Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF3104

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2003
Datum publicatie
15-04-2003
Zaaknummer
01647/01 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF3104
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 722
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 723
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 476a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 477
Wetboek van Strafvordering 94a
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 228
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01647/01 B

Mr Wortel

Parket, 7 januari 2003

Conclusie inzake:

[verzoeker=klager]

1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 maart 2001 waarbij een beklag van verzoeker, ertoe strekkende dat twee inbeslaggenomen auto's aan hem teruggegeven zullen worden, althans verzoeker een geldsom zal worden uitbetaald ter vergoeding van schade die hij door verkoop van de auto's heeft geleden, is afgewezen.

2. Namens verzoeker heeft mr. H. Veldman, advocaat te Roden, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat teruggave aan een derde onder de gegeven feiten en omstandigheden op het eerste gezicht niet onredelijk en maatschappelijk niet onverantwoord was, althans dat het hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. Uit de bestreden beschikking en de daaraan ten grondslag liggende stukken blijkt het volgende.

In de maand april 1994 is op de voet van art. 94a Sv conservatoir beslag gelegd, ten laste van verzoeker en in verband met een tegen hem aanhangig te maken ontnemingsvordering, op twee auto's, te weten een Range Rover en een Porsche.

In de maand juli 1994 is de vennootschap naar Luxemburgs recht [A AG] in staat van faillissement verklaard. Verzoeker was directeur van [A] AG.

Aan de curator in dat faillissement is bij beschikking van 8 augustus 1994 toestemming verleend conservatoir beslag op de auto's te leggen. Het beslag is gelegd in verband met een vordering van [A] AG op verzoeker, volgens de curator ontstaan doordat [A] AG de door verzoeker aangekochte auto's heeft betaald. Bij (verstek)vonnis van 17 mei 1995 is deze vordering toegewezen, en verzoeker veroordeeld tot betaling van een bedrag van fl 138.227,=, vermeerderd met rente en kosten. Het door de curator op de auto's gelegde conservatoire beslag is na deze veroordeling omgezet in een executoriaal beslag.

De curator heeft zich bij schrijven van 18 juli 1995 tot de officier van justitie gewend met - kort gezegd - het verzoek mee te werken aan executoriale verkoop van de auto's.

Bij brief van 31 juli 1995 heeft de officier van justitie de curator meegedeeld dat het door het Openbaar Ministerie gelegde beslag werd opgeheven, en dat de officier van justitie akkoord ging met executoriale verkoop door de curator. De auto's zijn ten behoeve van de faillissementsrekening verkocht, de Range Rover op 31 januari 1996 en de Porsche op 7 maart 1996.

5. Het Hof heeft vastgesteld dat het in verband met het bepaalde in art. 552a, tweede lid, Sv bevoegd was van het klaagschrift kennis te nemen, nu het de instantie was waarvoor de zaak het laatst werd vervolgd. Verzoeker is in de onderliggende strafzaak veroordeeld, maar de officier van justitie is door de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is hoger beroep ingesteld door zowel verzoeker als de officier van justitie, doch ter terechtzitting in hoger beroep is door beide partijen medegedeeld dat het hoger beroep niet was gericht tegen de beslissing in de ontnemingsprocedure.

6. Uit de hierboven geschetste gang van zaken heeft het Hof, nu overigens niet gebleken is dat de auto's aan een ander dan de curator zijn teruggegeven, afgeleid dat de officier van justitie het strafvorderlijk-conservatoire beslag heeft opgeheven, en de auto's heeft vrijgegeven ter effectuering van het door de curator gelegde executoriale beslag. Die handelswijze heeft het Hof aangemerkt als teruggave op de voet van het voormalige art. 118, derde lid Sv, respectievelijk het huidige art. 116, derde lid Sv.

7. Verder heeft het Hof vastgesteld dat verzoeker bij brieven van 21 maart 1995 en 6 april 1995 de officier van justitie heeft gevraagd hem de auto's terug te geven, terwijl niet gebleken is dat de officier van justitie op die brieven heeft geantwoord, en voorts overwogen:

"Op grond hiervan en in aanmerking genomen dat niet anderszins is gebleken gaat het hof ervan uit dat klager geen afstand heeft gedaan als bedoeld in artikel 118 lid 2/oud (artikel 116 lid 2/nieuw) van het Wetboek van Strafvordering.

Hiermee rekening gehouden, had de officier van justitie met betrekking tot de tenlaste van en onder klager in beslag genomen Range Rover, niet tot teruggave aan een derde (meergenoemde curator) mogen overgaan dan nadat het openbaar ministerie de procedure als voorzien in artikel 118 lid 3/oud (116 lid 3/nieuw) had gevolgd.

Nu de onderwerpelijke Porsche onder [B] in beslag is genomen en niet onder klager, kan niet worden gezegd dat de officier van justitie na de opheffing van het beslag krachtens artikel 118 lid 3/oud (116 lid 3/nieuw) wettelijk gehouden was, alvorens tot teruggave aan een derde (meergenoemde curator) over te gaan, klager van het voornemen daartoe in kennis te stellen.

Dit neemt niet weg dat van de officier van justitie op grond van de beginselen van een goede procesorde mocht worden verlangd dat hij, nu klager, ten laste van wie de inbeslagneming had plaatsgehad, hem voordien bij herhaling schriftelijk had verzocht de Porsche aan hem terug te geven, niet tot teruggave aan een derde (meergenoemde curator) had horen over te gaan (lees: niet tot teruggave aan een derde (...) zou overgaan, JW) dan nadat het openbaar ministerie jegens klager de procedure als voorzien in artikel 118 lid 3/oud (116 lid 3/nieuw) had gevolgd.

(...)

Voormelde vormverzuimen van de officier van justitie behoeven in dit geval echter niet tot de beslissing te leiden dat de beide auto's aan klager moeten worden teruggegeven, nu - gelet op de feiten, zoals hiervoor onder 2 vastgesteld, in het bijzonder ook de omstandigheid dat de geldvordering van [A] rechtstreeks betrekking had op de aan klager geleverde Range Rover en Porsche - niet gezegd kan worden dat de teruggave van beide auto's door de officier van justitie aan een derde, in dit geval telkens aan meergenoemde curator, op het eerste gezicht onredelijk en maatschappelijk onverantwoord is geweest."

8. Vooropgesteld zij dat het door verzoeker gedane beklag, strekkende tot teruggave aan verzoeker van de auto's die met veronachtzaming van de in art. 118, derde lid (OUD) Sv, thans art. 116, derde lid, Sv voorgeschreven procedure reeds aan een derde zijn afgegeven, terecht is opgevat als een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie die auto's, in afwijking van in art. 118, eerste lid (OUD) Sv, thans art. 116, eerste lid Sv, gegeven hoofdregel aan een ander dan klager als beslagene terug te geven, vgl. HR NJ 1996, 526.

9. Die thans in art. 116, eerste lid Sv vervatte hoofdregel is dat een inbeslaggenomen voorwerp, zodra de grond voor de inbeslagneming wegvalt, moet worden teruggegeven aan degene onder wie in beslag werd genomen. Die hoofdregel kan uitzondering leiden indien de rechter onder de gegeven omstandigheden de overtuiging heeft gekregen dat teruggave aan een derde op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is, vgl onder meer HR NJ 1996, 526.

10. In de toelichting op het middel wordt betoogd wordt dat deze uitzondering alleen gemaakt mag worden indien de derde 'op het eerste gezicht sterke papieren' dan de beslagene heeft, waarmee de steller van het middel kennelijk doelt op het eigendomsrecht, althans bezitsaanspraken. Nu het Hof verzoeker als eigenaar van de auto's diende aan te merken, waartegenover de curator in het faillissement van [A] AG zich ten aanzien van die auto's uitsluitend op een verhaalsrecht kon beroepen, zou ten onrechte zijn geoordeeld dat de teruggave aan de curator op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is geweest.

11. Daarbij voegt zich, aldus de toelichting op het middel, dat het Hof er aan voorbij is gegaan dat de vordering van de curator op verzoeker fl 138.227,= bedroeg, terwijl de auto's een waarde van fl 360.000,= vertegenwoordigden.

12. Bovendien wordt het Hof verweten dat het er aan voorbij is gegaan dat de officier van justitie zich niet heeft vergewist van de juistheid van de stellingen van de curator.

13. Het laatste bezwaar snijdt naar mijn inzicht geen hout. De officier van justitie kon uitgaan van de juistheid van de hem door de curator gedane mededeling dat een door deze tegen verzoeker ingestelde vordering tot betaling van fl 138.227,=, vermeerderd met rente en kosten, bij vonnis van de Rechtbank te Amsterdam is toegewezen. Dientengevolge was het Hof niet gehouden nader te onderzoeken of de officier van justitie terecht van die mededeling is uitgegaan. Overigens bevinden zich kopieën van het desbetreffende vonnis bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.

14. In een geval als het onderhavige, waarin vaststaat dat het belang van de strafvordering de voortzetting van het beslag niet vergt, dient de teruggave aan de beslagene te worden gelast, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd, vgl HR 25 september 2001, griffienr 02981/00 Besch.

Als zodanige rechthebbende is de eigenaar van het inbeslaggenomen voorwerp aan te merken. Dat kan, uiteraard, de eigenaar zijn die een beroep toekomt op de bescherming die art. 3:86, derde lid BW tegen bezitsverlies door diefstal biedt. In die hoedanigheid kan ook een verzekeraar optreden die in de rechten van de oorspronkelijke eigenaar is getreden, vgl HR NJ 1997, 87.

Rechthebbende in de zin van de art. 116 en 552a Sv kan ook degene zijn die het bezit van het voorwerp toekomt krachtens een beperkt zakelijk recht, zoals het pandrecht, of een recht met een absoluut karakter, zoals het retentierecht, vgl. HR 21 mei 1996, DD 96.328.

15. Personen die geen dergelijke rechten op het inbeslaggenomen goed hebben, doch daarop verhaal kunnen halen ter zake van hun aanspraken jegens degene ten laste van wie het beslag is gelegd, zijn niet zonder meer aan te merken als rechthebbenden in de zin van de art. 116 en 552a Sv. De voorziening die de wetgever heeft getroffen tot behoud van hun verhaalsrechten is de in art. 119, vierde lid, Sv tot de bewaarder gerichte instructie het goed na opheffing van het krachtens het Wetboek van Strafvordering gelegde beslag niet terug te geven zolang er een ander beslag op rust, tenzij degene die de teruggave heeft gelast uitdrukkelijk anders bepaalt, vgl HR NJ 1998, 834.

16. Dit in het vierde lid van art. 119 Sv gegeven voorschrift kan in verband worden gebracht met HR NJ 1987, 949 en HR NJ 1988, 285. Daarin is beslist dat het samenstel van de in de art. 552a en 119 Sv gegeven regels wordt doorkruist door art. 7 Invorderingswet. Dit voorschrift, thans opgenomen in art. 19 Invorderingswet 1990, verplicht de houder van "penningen" (geldbedragen) die een belastingschuldige toebehoren om voor rekening van de belastingschuldige diens belastingschulden te voldoen voor zover de onder de houder berustende geldbedragen daartoe kunnen strekken. Hier is derhalve de houders van geldbedragen (waaronder de in art. 119 Sv bedoelde bewaarder) een wettelijke verplichting opgelegd de onder hen berustende geldbedragen desgevorderd aan de Ontvanger af te staan.

17. Naar mijn inzicht dient in het algemeen te gelden dat het stelsel van de in de art. 116 en 119 (en 552a) Sv opgenomen bepalingen wordt doorbroken in die gevallen waarin de bewaarder van de inbeslaggenomen goederen krachtens wettelijk voorschrift verplicht is die goederen aan een derde af te geven.

18. Zo een wettelijke verplichting is naar mijn oordeel te vinden in art. 477 Rv. Daarin is bepaald dat de derde-beslagene na het doen van de in art. 476b Rv bedoelde verklaring verplicht is de volgens die verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen, en de verschuldigde goederen ter beschikking van de deurwaarder te stellen. Er is geen reden waarom deze bepaling niet toepasselijk zou zijn op de officier van justitie of de in art. 119 Sv bedoelde bewaarder.

19. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, met name daartoe behorende beslagexploiten, valt af te leiden dat aan de curator als beslaglegger kenbaar is gemaakt dat de Staat (de officier van justitie) krachtens het op grond van art. 94a Sv gelegde beslag de twee aan verzoeker toebehorende auto's onder zich had. Het kan er, dunkt mij, voor worden gehouden dat de in 476b Rv bedoelde verklaring is gedaan.

20. Dientengevolge waren de officier van justitie en de door deze aangestelde bewaarder(s) als derde-beslagenen verplicht de auto's af te geven aan de legger van het executoriale beslag. Het komt mij voor dat het thans bestreden oordeel aldus verstaan moet worden dat deze verplichting meebrengt dat niet gezegd kan worden dat de teruggave van de beide auto's aan de curator op het eerste gezicht onredelijk en maatschappelijk ongewenst is geweest.

Zo verstaan geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is het evenmin onbegrijpelijk.

21. Met betrekking tot de klacht dat het Hof er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de vordering van de curator een beduidend lager bedrag betrof dan de waarde van de auto's merk ik ten slotte het volgende op.

22. Bij het klaagschrift zijn afschriften gevoegd van processen-verbaal van betekening van het op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag, waarin als geschatte waarde van de Range Rover fl 135.000,=, en als geschatte waarde van de Porsche fl 225.000,= is vermeld. Tijdens de voortzetting van de behandeling in raadkamer (na een door het Hof gewezen tussenbeslissing) is blijkens de overgelegde pleitaantekeningen namens verzoeker betoogd dat het verschil tussen het bedrag dat de auto's bij verkoop hebben opgebracht (in totaal fl 112.000,=) en de waarde van de auto's ten tijde van de inbeslagneming (in totaal fl 360.000,=) schade is die verzoeker door onrechtmatig handelen van de officier van justitie heeft geleden. Daarom werd, kennelijk in subsidiaire zin, gevraagd verzoeker een schadevergoeding toe te kennen van fl 284.000,=.

23. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat ook dit subsidiaire verzoek moet worden afgewezen, nu niet gezegd kan worden dat de officier van justitie onrechtmatig heeft gehandeld door de auto's, na opheffing van het door hem gelegde beslag, aan de curator in het faillissement van [A] AG af te geven.

Indien de teruggave van goederen aan een derde, na opheffing van het door de officier van justitie gelegde beslag, niet als onrechtmatig is aan te merken, kan er geen sprake zijn van een schadevergoedingsplicht van de Staat in verband met de daarop volgende verkoop van de goederen voor een lager bedrag dan de geschatte waarde ten tijde van de inbeslagneming.

De afwijzing van het subsidiaire verzoek getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting, en is evenmin onbegrijpelijk.

24. Het middel faalt in alle onderdelen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden