Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF5404

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
02077/02 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF5404
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

8 april 2003 Strafkamer nr. 02077/02 A EW/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 18 december 2001, nummer H-167/01, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op Aruba op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Korrektie Instituut Aruba. 1. De bestreden uitspraak ...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02077/02 A

Mr Wortel

Zitting: 11 februari 2003

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba wegens "medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl dit feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de dood ten gevolge heeft" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr. D.G. Kock, advocaat te Oranjestad (Aruba), drie middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaken bekend onder de nummers 02072/02, 0273/02, 02076/02 en 02079/02. In die zaken concludeer ik eveneens vandaag.

3. Aan bespreking van de middelen meen ik niet toe te kunnen komen omdat het cassatieberoep te laat is ingesteld.

4. Verzoeker en zijn raadsman zijn ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Het vonnis is op 18 december 2001 op het eiland Aruba in tegenwoordigheid van verzoeker en zijn raadsman uitgesproken. Namens verzoeker is op 3 januari 2002 beroep in cassatie ingesteld.

5. Ingevolge art. 11 Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba staat voor het instellen van cassatieberoep een termijn open van veertien vrije dagen. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kan een langere termijn worden vastgesteld voor de gevallen waarin de verdachte geen woonplaats heeft op het eiland waar de bestreden beslissing is uitgesproken. Dat is geschied in art. 8 Besluit termijnen Cassatieregeling Nederlandse Antillen. Op die langere termijn kan verzoeker geen beroep doen, nu hij woonplaats heeft op het eiland Aruba, en hij ten tijde van de uitspraak aldaar gedetineerd was.

6. De veertiende dag na de dag waarop de bestreden uitspraak is gewezen was 1 januari 2002. Ingevolge art. 1 Algemene Termijnenwet is de termijn van rechtswege verlengd tot woensdag 2 januari 2002. Het cassatieberoep is na afloop van die termijn ingesteld, zodat verzoeker daarin niet ontvangen zal kunnen worden.

7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

============================

Nr. 02077/02 A

Mr Wortel

Zitting: 4 maart 2003

Aanvullende conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. In de bovengenoemde zaak heb ik ter zitting van 11 februari jongstleden geconcludeerd. De steller van de middelen heeft een schriftelijke reactie op die conclusie aan de Hoge Raad doen toekomen. Ik zie in die reactie aanleiding nader te concluderen.

2. Mijn eerder genomen conclusie strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in dit cassatieberoep, omdat het is ingesteld nadat de termijn die daarvoor in art. 11 Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba is gesteld reeds was verstreken. Ik stelde vast dat de laatste dag van die termijn viel op woensdag 1 januari 2002. Dat is een algemeen erkende feestdag, zodat de termijn van rechtswege is verlengd tot donderdag 2 januari 2002, vgl art. 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voor Aruba, welke bepaling overeenkomt met art.1, eerste lid, Algemene termijnenwet. Het cassatieberoep is ingesteld op vrijdag 3 januari 2002.

3. In zijn reactie op deze conclusie wees mr Kock er op dat de Arubaanse overheid 2 januari 2002 als 'collectieve vrije dag' heeft aangemerkt.

Aan zijn brief heeft mr Kock een exemplaar gehecht van een rondschrijven van de Minister van Algemene Zaken van Aruba, waarin dit besluit is medegedeeld. Tevens is aangehecht een exemplaar van een tot mr Kock gerichte brief van het Gerecht in Eerste Aanleg te Aruba, waarin is te vinden dat het in verband met de aanwijzing van 2 januari 2002 als 'collectieve vrije dag' niet mogelijk was op die dag stukken bij de griffie van het Gerecht in te dienen.

4. Hier doet zich een bijzondere situatie voor. Het lijkt mij dat de Arubaanse overheid bij de aanwijzing van 2 januari 2002 als 'collectieve vrije dag' over het hoofd moet hebben gezien dat deze aanwijzing niet zonder meer meebrengt dat die dag als een algemeen erkende feestdag in de zin van art. 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voor Aruba heeft te gelden.

5. Nu er vanuit gegaan moet worden dat die aanwijzing tot gevolg heeft gehad dat verzoeker buiten staat is gesteld het cassatieberoep op de laatste dag van de daarvoor beschikbare termijn in te stellen, en het cassatieberoep op de eerstvolgende werkdag is ingesteld, meen ik bij nader inzien dat een redelijke uitleg van art. 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voor Aruba in dit bijzondere geval mee moet brengen dat verzoeker in dit cassatieberoep ontvangen kan worden.

Daarom zal ik de drie door mr Kock voorgestelde middelen alsnog bespreken.

6. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard

"dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] op 19 maart 2001 in Aruba tezamen en in vereniging met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening hebben weggenomen een geldbedrag groot Afl. 289.148,97, toebehorende aan [A] N.V., welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] en bankemployés en in de bank aanwezige cliënten, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestond dat voornoemde personen voorzien van vuurwapens voornoemde bank binnen zijn gegaan en vuurwapens op bankemployés en op cliënten die zich in de bank bevonden hebben gericht, en bankemployés en cliënten die zich in de bank bevonden hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en bankemployés en een cliënt hebben geslagen en tegen het lichaam hebben geschopt en nadat voornoemde [medeverdachte 1] de deur van het vertrek alwaar die [slachtoffer] zich bevond had ingetrapt, die [slachtoffer] door het hoofd heeft geschoten, zulks terwijl dat door voornoemde persoon gepleegd geweld dusdanig letsel bij die [slachtoffer] heeft veroorzaakt, dat deze tengevolge daarvan is overleden, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest door het ter beschikking stellen aan een of meer van voornoemde personen van een semi-automatisch pistool van het merk "Intratec"."

7. Het eerste middel bevat de klacht dat het Gemeenschappelijk Hof ten onrechte niet uitdrukkelijk heeft beslist op het ter terechtzitting gevoerde verweer dat het verzoeker tenlastegelegde feit niet gekwalificeerd kan worden als medeplichtigheid aan de strafverzwarende omstandigheid dat de in de bewezenverklaring genoemde [slachtoffer] ten gevolge van het feit om het leven is gekomen.

8. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Daarbij merk ik op dat het Gemeenschappelijk Hof de bewijsmiddelen kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus heeft verstaan dat verzoeker [B] wordt genoemd.

De overval is tevoren door [medeverdachte 1], [medeverdachte 5], en [medeverdachte 2] beraamd in de woning van [medeverdachte 7]. Deze personen waren van plan de overval een week eerder te plegen. In de ochtenduren van de dag vóór de dag waarop de overval zou plaatsvinden belde [medeverdachte 5] verzoeker en sprak een ontmoeting af, die avond, bij [medeverdachte 7]. Des avonds kwamen [medeverdachte 1], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] naar het huis van [medeverdachte 7], waar ook verzoeker aanwezig was. De volgende ochtend kwam [medeverdachte 5] wederom, in het gezelschap van nog twee andere personen, waarvan er één (de 'Cubaan') een pistool had. [Medeverdachte 5] vertelde de anderen dat hij een man had benaderd om als bestuurder van een vluchtauto op te treden. Die man kwam echter niet opdagen, waarop toen van de overval is afgezien. Verzoeker voegde zich bij het gezelschap, en nam het machinegeweer alsmede (volgens een tot bewijs gebruikte verklaring van [medeverdachte 2]) het vuurwapen dat de Cubaan bij zich had weer mee.

In de nachtelijke uren vóór de dag waarop de overval is gepleegd kwamen verzoeker en [medeverdachte 7] (aldus deze verklaring van [medeverdachte 2]) weer "bij ons thuis" waarbij verzoeker het machinegeweer weer meebracht. Die ochtend zijn alle betrokkenen bij elkaar gekomen, waarna de overval is gepleegd. [Medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en nog twee andere personen zijn het bankgebouw binnengegaan. [Medeverdachte 2] heeft het machinepistool in het bankgebouw op kassiers gericht. [Medeverdachte 1] heeft de deur van een afgesloten vertrek ingetrapt en is dat vertrek binnengegaan, waarbij het vuurwapen dat hij in handen had is afgegaan. Dit schot heeft de in dat vertrek aanwezige bankmedewerkster [slachtoffer] dodelijk getroffen.

De tot bewijs gebruikte verklaring van [medeverdachte 2] houdt verder nog in dat verzoeker ervan op de hoogte was dat de overval zou worden gepleegd, en dat was afgesproken dat hij in de buit zou delen.

9. Blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen is aldaar namens verzoeker betoogd:

"In casu is het pretenselijke door [verdachte] verschafte wapen overigens niet het wapen dat is gebruikt om de doodslag te plegen. Zijn medeplichtigheid zou bestaan uit het verschaffen van dit wapen. Nu dit wapen niet is gebruikt om de doodslag te plegen is hij niet medeplichtig aan de doodslag.

Dus: zelfs in geval U E.A. van oordeel mocht zijn dat [verdachte] het middel van een vuurwapen heeft verschaft, quod uitdrukkelijk non, dan zelfs zal hij niet medeplichtig kunnen zijn aan de omstandigheid van de dood van de hoofdteller; zij is immers niet geschoten met het, pretenselijke door hem, verschafte wapen; (...)"

10. Het bewezenverklaarde feit betreft niet de medeplichtigheid aan het misdrijf 'doodslag' maar de medeplichtigheid aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld, begaan door verschillende medeplegers, terwijl dat feit de dood ten gevolge heeft.

11. Naar mijn oordeel behoefde het Hof het in dit middel bedoelde verweer niet aan te merken als een verweer dat ertoe strekt dat geen bewezenverklaring bereikt zal kunnen worden in verband met de uitleg die gegeven dient te worden aan een in de tenlastelegging opgenomen en aan de wettelijke delictsomschrijving ontleende term. Het Hof kon het verweer opvatten als een 'zuiver' bewijsverweer, ertoe strekkende dat niet te bewijzen is dat verzoeker een middel als bedoeld in art. 50, aanhef en onder b Wetboek van Strafrecht voor Aruba ter beschikking heeft gesteld. Dat verweer behoefde geen afzonderlijke verwerping daar het in de bewezenverklaring en de daartoe gebezigde bewijsmiddelen een toereikende weerlegging kan vinden.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel strekt ten betoge dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, daar uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de in de bewezenverklaring genoemde [slachtoffer] om het leven is gekomen door een schot uit het vuurwapen dat verzoeker aan de plegers heeft verschaft.

14. Het Hof kon uit de bewijsmiddelen afleiden dat verzoeker het wapen ter beschikking stelde aan personen, in de wetenschap dat het bij het begaan van - kort gezegd - de overval op de bank zou worden gebruikt. 's Hofs oordeel dat verzoeker aldus opzettelijk een middel ter beschikking heeft gesteld teneinde de uitvoering van het misdrijf mogelijk te maken is naar de eis der wet met redenen omkleed.

15. Het middel faalt.

16. Het derde middel bevat de klacht dat de tot bewijs gebezigde verklaring van verzoeker niet redengevend voor de bewezenverklaring kan zijn, of daarmee zelfs in strijd is.

17. Het komt mij voor dat de steller van het middel uit het oog is verloren dat de redengevendheid van een bewijsmiddel mede bepaald kan worden door het bewijsmiddel in verband te brengen met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Kennelijk heeft het Hof verzoekers verklaring, inhoudend dat hij de mitrailleur in bezit heeft gehad en die aan [medeverdachte 7] heeft gegeven; dat verzoeker enkele malen bij [medeverdachte 7] thuis is geweest en daar een paar Colombianen heeft gezien, en voorts dat verzoeker met [medeverdachte 7] enkele dagen voor de overval naar het huis van [medeverdachte 1] is gegaan, redengevend geacht omdat die verklaring steun kan geven aan de tot bewijs gebezigde verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5].

18. Dat oordeel is, gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat verzoekers verklaring inhoudt dat hij de mitrailleur aan [medeverdachte 7] heeft gegeven, terwijl deze [medeverdachte 7] in de bewezenverklaring niet als medepleger is genoemd. Het Hof kon verzoekers verklaring, gelet op de overige bewijsmiddelen, aldus verstaan dat verzoeker het wapen, ongeacht of dat in gezelschap of door toedoen van [medeverdachte 7] is geschied, ter beschikking heeft gesteld van degenen die de overval zouden gaan plegen.

Ook het derde middel faalt.

19. De middelen lenen zich naar mijn inzicht voor toepassing van art. 81 RO.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,