Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF3334

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-03-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
00630/02 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF3334
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer 9.1f
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.9
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 13.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 138
NJ 2003, 526
M en R 2003, 98K
Milieurecht Totaal 2003/5182
JM 2003/71 met annotatie van Koopmans
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00630/02 E

Mr Wortel

Zitting: 14 januari 2003

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot een geldboete van f 2.500,=, subsidiair 40 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring van diverse goederen, zoals in het arrest omschreven.

2. Namens verzoeker heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het Hof heeft ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat

"hij in de periode van 1 januari 1999 tot en met 9 februari 1999 te [plaats A], in de gemeente [...], opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een op perceel [b-straat 1] gelegen inrichting als genoemd in Categorie 9, sub 1 f heeft opgericht."

Gelet op de tenlastelegging, zoals die in eerste aanleg is gewijzigd, heeft het Hof gedoeld op categorie 9, onder 1 f, genoemd in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Besluit van 5 januari 1993, Stb 50, sindsdien meermalen gewijzigd, laatstelijk Stb 2002, 259).

4. Het eerste middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat sprake was van een inrichting als bedoeld in categorie 9, sub 1 f van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Besluit), te weten een inrichting voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwprodukten.

5. Die klacht is gebaseerd op twee argumenten. In de eerste plaats heeft verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij een zogeheten growshop wilde beginnen en daartoe in het betreffende perceel diverse apparatuur had uitgestald die voor een hennepkwekerij gebruikt kan worden. Dat zou meebrengen dat verzoeker geen kwekerij heeft opgericht die is aan te merken als een inrichting in de zin van het Besluit. In de tweede plaats wijst de steller van het middel er op dat tot het bewijs een proces-verbaal is gebezigd, als relaas van de verbalisant inhoudend dat hij een inrichting had aangetroffen die kon worden aangemerkt als een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt. Daarbij dient, aldus de steller van het middel, te worden bedacht dat hennep een tuinbouwprodukt is en niet een landbouwprodukt. Onder landbouwprodukten als bedoeld in categorie 9, onder 1 f, van het Besluit zouden tuinbouwprodukten niet begrepen mogen worden.

6. Met betrekking tot hetgeen verzoeker ter terechtzitting naar voren bracht heeft het Hof in een nadere bewijsoverweging geoordeeld dat geenszins aannemelijk is geworden dat slechts sprake was van een toonruimte voor een growshop, gelet op de locatie, de omstandigheid dat alle apparatuur op elkaar aangesloten was, en de grote hoeveelheid plantenvoeding die is aangetroffen. Dat oordeel is naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk. Voor een verdergaande toets is in cassatie geen plaats.

7. Ook het argument dat hennep als produkt van tuinbouw met bedekte teelt niet kan worden begrepen onder de in categorie 9.1 sub f van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer bedoelde landbouwprodukten, gaat naar mijn inzicht niet op. Ik wijs in dat verband op de Nota van Toelichting bij genoemd besluit die dienaangaande inhoudt:

"Onder de term landbouwprodukten moet worden verstaan alle produkten welke voortkomen uit akkerbouw, tuinbouw (zowel open-grond-teelt als glastuinbouw), beschermde boomteelt en champignonnenteelt."

8. Het eerste middel faalt derhalve.

9. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof het verweer dat verzoeker van rechtsvervolging diende te worden ontslagen op ondeugdelijke gronden heeft verworpen.

10. In de bestreden uitspraak is overwogen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting kennelijk subsidiair aangevoerd dat verdachte wegens het navolgende moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De Wet milieubeheer is niet van toepassing op het bij de Opiumwet verboden kweken van hennep, omdat deze verboden activiteit geen wettelijke regulering behoeft en reeds daarom niet onder de werking van de Wet milieubeheer valt. Een vergunning zal dan ook nooit worden verleend. Het maken van een strafrechtelijk verwijt jegens de verdachte vanwege het handelen zonder vergunning, terwijl vaststaat dat de verdachte nimmer een vergunning had kunnen krijgen, is in strijd te achten met een behoorlijke strafrechtspleging, althans met de eisen die aan een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM moeten worden gesteld.

Het [hof, JW] overweegt hierop als volgt. Het hof is van oordeel dat het verweer reeds moet worden verworpen, omdat in beginsel geenszins valt uit te sluiten dat aan verdachte een vergunning tot het oprichten van een kwekerij zou zijn verleend. Ook overigens is het hof van oordeel dat het verweer van de raadsman niet opgaat. Het gegeven dat een vergunning naar de inschatting van betrokkene waarschijnlijk niet zal worden verleend, ontslaat een vergunningsplichtige niet van de verplichting een vergunning aan te vragen. Het hof verwerpt het verweer."

11. De steller van het middel brengt hiertegen in dat het telen, bereiden en vervaardigen van hennep door de Opiumwet zonder enig voorbehoud wordt verboden, waaraan het Besluit van 10 maart 1999, Stb 1999, 169 niet afdoet omdat daarin slechts is voorzien in een vergunningensysteem, terwijl dit Besluit alleen betrekking heeft op de teelt van hennep in de volle grond en in de open lucht. Daarom zou het Hof ten onrechte hebben geoordeeld dat niet uit te sluiten is dat verzoeker vergunning zou zijn verleend tot het oprichten van een kwekerij.

12. Daarbij gaat de steller van het middel er aan voorbij dat bewezen is verklaard dat verzoeker zonder daartoe strekkende vergunning een inrichting als bedoeld in categorie 9, onder 1 f, van het Besluit heeft opgericht, waarbij niet is gespecificeerd dat het om een hennepkwekerij ging, terwijl het Hof blijkens de hierboven weergegeven overwegingen niet uitgesloten heeft geacht dat een vergunning voor het oprichten van een kwekerij zou zijn verleend, waarbij het Hof zich niet heeft uitgelaten over de mogelijkheid dat die vergunning voor een hennepkwekerij zou zijn verleend.

13. Het oordeel dat in beginsel niet uitgesloten kan worden dat verzoeker een vergunning voor het oprichten van een kwekerij zou zijn verleend lijkt mij niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden onderzocht.

14. Daarnaast heeft het Hof geoordeeld, gelijk het naar mijn inzicht kon doen, dat een vergunningsplichtige niet wordt ontslagen van zijn verplichting de vergunning aan te vragen door zijn verwachting dat die vergunning niet zal worden verleend.

15. De Wet milieubeheer en de daarop berustende nadere regelingen strekken ertoe onnodige schade aan het milieu te voorkomen door het reguleren van (bedrijfsmatige) activiteiten. Dit door de Wet milieubeheer cum annexis gediende belang is van geheel andere aard dan de belangen die de wetgever heeft willen dienen met de Opiumwet en daaraan verbonden regelingen. Ook de bedrijfsmatige teelt, fabricage of bewerking van middelen die onder de in de Opiumwet opgenomen verbodsnormen vallen kunnen het milieu belasten. Het lijkt mij onaanvaardbaar dat de uit de Wet milieubeheer voortvloeiende verplichtingen niet in acht genomen behoeven te worden ten aanzien van activiteiten die verboden en strafbaar zijn krachtens wettelijke bepalingen die geheel andere belangen dienen dan de zorg voor het milieu, terwijl het milieu ook door zulke verboden activiteiten schade kan ondervinden.

16. Daarom meen ik met het Hof dat de toepasselijkheid van verbodsnormen die met de zorg voor het milieu niets uitstaande hebben - zoals de in de Opiumwet neergelegde verboden - geen wijziging brengen in de toepasselijkheid van de in of krachtens de Wet milieubeheer gegeven voorschriften. Daaraan doet niet af dat degene die een vergunning aanvraagt voor het oprichten van een kwekerij, indien hij daarbij opgeeft dat het een hennepkwekerij betreft, aan een overheidsinstantie kenbaar maakt dat hij voornemens is de Opiumwet te overtreden. De steller van het middel meent dat dit zou indruisen tegen het nemo tenetur-beginsel. Aan dat beginsel wordt in wet en rechtspraak evenwel niet een zó vergaande strekking toegekend dat aan bestaande wettelijke verplichtingen nimmer gevolg behoeft te worden gegeven indien door het voldoen aan die wettelijke verplichtingen de (voorgenomen) betrokkenheid bij strafbare feiten wordt prijsgegeven.

17. 's Hofs oordeel dat de omstandigheid dat een vergunning naar de inschatting van de betrokkene waarschijnlijk niet zal worden verleend hem niet ontslaat van de verplichting die vergunning aan te vragen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en draagt de verwerping van het gevoerde verweer zelfstandig. Ook daarom kan het middel geen doel treffen.

18. De beide middelen lenen zich naar mijn oordeel voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,