Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF4323

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
08-04-2003
Zaaknummer
00664/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF4323
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 279
Wetboek van Strafvordering 287
Wetboek van Strafvordering 331
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 220
NJ 2003, 723 met annotatie van G. Knigge
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr.00664/02

Mr. Jörg

Zitting 28 januari 2003

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 3 december 2001 als zogenaamde drugsrunner veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel richt zich tegen (1) het oordeel van het hof dat aan de raadsman die niet ex art. 279 Sv gemachtigd was, geen beroep op art. 287, derde lid, onder a, Sv, toekwam, en (2) de daarmee samenhangende toepassing door het hof van het noodzaakscriterium in plaats van het redelijkheidscriterium bij de beoordeling of de zaak diende te worden aangehouden om getuigen op te roepen.

4. Blijkens het proces-verbaal van 19 november 2001 heeft het volgende plaatsgevonden nadat was vastgesteld dat verzoeker niet ter terechtzitting was verschenen:

"Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig, mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, die desgevraagd door de voorzitter mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts deelt hij mede dat hij geen contact meer met zijn cliënt heeft kunnen krijgen na 11 april 2001, dat verdachte verslaafd is en niet te vinden is, dat hij door de verdachte wel is gemachtigd hoger beroep in te stellen en het verzoek te doen om de verbalisanten Faassen en Roos als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep te doen horen.

De voorzitter deelt mede dat de raadsman geen verzoeken (in casu ex artikel 287 lid 3 onder a van het Wetboek van Strafvordering) kan doen nu hij niet is gemachtigd ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering."

5. Het hof heeft vervolgens bij verstek arrest gewezen. Blijkens het arrest heeft het hof ten aanzien van het oproepen van de door de raadsman bij brief van 13 november 2001 opgegeven getuigen, welke de advocaat-generaal bij het hof had geweigerd te doen oproepen, het volgende overwogen:

"Het hof ziet geen noodzaak om de behandeling van de zaak alsnog aan te houden, teneinde de verbalisanten als getuigen te doen horen."

6. Vooropgesteld zij dat, behoudens uitzonderlijke gevallen waarin op grond van het bepaalde in art. 6 EVRM anders moet worden geoordeeld, de raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, op de terechtzitting slechts bevoegd is het woord te voeren om de afwezigheid van de verdachte toe te lichten en om aanhouding van de behandeling van de zaak te verzoeken met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld (HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77, m.nt. JR; vgl. HR 12 november 2002, LJN: AE9028 en HR 23 april 2002, NJ 2002, 338, m.nt. Sch.).

7. Volgens de steller van het middel is in deze zaak sprake van een uitzonderlijk geval als hierboven bedoeld. Het middel verwijst daarvoor naar mijn conclusie voor HR 23 april 2002, NJ 2002, 338, waarin ik opmerkte dat het mij niet uitgesloten leek dat als een zodanig geval dient te worden beschouwd de veroordeling bij verstek gevolgd door betekening van de dagvaarding in hoger beroep aan de griffier wegens "zonder vaste woon- of verblijfplaats".

8. De klacht faalt reeds omdat de Hoge Raad mijn mening op dit punt niet deelde. Daarnaast kan ik de steller van het middel niet volgen in zijn oordeel dat het onderhavige geval vergelijkbaar is. In casu heeft de procedure in eerste aanleg op tegenspraak plaatsgevonden. Op die terechtzitting (van 11 april 2001) waren zowel verzoeker als zijn raadsman, mr. Crepin - dezelfde die vervolgens hoger beroep instelde en in hoger beroep aanwezig was ter terechtzitting van 19 november 2001 - aanwezig. De dagvaarding in hoger beroep is betekend aan het adres waar verzoeker volgens de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven. Dat verzoeker regelmatig ging "zwerven" en dan niet bereikbaar was voor zijn raadsman, doet aan het voorgaande niet af. Sterker nog, nu de raadsman van verzoeker daarmee reeds bekend was tijdens de procedure in eerste aanleg, had het op zijn weg gelegen duidelijke afspraken te maken over de reikwijdte van de machtiging ten behoeve van de procedure in hoger beroep.

9. Opvallend is vervolgens dat ondanks het feit dat verzoeker volgens mededeling van zijn raadsman op 19 november 2001 'niet te vinden is', blijkens de akte beroep in cassatie van 17 december 2001 de raadsman wèl door verzoeker is gemachtigd om beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 3 december 2001.

10. Gelet op het feit dat de procedure in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, de dagvaarding in hoger beroep is betekend aan het GBA-adres van verzoeker en de raadsman van verzoeker ermee bekend was dat verzoeker regelmatig ging zwerven en dan onbereikbaar was, komt het mij voor dat van een uitzonderlijk geval geen sprake was. De raadsman was dan ook slechts bevoegd het woord te voeren om de afwezigheid van de verdachte toe te lichten en om aanhouding van de behandeling van de zaak te verzoeken met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als bedoeld in art. 279 Sv. Overigens blijkt uit het proces-verbaal van 19 november 2001 niet, anders dan uit de toelichting op het middel lijkt te volgen, dat de raadsman daadwerkelijk om een dergelijke aanhouding heeft verzocht.

11. Het oordeel van het hof, dat de raadsman niet ex art. 279 Sv was gemachtigd zodat hij geen beroep op art. 287, derde lid, onder a, Sv kon doen, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is tevens niet onbegrijpelijk.

12. Voor zover het middel stelt dat nu de raadsman aanvankelijk uitdrukkelijk was gemachtigd de verdediging in hoger beroep te voeren, het ontbreken van een nadere machtiging verzoeker niet zou mogen worden tegengeworpen, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het middel doet voorkomen heeft de raadsman - zoals blijkt uit het proces-verbaal van 19 november 2001 - immers zelf verklaard dat de aanvankelijke machtiging zich niet uitstrekte tot het voeren van de verdediging in hoger beroep, doch slechts tot bepaalde handelingen voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep.

13. Gelet op het bovenstaande heeft het hof verzoeker in strijd met het wettelijk systeem in de gelegenheid gesteld te verzoeken de behandeling van de zaak aan te houden om getuigen te horen. Voor zover het middel 's hofs afwijzing van dit verzoek ter discussie stelt, moet het buiten bespreking blijven.

14. Het middel faalt in al zijn onderdelen en leent zich voor toepassing van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG