Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF3806

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-05-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
C02/017HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF3806
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Pachtwet 9, geldigheid: 2003-05-02
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2003-05-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 261
JWB 2003/204

Conclusie

Zaaknr. C02/017HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 24 januari 2003

Conclusie inzake

Hobaho BV

eiseres tot cassatie

tegen

1. de vennootschap onder firma [A]

2. [Verweerder 2]

3. [Verweerster 3]

4. [Verweerder 4]

verweerders in cassatie

Feiten en procesverloop

1. De eiseres tot cassatie, Hobaho, exploiteert een bedrijf dat, althans mede, werkzaam is als bemiddelaar in de (sier)teeltsector. De verweerders in cassatie, samen aan te duiden als "[verweerders]" zijn betrokken bij (een onderneming die zich bezighoudt met) de teelt van peen. Hobaho heeft gedurende een aantal jaren tussen [verweerders] en diverse landeigenaren bemiddeld bij het tot stand brengen van "landhuurovereenkomsten" voor los land, dat voor de teelt van peen gebruikt zou worden.

Het geschil tussen partijen gaat er - kort gezegd - over of Hobaho door haar aan [verweerders] voorgeschoten en aan de landeigenaren (door)betaalde bedragen kan terugvorderen op grond van de tussen Hobaho en [verweerders] totstandgekomen bemiddelingsovereenkomsten, dan wel of art. 9 van de Pachtwet ("Pw") daaraan in de weg staat.

2. Ik zeg maar meteen dat de beoordeling van de zaak wordt bemoeilijkt doordat de rechtsverhouding van partijen verre van eenduidig is; wat ongetwijfeld de verklaring betekent voor het feit dat ook de stellingen van partijen daarover de nodige vragen oproepen, en voor het feit dat rechtbank en hof zichtbaar geworsteld hebben met het vinden van de aan die rechtsverhouding te geven uitleg.

3. Het hof heeft voor de relevante feiten verwezen naar de rov. 1.1 - 1.6 van het in eerste aanleg gewezen eindvonnis(1). Die feiten komen erop neer dat Hobaho heeft bemiddeld bij een (aanzienlijk) aantal "huurovereenkomsten"(2), en in het kader van die activiteit door [verweerders] verschuldigde bedragen aan landeigenaars heeft uitbetaald en voorgeschoten. [Verweerders] hebben Hobaho in mei 1995 om uitstel van (terug)betaling verzocht, maar uiteindelijk de op de voet van de bedoelde overeenkomsten verschuldigde bedragen (gedeeltelijk) niet betaald. Hobaho vordert thans het onbetaald gebleven bedrag. Een reconventionele vordering van [verweerders], wordt in cassatie niet meer aan de orde gesteld.

4. [Verweerders] hebben verweer gevoerd. In cassatie gaat het vooral om het verweer dat, nu de overeenkomsten ingevolge welke [verweerders] tot betaling werden aangesproken moesten worden gekwalificeerd als pachtovereenkomst(en), art. 9 Pw aan het vorderen van die betaling in de weg stond: de betreffende overeenkomsten zijn namelijk, voorzover ten processe gebleken, nooit bij de Grondkamer aangemeld en (dus ook nooit) door de Grondkamer goedgekeurd.

Hobaho heeft van haar kant dat verweer bestreden, met een betoog dat er in de kern in bestaat dat haar vordering niet berustte op de (pacht)overeenkomsten tussen [verweerders] en de landeigenaars, maar op de tussen haar, Hobaho, en [verweerders] aangegane bemiddelingsovereenkomst(en). Voor die overeenkomst(en) is het aan art. 9 Pw ontleende beletsel - volgens Hobaho - niet van toepassing.

5. De rechtbank heeft in het eindvonnis in de eerste aanleg het zojuist summier weergegeven betoog van Hobaho als gegrond beoordeeld. In appel kwam het hof daarentegen tot de uitkomst dat de rechtsverhouding van Hobaho en [verweerders] wèl door de regel van art. 9 Pw werd bestreken; wat moest leiden tot afwijzing van de conventionele vorderingen van Hobaho.

Het is dit oordeel dat door Hobaho (tijdig en regelmatig in cassatie gekomen) in cassatie wordt bestreden. Daarbij sluit het middel aan op het zojuist weergegeven verweer, namelijk: de rechtsverhouding van partijen wordt beheerst door (een) bemiddelingsovereenkomst(en), waarvoor het beletsel van art. 9 Pw niet geldt.

Namens [verweerders] is tot verwerping geconcludeerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Voor Hobaho is ook gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

6. Zoals ik in alinea 2 al kort aangaf, vind ik de rechtsverhouding waar het in deze zaak om gaat verre van eenduidig.

Duidelijk is wel dat Hobaho een rol als bemiddelaar heeft gespeeld, maar de omvang van die rol en de rechtsverhouding die daaruit is voortgevloeid kan men op veel verschillende manieren duiden. Iets dergelijks is overigens, als het om de verhuur van onroerend goed gaat, minder uitzonderlijk dan men misschien zou verwachten. Ook in de professionele woninghuur-sector komt het bijvoorbeeld regelmatig voor dat tussenpersonen optreden die soms zelf de plaats van de verhuurder innemen, maar ook wel als diens vertegenwoordiger optreden, en/of als betaaladres en/of incassogemachtigde, en/of als "beheerder" (in dit verband een aanduiding voor degene die ermee belast is, voor de dagelijkse goede gang van zaken te zorgen). Ook in dergelijke verhoudingen rijst dan met enige regelmaat de vraag, hoe de positie van de tussenpersoon precies geduid moet worden(3).

7. De "moeilijkheidsgraad" in de onderhavige zaak wordt verhoogd doordat - althans mij - niet bepaald helder is, of Hobaho moet worden aangemerkt als opdrachtneemster c.q. vertegenwoordigster van de eigenaren, of (tevens) als opdrachtneemster c.q. vertegenwoordigster van [verweerders], of als "zelfstandig tussenpersoon", al-dan-niet met een of meer uitvoerende taken (zoals de incasso van vervallende contractstermijnen). Dit is overigens slechts een greep uit de denkbare mogelijkheden(4).

8. Wanneer men Hobaho (vooral of mede) zou aanmerken als opdrachtneemster c.q. vertegenwoordigster van [verweerders], laat zich op aannemelijke gronden verdedigen dat de door Hobaho voorgeschoten betalingen moeten worden aangemerkt als voor rekening van [verweerders] gedane betalingen waardoor de desbetreffende pachtsommen zijn gekweten; en dat de betalingsverplichting tussen Hobaho en [verweerders] dan los mag worden beoordeeld van de pachtovereenkomsten, als een uitvloeisel van de opdracht-verhouding (of dergelijke) tussen [verweerders] en Hobaho. Ziet men Hobaho daarentegen vooral als opdrachtneemster (of dergelijke) van de eigenaren, aan wie onder andere de incasso van de overeengekomen huur of pacht was overgelaten, dan ligt de zojuist gesuggereerde uitleg van de rechtsverhouding juist niet in de rede. Beoordeelt men Hobaho als een zelfstandige actor met eigen belangen in de verhouding tussen de drie (groepen van) partijen, dan komt men ook eerder tot de andere uitkomst(5).

9. Dat hierdoor de moeilijkheidsgraad van de zaak groter wordt, is intussen vooral waar als het om de feitelijke waardering van de voor de rechtsverhouding bepalende factoren gaat (en daar hebben rechtbank en hof, zoals ik al zei, ook zichtbaar mee geworsteld). In cassatie kan een dergelijke feitelijke waardering niet plaatsvinden. Dat maakt beoordeling van de zaak wat minder moeilijk dan in de feitelijke instanties.

10. Terwijl de rechtbank de rechtsverhouding tussen [verweerders] en Hobaho(6) heeft opgevat ongeveer zoals dat in de eerste in alinea 8 hiervóór voorgestelde variant is gedaan - namelijk als een waarin de door Hobaho gedane betalingen aan [verweerders] mochten worden toegerekend omdat Hobaho voor [A] heeft bemiddeld, in naam van [A] heeft betaald, en [A] volledig op de hoogte was van de transacties en van de wijze waarop deze zouden worden afgewikkeld (ik denk dat de rechtbank dan vooral de voorgeschoten betalingen op het oog heeft), heeft het hof de rechtsverhouding nu juist uitgelegd als een waarin Hobaho als betaal-intermediair optrad in het kader van de relatie tussen [verweerders] en de eigenaars. In die laatste relatie - te weten: een reeks pachtovereenkomsten - konden [verweerders] zich op toepasselijkheid van art. 9 Pw beroepen. Het feit dat Hobaho daarin een rol als intermediair vervulde doet daar niet aan af. Hobaho's aanspraken jegens [verweerders] bleven dan immers gelden als aanspraken die namens de eigenaren geldend werden gemaakt, en niet als aanspraken van Hobaho uit eigen hoofde, krachtens een titel die van de rechtsverhouding met de eigenaren onderscheiden mag worden.

11. Bij een bepaald niet eenduidige rechtsverhouding als de onderhavige zou het mij moeilijk vallen, de ene uitleg - van de rechtbank - als plausibeler aan te wijzen dan de andere - van het hof -, of omgekeerd.

Het doet er intussen weinig toe of ik de ene uitleg plausibeler vindt dan de andere: deze uitleg berust, zoals ik al aangaf, in overwegende mate op waardering van de feiten en omstandigheden van dit geval, en is dus niet aan toetsing in cassatie onderworpen. Dat de door het hof gevonden uitleg in het licht van de stellingen van partijen onbegrijpelijk zou zijn, zoals in het middel (zij het met een minimum aan nadere onderbouwing) wordt aangevoerd, ben ik met de steller daarvan geheel oneens. Ik liet al blijken dat het mij moeilijk lijkt om in de merkwaardige verhouding die in deze zaak aan de orde is tot een steekhoudende uitleg te komen; maar dat is niet, omdat daarvoor logische of juridische problemen moeten worden overwonnen, maar omdat de feiten zich voor zo veel, ieder voor zich verdedigbare uitlegvarianten lenen. De keuze die het hof daarbij gemaakt heeft lijkt mij alleszins acceptabel - waaraan niet afdoet dat andere keuzes op grond van argumenten van vergelijkbaar gewicht, goed verdedigd konden worden.

12. Aan de hand van deze beschouwingen kom ik ertoe, het cassatiemiddel als ongegrond te beoordelen. Anders dan onderdeel 1 poneert, heeft het hof de rechtsverhouding tussen Hobaho en [verweerders] zo uitgelegd, dat bepalingen uit de Pw daarvoor wèl doorslaggevend konden zijn; voor onderdeel 2 geldt hetzelfde, met de toevoeging dat de eventuele toepasselijkheid van Hobaho's Algemene Voorwaarden niet tot een andere uitleg van de rechtsverhouding dwingt, en ook niet noodzakelijkerwijs afdoet aan de werking van art. 9 Pw; (ook) de onderdelen 3 en 4 zien eraan voorbij dat het hof, althans in mijn lezing van het bestreden arrest, wel degelijk (ook) de rechtsverhouding tussen Hobaho en [verweerders] heeft beoordeeld - alleen op een wezenlijk andere manier dan namens Hobaho was verdedigd.

Hoe het hof die verhouding heeft beoordeeld is, vanwege de sterk feitelijke inslag van die beoordeling, in cassatie niet opnieuw ter discussie te stellen; en zoals ik al liet doorschemeren, zie ik niet in dat de door het hof gevonden uitleg minder aannemelijk is dan andere denkbare uitlegvarianten, en dan met name: dan de namens Hobaho verdedigde uitlegvariant.

13. Onderdeel 5 neemt tot uitgangspunt dat het risico van non-betaling door [verweerders], bij Hobaho gelegd zou worden. Ik vind in de stukken geen feitelijke steun voor dit gegeven. Het hof heeft (en dit is in cassatie niet bestreden) geoordeeld dat met het oog op art. 9 Pw de pachtsommen niet van [verweerders] gevorderd konden worden zo lang geen goedkeuring van de Grondkamer was (gevraagd en) verkregen. In zoverre liep degene die die pachtsommen toch van [verweerders] wilde invorderen inderdaad een "risico" - maar dat is niet wat het middelonderdeel op het oog heeft. Dat is immers een directe consequentie van de door het middel niet bestreden regel van art. 9 Pw.

14. Als ik het goed begrijp is het risico dat het middelonderdeel op het oog heeft, het risico dat Hobaho er misschien niet in zal slagen de "voorgeschoten" gelden (zo nodig) van de eigenaren terug te vorderen. Of dat risico groot of klein is (of non-existent) kan niet beoordeeld worden, omdat daarover nog niets gesteld was. Ik beschouw het beroep daarop dus als een ongeoorloofd novum.

15. Intussen ligt het volgens mij bepaald niet in de rede dat dit "risico", als daarvan al sprake is, beter voor rekening van [verweerders] had kunnen worden gebracht. [Verweerders] zouden daardoor alsnog bedragen moeten betalen, overeenkomend met de pachtsommen waarvoor de wet thans invordering verbiedt - én, voeg ik toe, waarvan bepaald niet denkbeeldig is dat [verweerders] die in het geheel niet verschuldigd waren (bijvoorbeeld omdat goedkeuring van de Grondkamer niet slechts niet verkregen was, maar desgevraagd zou zijn onthouden(7)). Alleen al omdat die uitkomst (overigens: ook in dat opzicht bieden de stukken feitelijk nauwelijks houvast) mij bepaald onaannemelijk lijkt, onderschrijf ik de beslissing van het hof, dat redelijkheid en billijkheid geen beletsel vormen voor het beroep dat [verweerders] op art. 9 Pw doen. Als hier al van een risico sprake is, zijn er geen klemmende argumenten waarom dat risico, in weerwil van het toepasselijke dwingende recht, alsnog bij [verweerders] geplaatst zou behoren te worden.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zoals hierna, met name in alinea 10 (voetnoot 5) zal blijken, zijn er ook andere vaststellingen uit dit vonnis van belang; maar zoals daar tevens zal worden besproken denk ik dat het hof die vaststellingen van de rechtbank niet heeft gevolgd.

2 Ik ontleen de aanhalingstekens aan rov. 1.1 van het vonnis. Die aanhalingstekens zijn vermoedelijk ingegeven door het feit dat de betreffende overeenkomsten, naar onbestreden vaststaat, niet als huurovereenkomsten maar als pachtovereenkomsten moeten worden aangemerkt.

3 Een voorbeeld levert HR 3 mei 1992, NJ 1992, 229

4 Zoals de mogelijkheid dat Hobaho als zaakwaarnemer (van [verweerders], van de eigenaren - of van beiden?) zou moeten worden beschouwd. Het hof heeft in rov. 3 ook de benaming "zaakwaarnemer" gebruikt. Ik denk overigens dat het hof daarmee niet de in de art. 6:198 e.v. BW geregelde rechtsfiguur heeft bedoeld, maar heeft gedacht aan de in het spraakgebruik ook wel voorkomende betekenis van de opdrachtnemer, die men met de waarneming van (een deel van) zijn zaken belast (de "beheerder" die ik eerder aanwees kan men als een dergelijke "zaakwaarnemer" beschouwen). Aangezien het middel de vraag of het hof Hobaho als "zaakwaarnemer" in de zin van de art. 6:198 e.v. heeft aangemerkt of had moeten aanmerken (wat mij dus, als gezegd, niet aannemelijk lijkt) niet aan de orde stelt, zal ik op de aspecten die die vraag zou kunnen oproepen verder niet ingaan.

5 Ter nadere illustratie van de uitlegproblemen waarvoor de rechter in deze zaak geplaatst werd wijs ik erop dat namens Hobaho in de conclusie van repliek in eerste aanleg, alinea 6, is gesteld dat zij de voorschotbetalingen aan de landeigenaren "uit commerciële en coulance overwegingen" deed. Dat laat een maximum aan ruimte om te raden, welke titel aan deze betalingen ten grondslag lag.

6 In de rov. 3.1 en 3.2 van het eindvonnis van 19 januari 2000.

7 Ik vind voor deze gedachte enige steun in alinea 10, tweede subalinea, van de pleitnotities namens [verweerders] in appel.