Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF5420

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-04-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
02550/02 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF5420
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1 april 2003 Strafkamer nr. 02550/02 U SCR/IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 27 september 2002, nummer RK 02/472, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Haarlem. 1. De bestreden uitspraak ...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02550/02 U

mr. N. Keijzer

zitting 4 maart 2003

conclusie inzake

[de opgeëiste persoon]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 27 september 2002 heeft de Arrondissementsrechtbank te Haarlem de door de Verenigde Staten verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon], ter fine van strafvervolging ter zake van, kort gezegd, zijn betrokkenheid bij invoer van MDMA, deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en witwassen, toelaatbaar verklaard.

2. Tegen deze uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr G. Meijers, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt de klacht in dat de Rechtbank (anders dan bij art. 330 Sv, ingevolge art. 29 UW te dezen van overeenkomstige toepassing, op straffe van nietigheid is voorgeschreven) op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek, opdat aan de Amerikaanse autoriteiten om nadere informatie kan worden gevraagd, niet heeft beslist.

4. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 13 september 2002, waar het uitleveringsverzoek werd behandeld (pleitnota, blz. 11-12) heeft de raadsman aldaar onder meer aangevoerd:

"Het Amerikaanse strafprocesrecht is van heel andere orde dan ons continentaal stelsel. Er is geen onafhankelijke rechter die de waarheid vaststelt. Het Openbaar Ministerie beschuldigt en vervolgens krijgt de verdachte de gelegenheid om te zeggen of hij schuldig of onschuldig is. (...) Als de verdachte schuld bekent, dan staat diens schuld daarmee ook vast. De rechter zal zich dan alleen bekreunen om het opleggen van straf. Op geen enkele wijze komt alsdan een toetsing van het bewijsmateriaal en de manier waarop dat verkregen is aan de orde. (...) Straffen na een guilty plea zijn onevenredig veel lager dan straf opgelegd nadat de jury schuld heeft vastgesteld. Dat betekent in de praktijk dat wel iedereen eieren voor zijn geld kiest. Dat betekent echter ook dat allerlei opsporingsmethoden praktisch onbeoordeeld blijven. Er vindt met andere woorden in de praktijk geen toetsing plaats van de wijze waarop onderzoeksmateriaal is verkregen.

(...)

Ik stel mij op het standpunt dat de Nederlandse rechter zich in het onderhavige geval zelf een oordeel moet vormen t.a.v. de vraag of een aantal opsporingsmethoden gebruikt is. Het gebruik van een aantal opsporingsmethoden immers zou in Nederland kunnen leiden tot beslissingen variërend van niet-ontvankelijkheid tot het opleggen van een lagere straf. Als de situatie voorligt, zoals in het onderhavige geval, dat vaststaat dat de buitenlandse rechter zich geen oordeel zal vormen over een aantal opsporingsmethoden, waarbij onder andere de privacy van de verdachte in het geding is, dan zou de Nederlandse rechter zich in het kader van de uitleveringsprocedure een oordeel moeten vormen. Ik denk dat u om die reden de Amerikanen zult moeten vragen of zij in het onderzoek op [de opgeëiste persoon] hebben geopereerd op Nederlandse bodem, of er sprake is van uitlokking, of er undercoveragenten zijn ingezet en/of er anderszins dwangmiddelen zijn toegepast waarbij op de privacy van [de opgeëiste persoon] een inbreuk is gemaakt. Nu de Amerikaanse rechter dat niet doet, dient de Nederlandse rechter dat te doen. Als geen van beide rechters dat doet, heeft [de opgeëiste persoon] geen fair trial in de zin van artikel 6 EVRM.

(...)

Subsidiair verzoek ik u de behandeling van de zaak aan te houden en de Amerikanen te verzoeken nadere informatie te verschaffen, c.q. stukken over te leggen."

5. De Rechtbank heeft dienaangaande terecht(1) overwogen dat het niet tot de taak van de uitleveringsrechter behoort, te oordelen over de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek dan wel van het daaruit voortvloeiend bewijsmateriaal, en voorts:

"Dat is slechts dan anders indien sprake zou zijn van omstandigheden waaruit een reëel risico kan worden afgeleid op een flagrante schending van door het EVRM gegarandeerde rechten. Niet is aannemelijk geworden dat hiervan in geval van daadwerkelijke uitlevering van de opgeëiste persoon sprake zal zijn."

6. Deze overweging moet kennelijk aldus worden verstaan dat naar het oordeel van de Rechtbank geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die, indien vastgesteld, zouden meebrengen dat in de zaak tegen [de opgeëiste persoon] een zo flagrante schending van art. 6 of art. 8 EVRM heeft plaatsgehad(2) dat de uit het uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering daarop moet afstuiten. Aldus verstaan houdt deze overweging het oordeel in dat het verzoek tot schorsing van de behandeling ongegrond is en daarom moet worden afgewezen.

7. Het middel faalt derhalve.

8. Het tweede middel houdt de klacht in dat de artikelen 5 en 18 UW zijn geschonden (kennelijk is bedoeld: dat art. 28, derde lid, UW niet naar behoren is nageleefd) omdat de bestreden uitspraak niet de feiten vermeldt met betrekking waartoe de uitlevering toelaatbaar is verklaard.

9. De Rechtbank heeft de verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten toelaatbaar verklaard "ter strafvervolging ter zake van de feiten, omschreven in het aanhoudingsbevel, welk stuk als bijlage aan deze uitspraak is gehecht".

10. Aan de bestreden uitspraak, zoals die op de voet van art. 434, eerste lid, Sv (ingevolge art. 31, zevende lid, UW te dezen van overeenkomstige toepassing) aan de griffier van de Hoge Raad is toegezonden, is geen kopie van het aanhoudingsbevel gehecht. Weliswaar is een zodanige kopie aan de griffier van de Hoge Raad nagezonden, maar dat doet aan het voorgaande niet af. Trouwens, ook indien de kopie van het aanhoudingsbevel aan de uitspraak zou zijn gehecht, zou de Rechtbank art. 28, derde lid, UW niet naar behoren hebben nageleefd, omdat daarin de desbetreffende feiten slechts bij kwalificatie(3) en zonder opgave van tijd en plaats zijn aangeduid.

11. Het middel is mitsdien gegrond.

12. Ambtshalve zij erop gewezen dat de Rechtbank de betrokkenheid van [de opgeëiste persoon] bij de invoer van MDMA kennelijk maar ten onrechte niet heeft opgevat als medeplegen, en aldus heeft verzuimd naar de eis van art. 28, derde lid, Uitleveringswet onder de toepasselijke wetsbepalingen art. 47 Sr te vermelden.

13. De vraag verdient bespreking of de Rechtbank, in aanmerking genomen dat, naar zij heeft vastgesteld, [de opgeëiste persoon] Nederlander is, de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar had moeten verklaren voorzover betrekking hebbend op witwassen voorzover dat ten tijde van het plegen van het feit nog niet strafbaar was naar Nederlands recht. In enkele vergelijkbare gevallen heeft de rechtbank te 's-Gravenhage immers een gevraagde uitlevering van een Nederlander ontoelaatbaar verklaard omdat, naar het oordeel van die rechtbank, reeds uitlevering een schending zou opleveren van art. 16 Grondwet en art. 1, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.(4)

Voor het onderhavige geval meen ik dat, gelet op art. 3, eerste lid aanhef en onder e, Convention on the Transfer of Sentenced Persons,(5) overdracht aan Nederland van de executie van een door de Amerikaanse rechter op te leggen straf niet mogelijk zal zijn voorzover die straf mede betrekking zou hebben op witwassen in de periode waarin die gedraging nog niet strafbaar was naar Nederlands recht. Dat brengt mijns inziens mee dat in zoverre niet art. 8, eerste lid, maar art. 8, tweede lid, van het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten(6) van toepassing moet worden geacht. Ingevolge dat tweede lid levert de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon in zoverre een facultatieve weigeringsgrond op. Bij art. 4, tweede lid, Uitleveringswet is de beslissing daaromtrent niet aan de uitleveringsrechter opgedragen maar aan de Minister van Justitie. Dat, met betrekking tot witwassen in de periode waarin die gedraging nog niet strafbaar was naar Nederlands recht, van een waarborg als aldaar bedoeld geen sprake kan zijn, doet aan die wettelijke taakverdeling naar ik meen niet af. Daarom beantwoord ik de evengenoemde vraag ontkennend.

14. Ambtshalve heb ik geen andere dan de reeds genoemde reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. Het tweede middel gegrond achtende concludeer ik dat Uw Raad:

* de bestreden uitspraak zal vernietigen, zij het uitsluitend voorzover daarbij is verzuimd onder de toepasselijke wetsbepalingen art. 47 Sr te vermelden en naar behoren de feiten te vermelden met betrekking waartoe de uitlevering toelaatbaar is verklaard,

* art. 47 Sr zal vermelden als toepasselijke wetsbepaling,

* zal verstaan dat de gevraagde uitlevering toelaatbaar is verklaard met betrekking tot de aan [de opgeëiste persoon] verweten feiten, omschreven in de door de verzoekende staat overgelegde Affidavit in support of request for extradition, op 16 mei 2002 opgemaakt door J. Teitelbaum, Assistant United States Attorney for the Western District of Pennsylvania, alsmede in de daaraan gehechte Indictment 02-99 en de daaraan eveneens gehechte Affidavit in support of the request for extradition of [de opgeëiste persoon], opgemaakt door Special Agent of the United States Drug Enforcement Administration Brett Pritts op 16 mei 2002,

* en het beroep voor het overige zal verwerpen.

Voor de Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 HR 13 november 2001, NJ 2002, 244.

2 Vgl. HR 10 mei 1994, DD 94.348 (geen omstandigheden zijn komen vast te staan voor het oordeel dat Nederland door de o.p. uit te leveren deze bloot stelt aan flagrante schending van art. 6 EVRM; de beslissing of het risico bestaat op zodanige schending na uitlevering van de o.p. komt niet toe aan de uitleveringsrechter maar aan de Minister van Justitie).

3 Vgl. HR 22 mei 2001, NJ 2001, 467.

4 Rb 's-Gravenhage 21 mei 2001, NJ 2002, 453; Rb 's-Gravenhage 21 december 2001, NJ 2002, 292.

5 Straatsburg, 21 maart 1983, Trb. 1983, 74.

6 's-Gravenhage, 24 juni 1980, Trb. 1980, 111.