de identiteit van deze persoon, te weten een limonade- en sapfabrikant wiens initialen zijn [...]. Dit zelfde kan gezegd worden over de door verdachte verstrekte cover aan deze persoon. Zowel de commissie als verdachte wisten dat het in casu ging om de cover met de gegevens "[...] - [a-straat 1], [plaats B]".

Dat verdachte in zijn voor het bewijs gebruikte verklaring ten overstaan van de PEC met de "sapman" en/of de "limonademan" doelde op de persoon wiens initialen zijn [...]. en dat verdachte met het spreken over een door hem verstrekte cover zinspeelde op de specifieke cover "[...] - [a-straat 1], [plaats B]" , hetgeen in de tenlastelegging en bewezenverklaring ter verduidelijking tussen haken is opgenomen, vloeit mijns inziens genoegzaam uit het eveneens hiervoor opgenomen vijfde bewijsmiddel voort. Dit geldt te meer voor de tevens door de stellers van het middel in twijfel getrokken zinsnede "in Haarlem en/of elders in Nederland.

5.5. Het hiervoor overwogene levert op dat het oordeel van het hof dat uit de gebezigde bewijsmiddelen afgeleid kan worden dat verdachte de in de bewezenverklaring opgenomen uitspraken heeft gedaan, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

5.6. Het middel faalt derhalve en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering.

6.1. Het derde middel ziet op een onderdeel van 's hofs overweging omtrent de op te leggen straf. Volgens de stellers van het middel heeft het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, in zijn strafmotivering overwogen dat verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor door de PEC "het belang van de Staat" dan wel "zijn recht op verschoning" had kunnen en moeten inroepen. Het middel gaat uit van het standpunt dat deze door het hof geopperde mogelijkheden in werkelijkheid geen reële alternatieven - althans met kans op enig succes - vormden voor verdachte, hetgeen met zich meebrengt dat het arrest niet in stand kan blijven.

6.2. Het hof heeft in het arrest onder het opschrift "Strafmotivering" in overweging 13.4, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:

"(... ) Duidelijk is dat het enige juiste antwoord op deze problemen -dit dilemma - zou zijn geweest dat [verdachte] hetzij het belang van de Staat of zijn recht op verschoning had ingeroepen om niet te verklaren, hetzij de kritiek over zich heen had moeten laten komen (...)"

6.3. Met deze in de strafmotivering opgenomen overweging heeft het hof kennelijk willen aangeven dat verdachte ten tijde van zijn verhoor door de PEC voor een dilemma stond, hetwelk verdachte op verschillende manieren kon hanteren. Door te opteren voor het afleggen van een meinedige verklaring heeft verdachte te dezen, aldus het Hof, een foutieve keuze gemaakt. Het hof stelt vast dat er voor verdachte meerdere opties waren: verdachte had er voor kunnen kiezen zich te beroepen op het belang van de Staat of op een recht tot verschoning om niet te verklaren, daarnaast was uiteraard het vertellen van de waarheid, met alle gevolgen van dien, de hoogst gewaardeerde optie geweest. Of verdachte zich de iure met succes had kunnen beroepen op het belang van de Staat of op een van de andere door het hof geopperde verschoningsgronden, is, anders dan de stellers van het middel betogen, in casu niet van belang nu uit de stukken niet blijkt dat verdachte voornemens is geweest een dergelijk beroep te doen en nu niet is uitgesloten dat de PEC zich nader zou hebben beraden over de noodzaak voor verdachte om op bepaalde vragen te antwoorden als verdachte de PEC wél van zijn dilemma op de hoogte had gesteld. Indien verdachte ten tijde van de verhoren voor de PEC expliciet had aangegeven zich te willen verschuilen achter een in de WPE opgenomen recht tot verschoning en de PEC verdachte een zodanig recht uitdrukkelijk had ontnomen had verdachte naar waarheid dienen te verklaren en, in de woorden van het hof, "de kritiek over zich heen (...) moeten laten komen". Van een dergelijk vergeefs beroep op een verschoningsrecht blijkt niet uit de zich eveneens in het dossier bevindende stenografische verslagen van de openbare verhoren van verdachte ten overstaan van de PEC(14). Evenmin kan blijken dat verdachte de door het hof aangegeven wegen niet is ingeslagen omdat hij tevoren er al van overtuigd was dat zij doodlopend zouden zijn.

Uit deze stenografische verslagen volgt echter wel dat verdachte de facto wel degelijk van de mogelijkheid gebruik heeft kunnen maken om vragen van de leden van de PEC niet of slechts gedeeltelijk te beantwoorden. Verscheidene malen heeft verdachte tijdens deze verhoren aangegeven over bepaalde kwesties niet te willen verklaren, althans niet in detail te willen treden om door de politie gehanteerde methoden en bij criminele doelgroepen betrokken informanten te beschermen. Toen het verhoor betrekking kreeg op het eveneens in casu aan de orde zijnde "saptraject(15)" werd de situatie niet anders. Integendeel, verdachte koos er zeer dikwijls voor niet nader in te gaan op door de commissie gestelde vragen met als argument het beschermen van betrokken personen. Uiteraard nam de commissie niet terstond genoegen met dergelijke antwoorden, maar hetgeen verdachte aangaf niet te willen verklaren, heeft hij, soms zelfs na lang aandringen door leden van de commissie, dan ook niet prijsgegeven. Hieruit leid ik af dat voor verdachte in feite wel degelijk de mogelijkheid bestond om de commissie het antwoord op bepaalde vragen schuldig te blijven, zonder dat daar directe consequenties voor verdachte aan verbonden werden. De facto had verdachte bij zijn verhoor de door het hof vastgestelde keuzemogelijkheid; ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen verklaringen heeft verdachte echter de voorkeur gegeven aan het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid.

6.4. Voorzover het middel voorts berust op de stelling dat de in casu bestreden overweging van het hof onjuist is, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk, ten gevolge waarvan het arrest niet in stand kan blijven, miskent het dat het hof in dit onderdeel van de strafmotivering óók de mogelijkheid heeft aangegeven dat verdachte de waarheid had moeten vertellen. Wat het hof heeft overwogen over het inroepen van het belang van de Staat of het beroep op een verschoningsrecht is in het geheel van de strafmotivering van ondergeschikte betekenis en laat onverlet dat het hof de opgelegde straf afdoende heeft gemotiveerd.

6.5. Het middel faalt derhalve.

7. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Gepubliceerd in de Stcr. 1994, 237, 8 december 1994.

2 Vgl. HR 21 januari 1997, NJ 1997, 388 m.nt. JR, HR 13 mei 1997, NJ 1998/318 m.nt. Sch.

3 Vgl. HR 27 februari 1973, NJ 1973, 205 m.nt ThWvV en noot van Schalken bij NJ 1998, 318.

4 Vgl. HR 25 oktober 1977, NJ 1978, 137 m.nt. ThWvV.

5 Vgl. HR 28 mei 1985, NJ 1985, 876; HR 2 februari 1988, NJ 1988, 820; HR 17 mei 1988, NJ 1989, 142; HR 19 januari 1999, NJ 1999, 250; HR 5 december 2000, NJ 2001, 138.

6 Op deze kwestie wordt bij de bespreking van het derde middel nader ingegaan.

7 HR NJ 2000, 216 m.nt. Schalken. Zie ook nog HR 20 februari 1998, NJB 1998, p. 564, nr. 54C; HR NJ 1999, 648. In de laatste twee gevallen legde de Hoge Raad er de nadruk op dat de verplichting om naar waarheid te verklaren slechts geldt als er van een 'criminal charge' sprake is.

8 EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699 m.nt. Kn.

9 Vgl. noot van Knigge onder EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699.

10 Vgl. Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24072, nr 13 Inzake opsporing, Enquêtecommissie opsporingsmethoden, Bijlage III, Verhoren deel 2, p. 885-914 en Bijlage IV, Verhoren deel 3, p. 1517-1538.

11 Memorie van Antwoord bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de Parlementaire Enquête en in verband daarmee opnemen van een bepaling in het Wetboek van Strafrecht van de leden De Kwaadsteniet, Joekes, Alders en Schutte, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 19 816, nr. 10, blz. 4.

12 TK 1849-1850 , 22, nr. 3 Regeling van het recht van enquête, p.1.

13 Dolle, Het recht van parlementaire enquête, Wolters-Noordhoff 1985, p.12.

14 Zie ook, Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24072, nr 13 Inzake opsporing, Enquêtecommissie opsporingsmethoden, Bijlage III, Verhoren deel 2, p. 885-914 en Bijlage IV, Verhoren deel 3, p. 1517-1538.

15 Dit is het traject van de RCID Kennemerland waarin een limonade- en sapfabrikant als informant een grote rol heeft gespeeld.