Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF3097

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
25-02-2003
Zaaknummer
00137/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF3097
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 39, geldigheid: 2003-02-25
Wetboek van Strafvordering 51, geldigheid: 2003-02-25
Wetboek van Strafvordering 279, geldigheid: 2003-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 133
JOL 2003, 118

Conclusie

Nr.00137/02

Mr. Jörg

Zitting 7 januari 2003

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 17 augustus 1998 wegens 1. oplichting en 2. valsheid in geschrift veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf, waarvan twee weken voorwaardelijk.

2. Namens verzoeker heeft mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen, beroep in cassatie ingesteld en mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel betreft de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep. Het hof had deze dagvaarding nietig moeten verklaren, aangezien deze niet op geldige wijze is betekend, aldus het middel.

4. Volgens de toelichting op het middel blijkt uit de stukken niet dat (a) een adresverificatie ex art. 588, derde lid, sub c, Sv heeft plaats gevonden, (b) is onderzocht of verzoeker ten tijde van de uitreiking was gedetineerd, en (c) de dagvaarding als gewone brief naar de feitelijke woon- of verblijfplaats van verzoeker is gezonden.

5. De akte van uitreiking houdt in dat de dagvaarding op 13 juli 1998 is uitgereikt aan de griffier, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Volgens het GBA-overzicht van 23 juli 1998 dat aan de akte is gehecht, was verzoeker vanaf 24 juli 1995 ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats B], is verzoeker op 26 april 1996 geëmigreerd en sindsdien zonder bekende woon- of verblijfplaats.

6. Het eerste gedeelte van het middel behelst de klacht dat uit de stukken niet blijkt dat een adresverificatie ex art. 588, derde lid, sub c, Sv heeft plaats gevonden. Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen. Art. 588, derde lid, sub c, Sv, is slechts van toepassing indien van een verdachte een GBA-adres of een woon- of verblijfplaats bekend is. Uit het GBA-overzicht van 23 juli 1998 volgt echter dat verzoeker ten tijde van de betekening aan de griffier niet was ingeschreven in enige Nederlandse gemeente. Ook was geen woon- of verblijfplaats bekend van verzoeker (zie ook hierna), zodat art. 588, derde lid, sub c, Sv toepassing mist.

7. Het tweede onderdeel van het middel behelst de klacht dat het hof had moeten onderzoeken of verzoeker ten tijde van de oproeping was gedetineerd. Deze klacht is terecht voorgesteld. Nu verzoeker, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, niet op die terechtzitting is verschenen, had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of en zo ja waar verzoeker, van wie ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep geen woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving bekend was, als afgestrafte was gedetineerd. In dat geval moet immers de penitentiaire inrichting als diens bekende verblijfplaats worden aangemerkt (zie HR 5 december 2000, NJ 2001, 124 en HR 14 februari 1995, NJ 1995, 536).

8. De klacht behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, aangezien uit door mij opgevraagde informatie volgt dat verzoeker ten tijde van de oproeping niet gedetineerd was (vgl. HR 5 december 2000, NJ 2001, 124), zodat verzoeker niet in zijn belang is geschaad door deze omissie van het hof.

9. Het derde onderdeel van het middel klaagt erover dat de dagvaarding niet als gewone brief naar de feitelijke woon- of verblijfplaats van verzoeker is gezonden. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, zie ik niet in dat van verzoeker een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was. Uit de stukken kan niet volgen dat verzoeker een feitelijke woon- of verblijfplaats heeft opgegeven. Het adres dat verzoeker heeft doen opnemen in de akte van hoger beroep, [e-straat 1] te [plaats F], kan in ieder geval niet als zodanig gelden, nu uit de stelbrief van mr. R.G.E. de Vries van 30 maart 1998 (zie hierna onder 12), volgt dat verzoeker niet meer op dat adres woonde of verblijf hield. De klacht faalt dan ook.

10. Nu verzoeker volgens het GBA-overzicht van 23 juli 1998 niet was ingeschreven in enige Nederlandse gemeente noch van hem een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was, is de dagvaarding in overeenstemming met art. 588, eerste lid, sub b, onder 3° uitgereikt aan de griffier en derhalve rechtsgeldig betekend. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

11. Het tweede middel klaagt erover dat in hoger beroep art. 51 Sv en art. 6, derde lid, sub c, EVRM zijn geschonden, nu geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verzonden aan de raadsman en het hof niet heeft onderzocht waarom de raadsman afwezig was ter terechtzitting van 3 augustus 1998.

12. Bij de stukken bevindt zich een brief van mr. R.G.E. de Vries van 30 maart 1998, gericht aan de strafgriffie van het hof, en blijkens een daarop gestelde stempel aldaar ingekomen op 31 maart 1998. In deze brief geeft mr. de Vries aan dat hij de Raad voor de Rechtsbijstand zal verzoeken hem als raadsman aan verzoeker toe te voegen. Voorts verzoekt hij om aanhouding van de zaak aangezien de oproeping verzoeker pas op 30 maart had bereikt, en om toezending van het dossier.

13. Bij arrest van 31 maart 1998 heeft het hof de inleidende dagvaarding nietig verklaard. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 maart 1998 blijkt niet dat het hof op de hoogte was van bovengenoemde brief.

14. Vervolgens is verzoeker gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van 3 augustus 1998. De stukken bevatten niets waaruit kan volgen dat een afschrift van deze dagvaarding is gezonden aan de raadsman van verzoeker. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 augustus 1998 zijn verzoeker noch zijn raadsman verschenen.

15. Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier. De regeling van art. 39 Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (vgl. HR 19 december 2000, NJ 2001, 161 en HR 12 februari 2002, NJ 2002, 285).

16. Op grond van zijn brief van 30 maart 1998 had het hof mr. de Vries als raadsman dienen te erkennen. Nu verzoeker noch zijn raadsman was verschenen ter terechtzitting van 3 augustus 1998 had het hof dienen te onderzoeken of een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman was verzonden. Nu van een dergelijk onderzoek niet blijkt, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat art. 51 Sv is nageleefd onbegrijpelijk.

17. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

18. Ik lees het derde middel aldus, dat het zich richt tegen het oordeel van het hof dat de door het hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn niet diende te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar tot strafvermindering.

19. Verzoeker is door de politierechter bij vonnis van 24 december 1992 bij verstek veroordeeld. Uit de stukken volgt dat op 10 februari 1993 en 1 april 1993 is getracht de uitspraak te betekenen aan verzoeker op het adres [c-straat 1] te [plaats D], waarop hij volgens een brief van de gemeente Hengelo van 11 maart 1993 op 10 februari 1993 en vijf dagen nadien stond ingeschreven. In beide gevallen is de akte, toen deze niet werd opgehaald, teruggezonden naar de afzender. Op 19 april 1993 is het vonnis als gewone brief verzonden naar het vermelde adres. Op 17 september 1997 is de uitspraak aan verzoeker betekend. Uit de stukken volgt niet dat het openbaar ministerie in de tussengelegen periode enige pogingen heeft gedaan om de uitspraak te betekenen.

20. Blijkens het arrest van 17 augustus 1998 heeft het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als volgt overwogen:

"Naar het oordeel van het hof is het tijdsverloop, meer dan vier jaar, waarbinnen het openbaar ministerie geen nadere pogingen heeft gedaan de uitspraak aan verdachte te betekenen, zodanig lang dat hier moet worden gesproken van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Het hof heeft vervolgens de vraag te beantwoorden of deze schending moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn recht op strafvervolging dan wel tot een strafvermindering.

Het hof is van oordeel dat, daarbij gelet op de aard en ernst van de tenlastegelegde feiten en gelet op de omstandigheid dat verdachte door meermalen van adres te wijzigen(1) dan wel niet ingeschreven te staan in enige Nederlandse gemeente er zelf aan heeft bijgedragen dat betekening van de uitspraak niet zonder meer kon volgen, de sanctie van niet-ontvankelijkheid in dit geval te zwaar is. Het hof zal daarom in dit geval volstaan met een substantiële vermindering van de op te leggen straf."

21. Ik begrijp het middel aldus, dat nu het een inactiviteit van het openbaar ministerie betreft, het oordeel van het hof dat verzoeker (actief) eraan heeft bijgedragen dat de uitspraak niet zonder meer kon worden betekend onbegrijpelijk is. Voorts zou de overweging dat verzoeker meermalen zou zijn verhuisd dan wel niet ingeschreven zou staan in enige Nederlandse gemeente onbegrijpelijk zijn, aangezien dit onvoldoende zou blijken uit de stukken.

22. Vooropgesteld zij dat in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH, r.o. 3.21 is bepaald dat in de regel overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. Zie voor een recent geval: HR 12 november 2002, NJB 2003, nr. 3, p. 35. Voorts kan het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (HR NJ 2000, 721, r.o. 3.7).

23. Voorts wijs ik erop dat volgens vaste jurisprudentie een verdachte die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn woonadres en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen zonder resultaat blijven, zich niet met vrucht beroepen op schending van art. 6 EVRM (zie onder meer HR 8 mei 2001, nr. 01891/99 en HR 19 januari 1999, NJ 1999, 248).

24. Dat uit de stukken niet kan volgen dat het openbaar ministerie na 19 april 1993 nog actie heeft ondernomen doet aan het voorgaande niet af, zoals ook blijkt uit HR NJ 1999, 248.

25. Uit de stukken blijkt het volgende ten aanzien van de woongeschiedenis van verzoeker. Volgens de brief van de gemeente Hengelo van 11 maart 1993 stond verzoeker op 10 februari 1993 en vijf dagen nadien ingeschreven op de [c-straat 1] te [plaats D]. Uit het onderzoek van de Hoge Raad ten behoeve van de aanzegging ex art. 435, eerste lid, Sv, blijkt echter niet dat verzoeker tot 24 juli 1995 stond ingeschreven op dit adres. Vanaf 24 juli 1995 stond verzoeker ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats B]. Op 26 april 1996 is verzoeker vertrokken naar 'Land onbekend'. Gelet op het voorgaande is, anders dan de steller van het middel meent, het oordeel van het hof, dat verzoeker eraan heeft bijgedragen dat de uitspraak niet zonder meer kon worden betekend en dat de overschrijding van de redelijke termijn tot strafvermindering dient te leiden, niet onbegrijpelijk. Dit oordeel kan in cassatie niet verder worden getoetst.

26. Het derde middel faalt.

27. Het vierde middel klaagt erover dat het bewezenverklaarde als het misdrijf van art. 225 (oud) Sr is gekwalificeerd, terwijl de bewezenverklaring niet alle bestanddelen van de delictomschrijving bevat.

28. Het hof heeft door middel van het wegstrepen van woorden in de tenlastelegging aangegeven hetgeen is bewezenverklaard. Blijkens het arrest van 17 augustus 1998 is onder meer bewezenverklaard dat

"2. verdachte op of omstreeks 8 juni 1991, in de gemeente Hengelo (Ov.), zogenaamde aankoopnota's van Comfort Card, zijnde geschriften waaruit enig recht, en dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, door opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid die zogenaamde aankoopnota's van Comfort Card te ondertekenen met een handtekening die moest doorgaan voor de handtekening van de houder van een rekening bij Comfort Card."

29. Art. 225, eerste lid, (oud) Sr stelt strafbaar het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift waaruit enig recht, enige verbintenis of enige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

30. Volgens de toelichting op het middel kan het bewezenverklaarde niet als het delict van art. 225, eerste lid, (oud) worden gekwalificeerd, omdat na de woorden 'zijnde geschriften waaruit enig recht' de woorden 'kon ontstaan' zijn weggestreept.

31. Het middel heeft hier een punt. De Hoge Raad zou echter, indien het arrest overigens niet zou dienen te worden vernietigd, de bewezenverklaring verbeterd lezen. Gelet op de omstandigheid dat de woorden 'geschriften waaruit enig recht' geen zelfstandige betekenis hebben, moet het wegstrepen van de woorden 'kon ontstaan' als een kennelijke misslag van het hof worden beschouwd.

32. De middelen één en drie falen, en lenen zich voor toepassing van art. 81 RO. Aan bespreking van het vierde middel zal Uw Raad niet toekomen, omdat het tweede middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een contaminatie van "zijn adres te wijzigen" en "van adres te veranderen."