Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF5102

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2003
Datum publicatie
25-04-2003
Zaaknummer
R02/074HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF5102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 359
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 278
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 248
JWB 2003/191
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R02/074HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 21 febr. 2003

conclusie inzake

[Verzoekster]

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak, die reeds eerder in cassatie heeft gediend (zie HR 11 februari 2000, NJ 2000, 259), betreft een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk. Inzet van het onderhavige cassatiegeding is de vraag of het Hof een juiste toepassing heeft gegeven aan het grievenstelsel.

2. Voor zover thans van belang, liggen de feiten als volgt (zie r.o. 3.1 van de zojuist genoemde beschikking van de Hoge Raad).

(i) [Betrokkene 1] is op 26 maart 1992, na ontbinding van zijn eerste huwelijk door het overlijden van zijn eerste echtgenote, op 98-jarige leeftijd gehuwd met thans verzoekster van cassatie (hierna: [verzoekster]), die is geboren in 1944. Beide huwelijken zijn kinderloos gebleven.

(ii) [Verweerder] en [verzoekster] waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Op 26 of 27 maart 1992 heeft [verweerder] bij testament al zijn bestaande wilsbeschikkingen herroepen. Hij is overleden in 1994. [Verzoekster] is zijn enig erfgenaam.

(iii) [Verweerder] had drie broers, die allen zijn overleden. Via twee van die broers had [verweerder] drie neven, waaronder thans verweerder tot cassatie, [verweerder] (hierna: de neef).

3. De neef heeft zich op 24 april 1997 gewend tot de Rechtbank te Amsterdam met een verzoekschrift dat ertoe strekt dat het tussen [verweerder] en [verzoekster] gesloten huwelijk op grond van art. 1:69 lid 1 onder c BW wordt vernietigd, althans nietig wordt verklaard.

4. De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 28 januari 1998 het beroep van [verzoekster] op niet-ontvankelijkheid van de neef in diens verzoek verworpen. Op het hoger beroep van [verzoekster] heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 26 november 1998 de tussenbeschikking van de Rechtbank evenwel vernietigd en de neef alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De Hoge Raad heeft bij zijn voormelde beschikking van 11 februari 2000 op het (principaal) cassatieberoep van de neef de beschikking van het Hof vernietigd en de tussenbeschikking van de Rechtbank bekrachtigd.

5. Vervolgens heeft de Rechtbank bij tussenbeschikking van 28 juni 2000 de neef toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de geestvermogens van [verweerder] ten tijde van het sluiten van het huwelijk met [verzoekster] op 26 maart 1992 zodanig gestoord waren dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen.

6. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 17 oktober 2001 geoordeeld dat de neef in het hem opgedragen bewijs is geslaagd en het op 26 maart 1992 te Amsterdam voltrokken huwelijk tussen [verweerder] en [verzoekster] nietig verklaard.

7. [Verzoekster] is van de eindbeschikking van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij beschikking van 20 juni 2002 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd. Daartoe overwoog het Hof onder meer:

"4.2. Op 30 november 2001, derhalve binnen de appèltermijn, is het beroepschrift van appellante ter griffie van het hof binnengekomen. In dat beroepschrift kondigt appellante aan dat zij de gronden voor haar beroep nader zal aanvullen. Op 12 maart 2002 heeft zij een aanvulling van de gronden van het hoger beroep ingediend. Deze aanvullende gronden zijn na het verstrijken van de appèltermijn aangevoerd en derhalve niet-ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor de ter zitting in hoger beroep aangevoerde grief van appellante dat de rechtbank het verzoek van geïntimeerde niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat de aan dit verzoek ten grondslag liggende rechtsvordering reeds was verjaard op de datum dat het werd ingediend."

Op grond van deze overwegingen is het Hof slechts uitgegaan van hetgeen [verzoekster] in het beroepschrift d.d. 30 november 2001 tegen de bestreden beschikking van de Rechtbank heeft aangevoerd (r.o. 4.3). Daaromtrent overwoog het Hof:

"5.1. Appellante stelt in haar beroepschrift dat zij in beroep komt omdat zij, op grond van de diverse getuigenverklaringen en verklaringen van deskundigen, van mening is dat niet bewezen kan worden verklaard dat er ten tijde van de huwelijkssluiting op 26 maart 1992 sprake was van enige geestesstoornis bij haar echtgenoot, wijlen [betrokkene 1]. Voorzover in deze stelling een grief tegen de bestreden beschikking kan worden gelezen, acht het hof deze onvoldoende onderbouwd, nu appellante nalaat daarin aan te geven op welke gronden zij de uitvoerige overwegingen van de rechtbank omtrent de bewijslevering aantastbaar en onjuist acht.

5.2. In de tweede plaats stelt appellante in het beroepschrift dat de rechtbank niet is ingegaan op de inhoud van de argumenten van prof. Wagenaar zoals neergelegd in het in eerste aanleg overgelegde schrijven van zijn hand van 9 november 2001. Nu de rechtbank in haar overweging onder 4.1 uitdrukkelijk is ingegaan op het oordeel van prof. Wagenaar over het rapport van dr. Stek, oordeelt het hof dat deze grief van appellante feitelijk onjuist is en derhalve faalt."

8. [Verzoekster] is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. De neef heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

9. Onderdeel 1 van het middel keert zich in twee subonderdelen tegen hetgeen het Hof heeft overwogen en beslist in r.o. 5.1 van zijn beschikking.

10. Subonderdeel 1.a neemt tot uitgangspunt dat het Hof, door bij wege van veronderstelling aan te nemen dat in de stelling van Schiffer dat niet bewezen verklaard kan worden dat er ten tijde van de huwelijkssluiting sprake was van enige geestesstoornis bij [verweerder] een grief tegen de beschikking van de Rechtbank gelezen kan worden, deze stelling van [verzoekster] heeft aangemerkt als een niet behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grief. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel van het Hof onbegrijpelijk is.

11. De vraag of een grief kan gelden als behoorlijk in het geding naar voren gebracht, heeft twee kanten. De ene kant betreft de kwaliteit van de grief. Het gaat hier om de vraag of de grief voldoende bepaald is. Een te vage of te algemeen geformuleerde grief kan niet in behandeling worden genomen, omdat de tegenpartij dan niet weet waartegen hij zich heeft te verweren. De andere kant betreft het stadium waarin de grief naar voren dient te worden gebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt de eis dat het beroepschrift de gronden van het appel moet inhouden mee dat op na het verstrijken van de appeltermijn - bij aanvullend verzoekschrift of bij de mondelinge behandeling - aangevoerde grieven, behoudens bijzondere omstandigheden, niet mag worden gelet. Zie nader over dit een en ander H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2e dr. bew. door A. Hammerstein, 2001, nr. 25 e.v. e.v. en de aldaar vermelde rechtspraakgegevens.

12. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de bedoelde stelling van [verzoekster] op zichzelf als grief is aan te merken, maar dat deze grief niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van bepaaldheid (het kwaliteitsaspect van de vraag of een grief als behoorlijk in het geding naar voren gebracht kan gelden). Dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk: in het beroepschrift is niet aangegeven - het middel betoogt dat ook niet - waarom en in welk opzicht [verzoekster] van mening is dat de Rechtbank ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen. Subonderdeel 1.a is derhalve tevergeefs voorgesteld.

13. Subonderdeel 1.b strekt ten betoge dat het Hof, door nadere eisen te stellen aan de onderbouwing van de door [verzoekster] aangevoerde grief, zijn taak als appelrechter heeft miskend, nu [verzoekster] daarmee heeft beoogd het geschil in volle omvang - althans het bewijsoordeel van de Rechtbank - aan het Hof voor te leggen en de neef de grief ook aldus heeft opgevat.

14. Ook dit subonderdeel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het oordeel van het Hof getuigt niet van een onjuiste opvatting van zijn taak als appelrechter. Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat uit het beroepschrift moet blijken, ook als de appellant het geschil in volle omvang aan de appelrechter wil voorleggen, op welke gronden de appellant oordeelt dat de door hem bestreden beschikking onjuist is. Zie bijv. HR 6 januari 1984, NJ 1984, 397 nt. WLH en HR 8 januari 1993, NJ 1993, 299 nt. HER.

15. Onderdeel 2 van het middel neemt in drie subonderdelen stelling tegen het oordeel van het Hof - in r.o. 4.2 - dat na de appeltermijn door [verzoekster] aangevoerde aanvullende gronden niet-ontvankelijk zijn.

16. Subonderdeel 2.a klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn taak als appelrechter heeft miskend door buiten beschouwing te laten hetgeen door [verzoekster] in het aanvullend beroepschrift en ter mondelinge behandeling is aangevoerd. Het subonderdeel betoogt dat het Hof had moeten onderzoeken of en in hoeverre hetgeen door [verzoekster] in het aanvullend beroepschrift en ter mondelinge behandeling is aangevoerd kan gelden als uitwerking en toelichting op de klachten in het beroepschrift van 30 november 2001.

17. Het subonderdeel verliest uit het oog dat uit het beroepschrift moet blijken op welke gronden de appellant van mening is dat de door hem bestreden beschikking onjuist is. Nu het Hof - in cassatie tevergeefs bestreden - heeft geoordeeld dat [verzoekster] in haar beroepschrift slechts te kennen heeft gegeven dat zij de beslissing van de Rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring onjuist achtte, doch uit het beroepschrift niet kan worden afgeleid op welke gronden [verzoekster] van mening was dat die beslissing onjuist was, was het Hof bevoegd noch gehouden in te gaan op de door [verzoekster] na het verstrijken van de appeltermijn bij het aanvullend verzoekschrift en ter mondelinge behandeling aangevoerde gronden. Daarbij is van belang dat [verzoekster] blijkens de gedingstukken geen omstandigheden heeft aangevoerd die zouden meebrengen dat zich hier een geval voordoet waarin het hoger beroep ontvankelijk is, al is het ingesteld bij een beroepschrift waarin de gronden van het hoger beroep niet zijn opgenomen. Zie o.m. HR 6 januari 1984, NJ 1984, 397 nt. WLH en HR 18 oktober 1996, NJ 1998, 3. Zie voorts Ras, a.w., nr. 31 met nadere rechtspraakgegevens; A. Hammerstein, Het grievenstelsel, in: Hoger beroep in de steigers, 2003, blz. 67 e.v.; S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, blz. 49-51; J.P. Smit, Over het indienen van een appelrekest, TCR 1994, blz. 30 e.v. Het subonderdeel faalt derhalve.

18. Subonderdeel 2.b strandt op gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dat het subonderdeel veronderstelt heeft het Hof niet geoordeeld dat hetgeen door [verzoekster] in het aanvullend beroepschrift en ter mondelinge behandeling is aangevoerd niet blijft binnen de door de aanvankelijke grieven getrokken grenzen van de rechtsstrijd, doch dat de door [verzoekster] in haar beroepschrift aangevoerde grief niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet en dat de daarop gegeven aanvulling en toelichting in een te laat stadium van de procedure heeft plaatsgevonden.

19. Subonderdeel 2.c bouwt voort op de subonderdelen 2.a en 2.b en moet het lot daarvan delen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,