Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF4770

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2003
Datum publicatie
15-04-2003
Zaaknummer
01045/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF4770
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Jachtwet 1
Jachtwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 233
NJ 2003, 376
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01045/02

Mr Fokkens

Zitting: 11 februari 2003

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door de Rechtbank Roermond veroordeeld tot een geldboete van f.300,- wegens overtreding van het bij artikel 9 van de Jachtwet bepaalde.

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr J. Wouters, advocaat te Middelburg, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte bewezen heeft verklaard dat verdachte heeft gejaagd óp de onverharde naamloze weg, welke wel de Oude Herkenbosserbaan wordt genoemd, althans dat de Rechtbank de bewezenverklaring onvoldoende heeft gemotiveerd, althans dat de motivering onbegrijpelijk is.

5. Ik acht het middel niet gegrond. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft de Rechtbank kunnen afleiden dat verdachte en zijn medeverdachte hebben gejaagd vanaf de onverharde weg die ook wel de Oude Herkenbosserbaan wordt genoemd. Het eerste bewijsmiddel, een ter zitting afgelegde verklaring van verdachte, houdt in dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte in de auto op de Oude Herkenbosserbaan bevond en dat verdachte met een jachtgeweer een schot heeft gelost op een wild varken. Volgens het derde bewijsmiddel hebben de verbalisanten kort na het schot op de bodem van de auto, op de passagierszitplaats, een lege huls van een afgeschoten patroon aangetroffen. Het vierde bewijsmiddel houdt in dat de bestuurder van de auto wilde varkens op de veldweg heeft zien lopen en dat kort daarna een schot viel. Uit de bewijsmiddelen 2, 3 en 5 kan worden opgemaakt dat verdachte en zijn medeverdachte vanaf de Oude Herkenbosserbaan met de autolichten en later met losse lichtbundels over het veld hebben geschenen op zoek naar wild. Verder heeft verdachte volgens bewijsmiddel 5 tegenover de verbalisanten verklaard dat hij, toen hij een rotte varkens zag lopen, zijn geweer heeft geladen en staande "achter" het portier heeft geschoten.

6. Het middel komt erop neer dat de eventueel voor de jacht gebruikte middelen blijkens de bewijsmiddelen hun uitwerking hebben gehad op het buiten de Oude Herkenbosserlaan gelegen jachtveld - daar werd op geschenen om het wild te zoeken, daar liepen de varkens toen er werd geschoten en daar stond verdachte naar zijn zeggen toen hij schoot - en dat dus geen sprake is geweest van jagen buiten het jachtveld. Daartoe beroept de raadsman zich op het arrest van de Hoge Raad van 11 november 1929, NJ 1929, blz. 1769, waarin de Hoge Raad oordeelde:

"Wanneer iemand, terwijl een hond een perceel eikenbos afdrijft, langs de buitenkant van dat perceel met die hond oploopt, daarbij schietend op uit het eikenbos opgedreven fazanten, moet hij, nu hij aldus de verrichting van de zich op voormeld perceel bevindende hond aan zijn doel dienstbaar maakt, zijn poging tot het bemachtigen van de fazanten mede op dat perceel te hebben aangewend en dus mede op dat perceel te hebben gejaagd, al zouden de uit het eikenbos opgedreven fazanten zich op het ogenblik van het schieten niet meer op bedoeld perceel hebben bevonden."

7. Mijns inziens gaat dit bezwaar niet op, omdat het hier niet gaat om de vraag of de activiteiten van verdachte zich mede hebben uitgestrekt tot het jachtveld en hij dus mede op het jachtveld heeft gejaagd (dat was de vraag die in NJ 1929, blz. 1769 moest worden beantwoord), maar om de vraag of hij van het jagen deel uitmakende handelingen heeft verricht buiten het jachtveld. Dat laatste is immers verboden, ook als die handelingen uiteindelijk hun uitwerking zouden hebben binnen het jachtveld. Van dit laatste uitgaande is de bewezenverklaring afdoende gemotiveerd.

8. Voor zover het middel stelt dat verdachte heeft gehandeld op grond van een op hem rustende rechtsplicht, miskent het middel dat de Rechtbank dit beroep op een rechtvaardigingsgrond uitdrukkelijk gemotiveerd heeft verworpen. Het betreffende oordeel van de Rechtbank getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

9. Het middel faalt.

10. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,