Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF4265

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2003
Datum publicatie
15-04-2003
Zaaknummer
00247/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF4265
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

15 april 2003 Strafkamer nr. 00247/02 LR/IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 mei 2001, nummer 20/001423-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats] (Luxemburg), zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de aanzegging in cassatie gedetineerd in "Penitentiaire Inrichting Huis van Bewaring De Boschpoort" te Breda. 1. De bestreden uitspraak ...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 51a
Wetboek van Strafvordering 51c
Wetboek van Strafvordering 51e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 230
NJ 2003, 377
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00247/02

Mr Wortel

Zitting: 14 januari 2003

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het hem onder 5 tenlastegelegde, en wegens 1 "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij van bedoelde organisatie oprichter was", 2 "bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", 3 "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en 4 "als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedriegelijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft het Hof de benadeelde partij in één vordering niet-ontvankelijk verklaard en diens andere vordering toegewezen tot een bedrag van f 49.350,=. Tevens heeft het Hof terzake van dat bedrag een betalingsverplichting als bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd, met de bepaling dat het voldoen aan één van deze betalingsverplichtingen de andere in zoverre zal doen vervallen.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.F.Th.M. Heutink, advocaat te Gennep, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel valt uiteen in een drietal grieven die alle betrekking hebben op de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Ik merk daarbij op dat het middel zich niet keert tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in art. 36f Sr, terzake van het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen. Het middel roept, naar de letter genomen, daarom de vraag op of verzoeker wel belang heeft bij de namens hem voorgestelde klachten. Ten aanzien van de schade waarvoor verzoeker, naar het Hof heeft vastgesteld, volgens burgerlijk recht aansprakelijk is zou verzoeker immers, ook indien de opgeworpen klachten geheel of ten dele doel treffen, gehouden blijven te voldoen aan de betalingsverplichting jegens de Staat die hem ten behoeve van het slachtoffer is opgelegd.

Nu art. 36f Sr in het middel is aangehaald als één der geschonden bepalingen is het naar mijn inzicht aangewezen de eerste twee klachten aldus te verstaan dat daarin ook wordt opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat verzoeker naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan door het onder 2 bewezenverklaarde feit, en deswege de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

4. Ten laste van verzoeker is onder 2 bewezenverklaard dat:

"[A] B.V. op meerdere tijdstippen in de periode van 17 juni 1996 tot en met 25 oktober 1996 in de gemeenten Venlo en/of Grave, terwijl [A] B.V. bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 september 1996 in staat van faillissement is/was verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,

- lasten tot een bedrag van f. 170.000,00, middels twee valse vorderingen van [B] B.V. op [A] B.V., verwoord in de rekeningen nr. [001] en [002] d.d. 30-08-96 verdicht en

- een hoeveel geld aan de boedel onttrekt, hierin bestaande dat een aantal door of namens [B] B.V. aan [verdachte] verstrekte bedragen door voornoemde [verdachte] niet ten behoeve van [A] B.V. of de schuldeisers van die B.V. zijn aangewend/gebruikt,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven."

5. Voor zover thans van belang is in de bestreden uitspraak ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij - als hoedanig in het voegingsformulier als bedoeld in art. 51b Sv is genoemd: de boedel van [A] B.V., gefailleerd op 11 september 1996 - het navolgende overwogen:

"Mr. Müller, curator van de gefailleerde besloten vennootschap [A] B.V. vordert - kort gezegd - de rechtstreekse schade die door de gezamenlijke schuldeisers geleden is als gevolg van feit 2 (bedriegelijke bankbreuk door de vennootschap, waarvaan de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven).

Civielrechtelijk gezien levert de genoemde bankbreuk geen onrechtmatige daad op jegens de gefailleerde besloten vennootschap, omdat zij de daad rechtens zelf verricht heeft, maar wel jegens de benadeelde gezamenlijke schuldeisers. De vraag is dan of de curator bevoegd is zich te voegen op grond van art. 51a Wetboek van Strafvordering.

Bij de beantwoording van deze vraag acht het hof het volgende van belang.

Uit de tekst van en wetsgeschiedenis op artikel 51a Wetboek van Strafvordering blijkt dat de wetgever beoogd heeft de positie van slachtoffers van strafbare feiten te verbeteren door slachtoffers op een eenvoudige, goedkope en snelle manier de gelegenheid te bieden hun civiele vordering te innen. Bij de beoordeling van de gegrondheid van de vordering is uitgangspunt dat de strafrechter het civiele aansprakelijkheidsrecht toepast, met inachtneming van enkele strafvorderlijke bijzonderheden die met name tot doel hebben de strafzaak niet te zeer op te houden met debatten over ingewikkelde civielrechtelijke (bewijs) aangelegenheden.

Op grond van het bovenstaande zal het hof voor de beantwoording van de hierboven genoemde vraag aansluiting zoeken bij de rechtspraak van de civiele rechter. Ter zake is het vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de curator bevoegd is een vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen tegen een derde (i.c. de verdachte) die heeft meegewerkt aan benadeling van de schuldeisers door de gefailleerde (de vennootschap), ook al kwam een dergelijke vordering niet aan de gefailleerde zelf toe, en ook al had de curator geen bijzondere proces- of incassovolmacht van de benadeelde crediteuren verkregen, zoals in deze zaak.

De conclusie van het hof is dan ook dat de curator zich kan voegen in deze strafzaak ter zake van een vordering tot schadevergoeding ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.

De beoordeling

De vordering ten bedrage van fl. 49.350,-- is naar het oordeel van het hof door de verdediging onvoldoende onderbouwd betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering is voor toewijzing vatbaar, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, met dien verstande dat indien en voorzover de mededader van verdachte aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd. (...)"

6. Het dictum van het arrest houdt voorts nog in dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering ten bedrage van f 49.170,=, kennelijk omdat het Hof de vordering in dit onderdeel, evenals de Rechtbank, niet zó eenvoudig van aard heeft geacht dat zij in het strafgeding aan de orde kan komen.

7. De eerste grief keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de curator zich als benadeelde partij in het strafgeding kan voegen. Daartoe wordt een beroep gedaan op HR NJ 1966, 292 en op hetgeen in navolging van dat arrest aan de orde is gekomen bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat de zogenaamde Wet Terwee (Stb 1993, 29) heeft opgeleverd.

In het bedoelde arrest is door Uw Raad beslist dat de verzekeraar die in de rechten van het slachtoffer van een misdrijf is getreden niet is aan te merken als degene die rechtstreeks de door het feit toegebrachte schade heeft geleden, zodat die verzekeraar zich niet als beledigde (thans: benadeelde) partij in het strafgeding kan voegen.

8. Uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden dat de door het Hof toegewezen vordering betrekking heeft op schade die is ontstaan door het onttrekken van baten aan de boedel van [A] B.V. Die onttrekking is als volgt in zijn werk gegaan. [A] B.V. had vorderingen ter waarde van ruim fl 200.000,= op [B] B.V. In het zicht van het faillissement van [A] B.V. heeft verzoeker, als feitelijk leidinggevende van deze vennootschap, bij [B] aangedrongen op spoedige betaling van de nog openstaande vorderingen, waarbij verzoeker evenwel beoogde die betalingen niet in de boedel van [A] B.V. terecht te doen komen. Daartoe werd met [B] B.V. overeengekomen dat het met behulp van een tweetal valse facturen zou worden voorgesteld alsof een groot deel van de vordering op dat bedrijf werd verrekend met vorderingen, tot een bedrag van in totaal fl 170.000,=, die [B] op [A] zou hebben. Het toen in deze onjuiste voorstelling van zaken nog openstaande bedrag van fl 50.000,= werd in gedeelten betaald, deels door storting op de rekening van [A] B.V. en deels door contante betaling aan verzoeker. Voor zover de vordering van de benadeelde partij op dat bedrag betrekking heeft is zij daarin niet ontvankelijk verklaard.

9. Daarnaast diende [B] echter nog de - in werkelijkheid nog openstaande - rekening van f 170.000,= zo veel mogelijk te voldoen. Met het oog daarop heeft verzoeker aan [B] een factuur ter waarde van fl 49.350,= gepresenteerd, als betrof het een vordering van [C] B.V., een ander bedrijf van verzoeker. Die 'vordering' is door [B] B.V. voldaan door contante betaling aan verzoeker op 25 oktober 1996, derhalve nadat het faillissement van [A] B.V. was uitgesproken.

10. De positie van de curator in verband met de vordering waarmee hij zich in dit strafgeding heeft gevoegd waardeer ik anders dan in deze grief wordt voorgestaan.

Naar mijn inzicht moet worden aangenomen dat de curator in deze optreedt als de wettelijke vertegenwoordiger van de gefailleerde vennootschap. Op grond van de bepalingen van de Faillissementswet is de failliet immers niet zelf bevoegd tot het indienen van vorderingen als de onderhavige. Zulke rechtshandelingen kan alleen de curator, optredend voor de failliet, verrichten.

11. Anders dan in dit middelonderdeel wordt gesteld is de curator dan ook niet te beschouwen als rechtsopvolger van degene die (als rechtstreeks gevolg van het feit) de schade heeft geleden. De curator treedt slechts op namens de benadeelde partij omdat deze dat niet zelf kan of mag doen. Een strafvorderlijke grondslag voor het optreden van de curator als benadeelde partij is, dunkt mij, te vinden in art. 51c Sv. Daar is bepaald dat degenen die vertegenwoordigd moeten worden teneinde in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, zodanige vertegenwoordiging evenzeer behoeven om zich als benadeelde partij in het strafproces te kunnen voegen. De curator - die op grond van art. 68 Faillissementswet is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel - is in dit opzicht te vergelijken met de ouders of voogd van een minderjarig slachtoffer. Ook dat minderjarig slachtoffer is niet zelfstandig bevoegd zich als benadeelde partij in een strafgeding te voegen, maar dient als zodanig vertegenwoordigd te worden door de ouders of de voogd.

12. Van een vorm van subrogatie of cessie van de vorderingen die de failliete rechtspersoon op verzoeker heeft is derhalve naar mijn inzicht, wederom anders dan in dit middelonderdeel wordt gesteld, geen sprake. Reeds daarom gaat de verwijzing naar de verzekeringsmaatschappij die zich, na vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade, met een vordering in het strafgeding zou willen voegen niet op.

13. Aan het voorgaande doet naar mijn oordeel voorts niet af dat faillissementscuratoren uit hoofde van hun taak beschikken over mogelijkheden om zich tot de civiele rechter te wenden teneinde goederen en gelden in de boedel terug te doen vloeien, zoals verzekeraars de middelen hebben om zich tot de civiele rechter te wenden om verhaal te zoeken voor de uitkeringen die zij hebben gedaan. Opmerking verdient dat de kosten die gemoeid zijn met een namens de boedel ingestelde procedure (waarvan de honorering van de curator zelf een niet onaanzienlijk deel zal vormen) ten laste van die boedel komen. Het daarin uiteindelijk resterend nadeel, voor zover het schade betreft die rechtstreeks door een strafbaar feit is veroorzaakt, kan groter worden door de noodzaak civiele procedures te voeren. Dat nadeel komt ten laste van de gezamenlijke schuldeisers. Ook in dit opzicht gaat de vergelijking met verzekeraars mank. In de beschikbaarheid van civiele rechtsmiddelen zie ik daarom geen aanleiding om de faillissementscurator, optredend als wettelijk vertegenwoordiger van de failliet, de mogelijkheid te ontzeggen een voldoende eenvoudig te beoordelen vordering met betrekking tot door strafbare feiten aan de boedel toegebrachte schade aan de strafrechter voor te leggen.

14. De omstandigheid, waarop in dit middelonderdeel wordt gewezen, dat er op de vorderingen van [A] B.V. een (geopenbaard) pandrecht van de Rabobank te Lisse rustte kan naar mijn mening geen beletsel zijn om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen. De openbaarmaking van dat pandrecht brengt niet zonder meer mee dat de verpande vorderingen uit de boedel verdwijnen. Als pandhouder kan de bank zich in de eerste plaats wenden tot de schuldenaren van de failliete B.V., waaronder [B] B.V., maar dat laat onverlet dat zij zich, voor zover haar eigen vorderingen op de failliete vennootschap langs die weg niet kunnen worden geïnd, tot de failliete boedel wendt. Het is ook in het belang van de bank als pandhouder dat gelden die in de boedel thuishoren door de inspanningen van de curator daarin terugkeren, waaraan niet afdoet dat de pandhouder zich als separatist niets van de concurrente schuldeisers hoeft aan te trekken en voorrang krijgt boven die andere schuldeisers.

15. De curator treedt in die zin ten behoeve van de schuldeisers op, dat hij in het belang van alle (bevoorrechte en concurrente) schuldeisers handelt door op verzoeker verhaal te halen voor het geld dat verzoeker aan de boedel heeft onttrokken. Daarom meen ik, wat deze grief betreft, niet dat 's Hofs overweging dat de curator zich "ten behoeve van de gezamenlijk schuldeisers" in deze strafzaak kan voegen met een vordering tot schadevergoeding blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is.

16. De eerste grief is naar mijn inzicht tevergeefs voorgesteld.

17. De tweede grief houdt in dat de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft op schade die zij heeft geleden ten gevolge van het opmaken en gebruiken van een valse factuur, terwijl dat feit niet tenlastegelegd of bewezenverklaard is.

18. De grief berust op een onjuiste lezing van de vordering. De vordering berust op het verwijt dat verzoeker baten heeft onttrokken aan de boedel van de failliet door, met gebruikmaking van een valse factuur, een betaling door een debiteur van [A] B.V. ([B]) niet ten gunste van de boedel van de inmiddels failliete B.V. en haar schuldeisers te laten komen. Dat levert, zoals onder 2 is bewezenverklaard, het strafbare feit van bedrieglijke bankbreuk op. 's Hofs oordeel dat het gevorderde bedrag als rechtstreekse door dat feit geleden schade kan worden aangemerkt, getuigt naar mijn inzicht niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

19. De tweede grief faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

20. De derde grief bevat de klacht dat het Hof de onderhavige vordering ten onrechte heeft aangemerkt als voldoende eenvoudig van aard, tegen de achtergrond van het omvangrijke dossier en hetgeen door de verdediging met betrekking tot de vordering is aangevoerd.

21. Het oordeel van het Hof dat de vordering van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor afdoening door de strafrechter is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Die toets kan 's Hofs oordeel doorstaan, mede gelet op de bekennende verklaring van verzoeker. De omstandigheid dat sprake is van een zeer omvangrijk dossier, waaraan vele aspecten kleven, maakt dat niet anders, evenmin als de enkele betwisting van een vordering.

22. De in dit middelonderdeel opgenomen stelling dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep het verweer heeft gevoerd dat hij bewijs kan leveren van de omstandigheid dat de aan verzoeker betaalde gelden aan de failliete vennootschap ten goede zijn gekomen, omdat hij met dat geld de leverancier van brandstof voor de vrachtwagens heeft betaald, mist bovendien feitelijke grondslag.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman slechts opgemerkt dat hij niet kon zeggen welk deel van het bedrag is gebruikt voor de betaling van brandstof, dat dit zou moeten blijken uit documenten die bij de leverancier liggen, en dat er bovendien nog geld is besteed aan de betaling van salarissen. Mij dunkt dat zodoende niet een toereikend onderbouwd bewijsaanbod is gedaan.

23. Bovendien zou ik menen dat de stelling dat door verzoeker in ontvangst genomen geld aan de vennootschap ten goede zou zijn gekomen niet ter zake kan zijn voor de gegrondheid van de vordering van de benadeelde partij. Het gaat immers niet aan om baten die in de boedel van de failliete vennootschap hadden moeten vloeien en aldaar verantwoord hadden moeten worden aan te wenden om vorderingen van schuldeisers buiten die boedel om te voldoen. De in deze grief bedoelde, in feitelijke aanleg betrokken, stelling kan niet wegnemen dat de desbetreffende gelden aan de boedel zijn onttrokken.

24. Naar mijn oordeel vertoont de bestreden uitspraak geen motiveringsgebrek doordat het Hof geen verdere overwegingen heeft gewijd aan het hier bedoelde betoog van de raadsman.

25. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,