Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF3089

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-03-2003
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
01265/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF3089
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01265/02

Zitting 14 januari 2003

(bij vervroeging)

Mr Jörg

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft verzoeker bij arrest van 8 februari 2002 terzake van ‘’doodslag’’ veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te ’s-Hertogenbosch, cassatie ingesteld. Mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur houdende vier middelen van cassatie ingediend.

3. Het eerste middel komt op tegen de wijze waarop het hof in de aanvulling op het arrest de bewijsmiddelen heeft uitgewerkt, namelijk door de tekst van de betreffende verklaringen van getuigen en deskundigen en de processen-verbaal te kopiëren en daarin de niet relevante passages weg te strepen, maar zodanig dat de weggestreepte passages wel leesbaar zijn.

4. In het middel wordt daarbij aansluiting gezocht bij de conclusie vóór HR 25 juni 2002, LJN: AE 2742, waarin ambtshalve een opmerking wordt gewijd aan deze werkwijze. Een en ander zou des te meer klemmen nu het hof in het onderhavige geval de kopieën van de rechtbank, die dezelfde methode heeft gehanteerd, nogmaals heeft gekopieerd en daarin opnieuw (andere) passages heeft weggestreept. Hierdoor zou niet duidelijk zijn welke onderdelen van de gekopieerde verklaringen en processen-verbaal nu wel of niet voor het bewijs zijn gebezigd. Het arrest zou daarmee niet voldoen aan art. 359, tiende lid (ik begrijp: eerste lid), Sv en art. 6, derde lid onder b, EVRM.

5. Vergelijking van de door het hof ten behoeve van de bewijsmiddelen gekopieerde documenten met de gestreepte kopieën die de rechtbank bij de bewijsconstructie heeft gebruikt, levert het volgende beeld op: de dikke zwarte strepen die op de door het hof gebruikte kopieën staan, zijn door de rechtbank aangebracht en kennelijk door het hof overgenomen. Daarnaast heeft het hof in de kopieën zelf verscheidene passages doorgehaald en enkele verbeteringen aangebracht. Zowel de verbeteringen als het wegstrepen van de passages heeft het hof met een viltstift van niet al te beste kwaliteit of met een bijna lege viltstift gedaan, zodat deze strepen op de nogmaals gekopieerde bladzijden als lichtgrijze strepen zijn terug te vinden.

6. Met de steller van het middel ben ik van oordeel dat de door het hof aangebrachte strepen niet zeer goed zichtbaar zijn en dat de combinatie van de dikke zwarte doorhalingen en de lichte grijze doorhalingen de leesbaarheid en duidelijkheid van de bewijsconstructie niet bepaald ten goede komen. Anders dan in het middel wordt gesteld wil dit evenwel niet zeggen dat het arrest aan nietigheid leidt. Het hof heeft immers wel degelijk de gronden opgenomen waarop de bestreden uitspraak berust. Tegen de achtergrond van het hiervoor geschetste (de grijze strepen zijn door het hof aangebracht) is bovendien voldoende duidelijk welke fragmenten wel en welke niet door het hof als bewijsmiddel zijn opgenomen. Zo is de passage die in het middel wordt aangehaald ‘’met zijn linkerhand gaf [verdachte] zachte tikken aan [slachtoffer]’’ (bewijsmiddel 8, vierde regel van onderen) met een lichtgrijze streep doorgehaald; deze behoort dus niet tot het bewijs. De kennelijk door het hof aangebrachte verbetering in deze passage (op de letter ‘’u’’ in de naam van het slachtoffer zijn puntjes geplaatst) doet daar niet aan af: kennelijk heeft het hof eerst deze verbeteringen aangebracht maar is het vervolgens tot de slotsom gekomen dat deze passage niet tot het bewijs diende te worden gebezigd.

7. Overigens werd in de eerdergenoemde conclusie, anders dan de steller van het middel kennelijk meent, niet gesteld dat de ‘streepmethode’ tot nietigheid van het arrest zou dienen te leiden, maar werd gewezen op de kanttekeningen die bij deze wijze van uitwerken kunnen worden geplaatst. Dat de gehanteerde methode (nog steeds) niet de voorkeur van deze advocaat-generaal bij de Hoge Raad geniet, wil evenwel niet zeggen dat de methode niet aan de wettelijke- en verdragsrechtelijke eisen voldoet. De Hoge Raad is in dat arrest niet op de uitnodiging van de A-G ingegaan.

8. Het middel faalt dus.

9. Het tweede middel richt zich tegen de bewijsvoering. Het hof zou de met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen verenigbare maar met de bewezenverklaring strijdige mogelijkheid hebben opengelaten dat het slachtoffer [slachtoffer] niet is overleden tengevolge van de schoppen en de krachtige slag tegen het hoofd. Kennelijk doelt de steller van het middel op een zogenaamd ‘Meer-en-Vaart-gat’ in de bewijsconstructie.

10. Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat:

‘’hij op of omstreeks 15 september 1999 te Vught [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd geschopt en éénmaal met kracht tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.’’

11. Blijkens de aan het proces-verbaal ter terechtzitting gehechte pleitnota (p. 14) is namens verzoeker aangevoerd dat het slachtoffer bij de ‘’eerste schermutseling’’ volgende op de kopstoot die het slachtoffer aan verzoeker heeft gegeven, met zijn achterhoofd de muur heeft geraakt, dat niet duidelijk is ‘’welk letsel tijdens deze schermutseling is ontstaan’’ en dat dit ‘’van belang (is) bij het vaststellen van de doodsoorzaak.’’

12. Een responsieplichtig verweer is dit niet. Met Van Veen in zijn annotatie onder HR 20 maart 1991, NJ 1991, 8 ben ik van mening dat van een rechtsgeleerd raadsman mag worden verwachten dat die welbewust kiest tussen het onder de aandacht van de rechter brengen van een bepaald aspect van de zaak dan wel het uitdrukkelijk voeren van een verweer als bedoeld in art. 358 lid 3 Sv. De enkele opmerking dat iets ‘’van belang is’’ bij het vaststellen van de doodsoorzaak is bepaald wat anders dan uitdrukkelijk en gemotiveerd betogen dat de doodsoorzaak een andere is dan door de rechtbank is aangenomen. Dat laatste is door of namens verzoeker niet aangevoerd. Het hof was dan ook niet gehouden om op het aangevoerde nader in te gaan.

13. Niettemin kan men in de suggestie dat een andere doodsoorzaak mogelijk is een parallel met het verweer in de ‘’Heroïne in de dakgoot’-zaak zien (HR 5 februari 1980, NJ 1980, 342): de kamergenote kon in die zaak evenzeer de dader zijn als verzoeker in die zaak, hetgeen door het gebezigde bewijsmiddel niet werd weerlegd (‘’dat, behalve de huismeester, die zelf niet in dat pand woonde, alleen hij en zijn kamergenote de beschikking hadden over een sleutel van die kamer’’). Welbeschouwd wordt thans betoogd dat mogelijkerwijs reeds bij het begin van de schermutseling het achterhoofd van het slachtoffer onzacht in aanraking is gekomen met een muur, ten gevolge waarvan het ernstige hersenletsel zou zijn ontstaan. (Een dergelijke mogelijkheid zou vervolgens betekenis kunnen hebben voor het aanvaarden van een beroep op de strafuitsluitingsgrond noodweer.)

14. Deze in het middel besloten liggende klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft vastgesteld dat het slachtoffer reeds in de eerste fase met zijn hoofd tegen een muur is terechtgekomen. Van een ‘Meer en Vaart-gat’ is dus geen sprake. De bewezenverklaring is voldoende met redenen omkleed.

15. Het middel faalt.

16. In het derde middel wordt erover geklaagd dat het hof voor het bewijs én voor de weerlegging van het beroep op noodweer uitsluitend gebruik heeft gemaakt van verklaringen van getuigen die verklaarden dat verzoeker meermalen hard tegen het hoofd van het slachtoffer had geschopt, zonder gemotiveerd in te gaan op het verweer dat deze verklaringen in het licht van de verklaringen van de patholoog-anatoom niet waar konden zijn.

17. Blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities is namens verzoeker ter terechtzitting aangevoerd dat verzoeker in tegenstelling tot hetgeen door verscheidene getuigen wordt verklaard ‘’niet heel hard’’ zou hebben geschopt en dat dit ‘’onontkoombaar’’ zou volgen uit de bevindingen van de patholoog-anatoom [betrokkene 1]. [betrokkene 1] rept in zijn sectieverslag immers nier over enige schade aan het gebit van het slachtoffer, terwijl ‘’het gezonde boerenverstand’’ meebrengt dat bij dergelijke harde schoppen als door diverse getuigen is beweerd ‘’geen tand zich meer in het gebit zal bevinden’’.

18. In de toelichting op het middel wordt aansluiting gezocht bij HR 13 mei 1997, NJ 1998, 318, waarin werd geoordeeld dat het hof een met een deskundigenrapport onderbouwd verweer dat geen sprake was van een kansspel niet had mogen verwerpen zonder het betreffende rapport in zijn oordeel te betrekken. Deze vergelijking gaat evenwel mank, reeds omdat het verweer in de onderhavige zaak niet is onderbouwd met een deskundigenrapport, maar berust op een eigen – en bovendien onjuiste – interpretatie van dat rapport. Uit het sectierapport (door het hof als bewijsmiddel 6 gebezigd) en de door [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring (bewijsmiddel 11) kan immers geenszins, laat staan ‘’onomstotelijk’’, volgen dat het letsel niet door harde schoppen zou kunnen zijn veroorzaakt. Sterker nog: [betrokkene 1] heeft in zijn sectieverslag opgenomen dat de ‘’zeer ernstige afwijkingen’’ aan de hersenen van het slachtoffer, die uiteindelijk voor het intreden van de dood hebben gezorgd, ‘’zijn opgeleverd door inwerking van hevig botsend uitwendig mechanisch geweld ter plaatse van de linkerzijde van het achterhoofd, zoals bijvoorbeeld een (zeer harde) trap.’’

19. Overigens merk ik nog op dat het enkele feit dat het gebit van het slachtoffer niet beschadigd was nog niet de conclusie rechtvaardigt dat verzoeker dus niet hard getrapt zou hebben: een normaal hoofd heeft niet her en der tanden zitten waarvan er altijd wel één geraakt zou worden bij een trap tegen het hoofd. Het medisch rapport geeft niet aan dat het hoofd van het slachtoffer in dezen afweek. Dat rapport duidt juist in punt 4 letselplaatsen aan die niet rond de mond zijn gelegen.

20. Anders dan in het eerdergenoemde arrest doet zich in het onderhavige geval dus geen uitzondering voor op de algemene regel dat de selectie en waardering van de bewijsmiddelen aan de feitenrechter is voorbehouden en dat deze daarvan in beginsel geen rekenschap behoeft af te leggen. De bewezenverklaring is derhalve voldoende met redenen omkleed.

21. Voor de verwerping van de juistheid van de feiten die aan een beroep op een strafuitsluitingsgrond ten grondslag worden gelegd gelden de bewijsregels niet. De vrijheid van de rechter is hier zo mogelijk nog groter dan in het geval van de bewijsvraag; de rechter kan bij de beoordeling van de feitelijke component van een dergelijk verweer datgene dat hem onaannemelijk voorkomt zonder meer terzijde stellen. Ook de verwerping van het beroep op noodweer(exces) is in dit – feitelijke – opzicht dus voldoende met redenen omkleed.

22. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

23. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd een beroep op noodweer(exces) heeft verworpen.

24. Het hof heeft het bewuste verweer aldus samengevat en verworpen:

‘’De raadsman heeft namens verdachte, na uitvoerige analyse van de hoofdrolspelers, hun verhouding tot elkaar en de toedracht van de gebeurtenissen op 15 september 1999, een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweer-exces.

Ten aanzien van [slachtoffer] heeft de raadsman uiteengezet dat hij een gewelddadig verleden heeft, zowel buiten de detentie als in de detentiesituaties waarin hij heeft verkeerd in binnen- en buitenland, en onvoorspelbaar is in zijn gedrag, ook tegenover medegedetineerden. Verdachte [verdachte] heeft daarentegen volgens de verdediging géén gewelddadig verleden. Ook in de EBI heeft [verdachte] nimmer voor problemen gezorgd en zich steeds correct en rustig gedragen.

Voor wat betreft de onderlinge verhouding tussen [slachtoffer] en [verdachte] heeft de raadsman aangegeven dat [slachtoffer] een geïsoleerde politie innam tussen de andere gedetineerden en het personeel, terwijl verdachte [verdachte] een van de weinigen is geweest die er tot op zekere hoogte in is geslaagd dat isolement af en toe te doorbreken.

De door het hof in navolging van de rechtbank in het vorenstaande tot de kern teruggebrachte – in de pleitnotitie uitvoeriger weergegeven – stellingen van de verdediging omtrent de persoon van de hoofdrolspelers en hun onderlinge verhouding vinden een voldoende grondslag in het voorhanden feitenmateriaal.

Deze stellingen worden dan ook als in essentie juist aanvaard. Dat betekent evenwel niet dat het hof tot dezelfde waardering komt van de gebeurtenissen in de namiddag van 15 september 1999 op de luchtplaats als [verdachte].

De kern van het beroep op noodweer dan wel noodweer-exces ligt immers bij de waardering van ‘’het incident’’ zelf. Dit derde, cruciale, aspect heeft de raadsman gedetailleerd geanalyseerd op de pagina’s 13 e.v. van zijn pleitnotitie.

Namens [verdachte] is aangevoerd dat zijn reactie geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. Voor zover geoordeeld mocht worden dat de grenzen van noodzakelijke verdediging zijn overschreden – hetgeen volgens [verdachte] niet het geval is geweest – is de strafbaarheid volgens [verdachte] in diens subsidiair bedoelde standpunt uitgesloten, nu die overschrij(d)ing het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. De advocaat-generaal heeft dit beroep op noodweer dan wel noodweer-exces (art. 41 Sr) bestreden.

Aan de hand van de op belangrijke punten overeenstemmende verklaringen van verdachte [verdachte] zelf (afgelegd bij de rechter-commissaris), de medegedetineerden [getuige 1] en Ordonez (die de gebeurtenissen op de luchtplaats hebben meegemaakt), alsmede de personeelsleden die het ‘’incident’’ van buiten de luchtplaats geheel of gedeeltelijk hebben gezien, kan met voldoende zekerheid de volgende chronologie worden vastgesteld:

- [verdachte], [getuige 1] en Ordonez bevinden zich al geruime tijd op de luchtplaats;

- [slachtoffer] komt later op de luchtplaats, begint zonder duidelijke reden te schelden en valt [verdachte], die naar [slachtoffer] toeloopt en met hem wil praten, aan door een kopstoot;

- [verdachte] ontwijkt de kopstoot gedeeltelijk, probeert [slachtoffer] van zich af te houden, geeft [slachtoffer] enige klappen en duwt hem van zich af, waarbij [slachtoffer] tegen de muur van de luchtplaats terecht komt;

- [slachtoffer] komt overeind en komt weer op [verdachte] af;

- [verdachte] geeft [slachtoffer] een paar stoten, waarna [slachtoffer] valt;

- [slachtoffer] bevindt zich op de grond en [verdachte] geeft hem drie of vier schoppen tegen (de voorzijde van) zijn hoofd;

- [slachtoffer] komt overeind en loopt naar [verdachte];

- [verdachte] geeft [slachtoffer] een zeer harde klap. [slachtoffer] valt – na door de klap met zijn voeten van de grond te zijn gekomen – steil achterover en komt met zijn achterhoofd op de (betonnen) vloer van de luchtplaats terecht en blijft liggen.

Het handgemeen heeft kort geduurd. De getuigen spreken van een tijdsspanne uiteenlopend van 30 tot 40 seconden tot hooguit 1,5 minuten. Tijdens het ‘’incident’’ is er geen personeel op de luchtplaats gekomen. [verdachte] heeft zich even later rustig door personeel van de EBI laten insluiten.

Ten aanzien van de eerste klappen en het van zich af duwen van [slachtoffer] door [verdachte], tengevolge waarvan [slachtoffer] ten val is gekomen deelt het hof in navolging van de rechtbank de visie van de verdediging. [slachtoffer] is begonnen met het handgemeen. Niet is gebleken dat [verdachte] daartoe aanleiding heeft gegeven. De omstandigheid dat [verdachte] op [slachtoffer] is toegelopen en een gesprek met hem wilde aanknopen, hetgeen past bij de hiervoor eerder aangestipte onderlinge verhouding tussen [verdachte] en [slachtoffer], kan in redelijkheid niet aan [verdachte] worden tegengeworpen. Het toedienen van enige klappen en het duwen – waarvan niet gebleken is dat dit buitensporig hard is geweest – betreffen handelingen die passend waren ter noodzakelijke verdediging van [verdachte] tegen ogenblikkelijk en als wederrechtelijk te kwalificeren fors geweld (kopstoot) van [slachtoffer] tegen [verdachte].

De cesuur ligt bij het daarop gevolgde schoppen door [verdachte]. Vast staat dat [slachtoffer] zich toen op de grond bevond en op dat moment geen acute bedreiging voor [verdachte] vormde. Aldus was er geen sprake meer van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen [verdachte] zich op dat moment moest verdedigingen en dus geen feitelijke grondslag voor een geslaagd beroep op noodweer of noodweer-exces.

Maar zelfs wanneer het hof niet tot die uitkomst zou komen, dan nog behoort het beroep op noodweer dan wel noodweer-exces te worden afgewezen.

Met de rechtbank acht het hof namelijk het toegepaste geweld in de vorm van het schoppen disproportioneel. Ook volgens [verdachte] zelf, in zijn verklaring bij de rechter-commissaris, zat [slachtoffer] op de grond. Schoppen tegen het hoofd is in het algemeen een zeer ernstige en levensgevaarlijke vorm van geweld. Daarbij komt nog dat [verdachte] het niet bij één schop heeft gelaten maar, ook naar eigen zeggen, drie of vier keer heeft geschopt. [verdachte] verklaart zelf dat hij niet op vol vermogen heeft geschopt maar uit diverse getuigenverklaringen blijkt overtuigend dat [verdachte] wel meermalen hard tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt. De vergelijking met het wegtrappen van een bal wordt door getuigen meermalen gemaakt. Ook wordt meermalen vermeld dat het hoofd van [slachtoffer] door het trappen bewoog.

Het disproportionele karakter van het door [verdachte] toegepaste geweld geldt ook voor de finale klap tegen het hoofd van [slachtoffer] – die door nagenoeg alle getuigen van het voorval als zeer hard wordt omschreven – tengevolge waarvan [slachtoffer] achterover ‘’gestrekt’’ is gegaan en (ook volgens [verdachte] zelf heel duidelijk hoorbaar) met zijn hoofd op de grond is geklapt, nu uit getuigenverklaringen blijkt dat [slachtoffer] op dat moment al verssuft was, net was opgekrabbeld en aldus geen serieuze bedreiging vormde.

Tenslotte is op geen enkele wijze aannemelijk geworden – niet uit de verklaringen van anderen en evenmin uit de verklaring van [verdachte] zelf – dat [verdachte] ten prooi is geweest aan een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding van de zijde van [slachtoffer] veroorzaakt. Integendeel, alle beschrijvingen van de toestand van [verdachte], tijdens het gebeuren en ook direct daarna, wijzen er veeleer op dat hij rustig was, een zekere controle over de situatie had en niet echt in het nauw is gekomen.

Ook is niet aannemelijk geworden dat de gewelddadige ‘’voorgeschiedenis’’ van [slachtoffer] een dusdanige rol heeft gespeeld bij de gemoedstoestand van [verdachte] tijdens het handgemeen, dat hij als gevolg daarvan zozeer geëmotineerd was dat hij daardoor ten prooi was gevallen aan een hevige gemoedsbeweging waarbij de grenzen van noodzakelijk verdediging door hem werden overschreden.

Het beroep op noodweer en noodweer-exces wordt derhalve verworpen. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit.

25. In het middel wordt betoogd dat het hof de bijzondere omstandigheden van deze zaak heeft miskend, waarbij onder meer wordt gewezen op de gewelddadige reputatie van het slachtoffer, de onmogelijkheid voor verzoeker om zich aan de vechtpartij te onttrekken in verband met de besloten ruimte waar het incident plaatsvond (de luchtplaats van de Extra Beveiligde Inrichting) en het feit dat verzoeker wist dat er geen hulp zou komen. Voorts zou ’s hofs overweging dat [slachtoffer] ten tijde van het schoppen geen acute bedreiging voor verzoeker vormde onbegrijpelijk zijn in het licht van de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verzoeker (bewijsmiddel 7) en de als bewijsmiddel 8 gebezigde verklaring van getuige [getuige 1].

26. Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer [slachtoffer] op het moment dat hij zich op de grond bevond als gevolg van de eerste, gerechtvaardigde, klappen en het duwen van verzoeker geen acute dreiging voor verzoeker vormde. Aldus heeft het hof vastgesteld dat zich op dat moment niet meer een noodweersituatie voordeed. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gelet op onder meer de inhoud van de bewijsmiddelen. Zowel getuige [getuige 2], als getuige [getuige 3] als getuige [getuige 4] verklaren (resp. bewijsmiddel 9, 10 en 12) dat verzoeker op het slachtoffer intrapte, toen het slachtoffer op de grond zat of lag. Geen van deze getuigen rept van enige activiteit aan de kant van het slachtoffer op dat moment, laat staan van een aanval gericht op verzoeker. Ook de twee in het middel aangehaalde verklaringen van verzoeker en getuige [getuige 1] doen aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel niet af. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] ‘’op de grond zittend’’ met zijn benen in de richting van verzoeker trapte. Dat kan toch bezwaarlijk als een ogenblikkelijke aanval tegen verzoeker worden bestempeld. Verzoeker zelf heeft verklaard dat [slachtoffer] nadat hij op de grond terecht kwam, ‘’weer meteen overeind’’ kwam. Het enkele feit dat [slachtoffer] weer overeind kwam, betekent evenwel nog niet dat hij verzoeker ook aanviel. Moet iemand dan op de grond blijven zitten? Over een aanval door het slachtoffer op het moment dat hij op de grond zat of lag heeft ook verzoeker zelf niets verklaard.

27. Voor zover in het middel wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat het slachtoffer een gewelddadige reputatie had en onvoorspelbaar in zijn gedrag was, mist het feitelijke grondslag, nu het hof nadrukkelijk heeft overwogen dat het in dat opzicht het door de raadsman gestelde als juist heeft aanvaard.

28. Voor zover er over wordt geklaagd dat het hof onvoldoende is ingegaan op de bijzondere omstandigheden bestaande uit de besloten ruimte, de onmogelijkheid voor verzoeker om zich aan de vechtpartij te onttrekken en het feit dat verzoeker wist dat geen hulp zou komen, faalt het middel, nu het hof heeft geoordeeld dat de verdedigingshandeling laboreerde aan een subsidiairteitsgebrek. Het hof heeft immers vastgesteld dat geen sprake meer was van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat van het slachtoffer geen gevaar meer uitging, ook niet in de feitelijke luchtplaatssituatie: verzoeker was inmiddels duidelijk de meerdere gebleken van het slachtoffer: dat lag op de grond toen de trappen volgden, en was na die trappen tegen zijn hoofd dizzy (bewijsmiddel 9) of wankelend (bewijsmiddel 10) opgestaan, toen verzoeker de finale – en naar mijn inschatting fatale – linkse hoek uitdeelde, waardoor het slachtoffer met zijn hoofd op het beton sloeg.

29. De overwegingen die het hof aan het disproportionele karakter van de schoppen en de finale klap heeft gewijd zien overigens ook op de noodzaak van de verdediging en zijn derhalve, zoals ook het hof zelf heeft onderkend, slechts ten overvloede gegeven.

30. Datzelfde geldt niet voor de overwegingen met betrekking tot de beweerde hevige gemoedstoestand van verzoeker omdat van een extensief noodweerexces sprake kan zijn als de wederrechtelijke aanval waartegen men zich moest verdedigen, is opgehouden en verdediging dus niet meer noodzakelijk is (HR 24 april 1984, NJ 1984, 731). Het hof heeft echter op feitelijke en niet onbegrijpelijke gronden geoordeeld dat uit niets blijkt van een hevige gemoedsbeweging die door de voorafgaande wederrechtelijke aanranding zou zijn veroorzaakt.

31. Het vierde middel faalt dus.

32. Alle middelen kunnen op de voet van de aan art. 81 RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak zou moeten vernietigen.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,