Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF2966

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
C01/178HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF2966
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 199
JWB 2003/166
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C01/178HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 10 januari 2003

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.

Inleiding

1. In dit geding gaat het - kort samengevat - om het volgende. Thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], is in 1977 een verkeersongeval overkomen door onoplettendheid van een andere weggebruiker, [betrokkene 1]. Kort na dit ongeval heeft [eiser] zijn aanspraken op [betrokkene 1], voorzover voortvloeiend uit arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het ongeval, overgedragen aan zijn werkgeefster, thans verweerster in cassatie, verder: de NAM. Vervolgens heeft de NAM haar schade, bestaande in aan [eiser] gedane uitkeringen terzake van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, op de verzekeraar van [betrokkene 1] verhaald. [Eiser] is na het ongeval niet klachtenvrij geweest; hij heeft zijn werk in april 1978 hervat ondanks zijn klachten en beperkingen. Bij later medisch onderzoek is een post-traumatische artrose geconstateerd; de ernst van dit letsel dat door de medici "moeiteloos" in causaal verband is gebracht met het ongeval, is in de loop der jaren toegenomen; nadat [eiser] in 1989 is geopereerd ter vermindering van zijn chronische pijnklachten, is [eiser] op 4 december 1997 volledig arbeidsongeschikt verklaard. Eerst bij brief van 31 augustus 1995 heeft [eiser] de NAM aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval om de NAM vervolgens bij dit geding inleidende dagvaarding van 5 februari 1999 in rechte te betrekken; onder meer stellende dat het litigieuze auto-ongeval is aan te merken als bedrijfsongeval dat hem is overkomen tijdens zijn dienstverband met de NAM, heeft hij gevorderd de NAM te veroordelen tot volledige schadevergoeding. De NAM heeft zich onder meer beroepen op verjaring. De Rechtbank heeft dat beroep onder verwijzing naar art. 3:310 lid 1 BW (met zijn vijfjaarstermijn) juncto art. 73 Overgangswet gehonoreerd, waartoe zij onder meer overwoog dat [eiser] in ieder geval in 1989 op de hoogte was van de blijvende aard en van het progressieve karakter van het letsel en dat niet is gebleken van een stuitingshandeling vóór eerdergenoemde brief van 31 augustus 1995. Daartegen keert zich het cassatiemiddel dat mijns inziens moet falen. Voordat ik hierop nader inga, geef ik een kort overzicht van de feiten en het verloop van het geding.

2. Tussen partijen staat - voorzover in cassatie van belang - het volgende vast:

i) [Eiser] is gedurende de periode van 1 juni 1977 tot 20 november 1978 als wellsite petroleum engineer met Assen als standplaats in loondienst van de NAM werkzaam geweest. In deze functie was [eiser] medeverantwoordelijk voor de uitvoering van exploratieboringen naar gasreservoirs in Noord-Oost-Nederland. In de buitendienst op een boorlocatie werd zeven dagen achtereen gewerkt; daarbij was het [eiser] toegestaan in een nabijgelegen hotel te overnachten mits de situatie op de boorlocatie dat toeliet.

ii) [Eiser] heeft op 2 augustus 1977 de verantwoordelijkheid op een boorlocatie te Harkstede overgenomen. Nadat [eiser] in de nacht van 2 op 3 augustus 1977 in een hotel in Groningen had overnacht, is hem op 3 augustus 1977 omstreeks 7.15 uur op weg naar Harkstede een ongeval overkomen. Dit ongeval is veroorzaakt door [betrokkene 1]. [Eiser] heeft bij dit ongeval ernstig letsel opgelopen.

iii) Op verzoek van de NAM en ingevolge art. 11 van het arbeidscontract heeft [eiser] zijn toenmalige en toekomstige rechten en aanspraken jegens [betrokkene 1], voor zover deze rechten en aanspraken voortvloeiden uit zijn arbeidsongeschiktheid, aan de NAM gecedeerd.

iv) [Eiser] is na het hem op 3 augustus 1977 overkomen ongeval niet klachtenvrij geweest. Hij heeft zijn werk in april 1978, ondanks zijn klachten en beperkingen, hervat.

v) In november 1978 is [eiser], nadat hij ondanks zijn melding van de klachten medisch was goedgekeurd, in de buitendienst gaan werken voor - kort gezegd - Shell. Na circa vier maanden is hij op zijn verzoek door een Shell-arts onderzocht en heeft hij medicijnen gekregen. Die waren niet effectief. Het lopen bleef door de pijn beperkt.

vi) Bij later onderzoek in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht is "post-traumatische artrose met osteophytvorming in het bovenste spronggewricht van de enkel" bij [eiser] geconstateerd. Deze aandoening is niet te genezen; [eiser] diende zijn enkel te ontzien. Door de medici is het letsel toen "moeiteloos" in causaal verband gebracht met het [eiser] in 1977 overkomen ongeval.

vii) De ernst van de post-traumatische artrose is in de loop der jaren toegenomen en in 1989 is [eiser] uiteindelijk in Utrecht geopereerd ter vermindering van zijn chronische pijnklachten.

viii) [Eiser] heeft de NAM bij brief van 31 augustus 1995 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het hem overkomen ongeval.

ix) [Eiser] is sedert 4 december 1997 volledig arbeidsongeschikt geraakt en door het GAK Nederland BV bij brief van 22 november 1999 in het kader van de WAO met ingang van 4 december 1997 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.

x) De NAM heeft in 1994 aangeboden om de eertijds aan haar overgedragen rechten jegens [betrokkene 1] aan [eiser] te retrocederen, doch [eiser] heeft daaraan niet willen meewerken.

3. Bij dit geding inleidende dagvaarding van 5 februari 1999 heeft [eiser] gevorderd - kort gezegd - te verklaren voor recht dat het litigeuze auto-ongeval is aan te merken als een bedrijfsongeval dat [eiser] tijdens zijn dienstverband met de NAM is overkomen; hij vorderde voorts de NAM te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden schade, zowel de immateriële als de vermogensschade, nader op te maken bij staat. Daarbij heeft [eiser] zich beroepen op art. 7:658 (werkgeversaansprakelijkheid) en op art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) alsmede - in appel - op enkele bijzondere bepalingen in het Mijnenreglement 1964 die in cassatie geen rol meer spelen en op aansprakelijkheid van de NAM uit hoofde van de cessie.

De NAM heeft zich ten verwere onder meer op verjaring beroepen. [Eiser] heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat - gezien art. 3:310 lid 1 BW dat voor het aanvangen van de korte verjaringstermijn van vijf jaar bekendheid met de schade eist - geen sprake kan zijn van verjaring nu hij eerst op, dan wel kort voor, 4 december 1997 kon bevroeden dat hij volledig arbeidsongeschikt zou worden en het in dit geding nu juist gaat om de schade die samenhangt met die arbeidsongeschiktheid.

4. De Kantonrechter heeft de vorderingen van [eiser] bij vonnis van 18 oktober 1999 afgewezen. Hij overwoog daartoe dat het aan [eiser] overkomen ongeval niet als bedrijfsongeval kan worden aangemerkt nu het ongeval plaatsvond tijdens "woon-werkverkeer" en dat ook al ware dit anders, de NAM niet aansprakelijk kan worden gehouden nu geen sprake is geweest van een tekortschieten van de NAM jegens [eiser] in haar in art. 7:658 BW omschreven en naar vaste jurisprudentie ruim op te vatten zorgverplichting (het ongeval was geheel te wijten aan onoplettendheid van [betrokkene 1]) en er onvoldoende omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat de NAM op grond van art. 6:162 BW of naar redelijkheid en billijkheid gehouden is de door [eiser] geleden schade te vergoeden.

5. Van dit vonnis heeft [eiser] principaal en de NAM voorwaardelijk incidenteel geappelleerd. [Eiser] heeft zijn vorderingen in eerste aanleg aangevuld in dier voege dat hij tevens heeft gevorderd - kort gezegd - te verklaren voor recht dat de NAM uit hoofde van de akte van cessie d.d. 24 oktober 1977 gehouden is om [eisers] schade - ten behoeve van deze -integraal te verhalen op eventuele aansprakelijke derden en dat de NAM, indien zij de bij de akte van cessie overgedragen rechten niet meer jegens derden geldend kan maken, aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] daardoor lijdt, terwijl hij voorts heeft gevorderd de NAM te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat.

De NAM heeft haar beroep op verjaring gehandhaafd.

6. Rechtdoende op het principaal appel kwam de Rechtbank tot de slotsom dat de vorderingen houdende de veroordeling tot schadevergoeding zijn verjaard en dat de gevorderde verklaringen voor recht derhalve wegens gebrek aan belang evenmin voor toewijzing in aanmerking komen.

De Rechtbank stelde daartoe in rechtsoverweging 5.5 voorop dat alle schadeposten die op 3 augustus 1977, de ongevalsdatum, bekend waren, ingevolge art. 73 Overgangswet juncto art. 3:310 BW - dat ook van toepassing is op art. 7:658 BW - met ingang van 1 januari 1993 zijn verjaard nu van stuiting van de verjaring geen sprake is geweest aangezien [eiser] de NAM eerst bij brief van 31 augustus 1995 aansprakelijk heeft gesteld; de Rechtbank overwoog voorts dat ook alle schadeposten die tot 31 augustus 1990 bekend waren, zijn verjaard nu aansprakelijkstelling pas bij brief van 31 augustus 1995 heeft plaatsgevonden.

Vervolgens verwierp de Rechtbank in rechtsoverweging 5.7-5.8 de stelling van [eiser] dat geen sprake kan zijn van verjaring op de voet van art. 3:310 lid 1 BW - dat voor het aanvangen van de verjaring bekendheid met de schade eist - nu hij eerst op, dan wel kort voor, 4 december 1997 kon bevroeden dat hij volledig arbeidsongeschikt zou worden en het in dit geding nu juist gaat om de schade die samenhangt met die arbeidsongeschiktheid. De Rechtbank overwoog dat de ingestelde vorderingen niet uitsluitend zien op de schade voorvloeiend uit de algehele arbeidsongeschiktheid, en voorts dat de verjaringstermijn ook niet is gaan lopen op het moment waarop [eiser] op de hoogte raakte van zijn volledige arbeidsongeschiktheid. Onder verwijzing naar de Parlementaire Geschiedenis betreffende art. 3:310 BW en naar de opvatting van Hartkamp in Asser-Hartkamp 4-I, nr. 664 e.v. en in zijn conclusie voor HR 3 november 1995, NJ 1998, 380, overwoog de Rechtbank met betrekking tot het aanvangen van de verjaring dat als uitgangspunt moet gelden dat de verjaring niet aanvangt zolang de schadepost niet bekend is, doch dat de verjaring wel aanvangt ingeval de schadepost op zichzelf bekend is maar de omvang nog niet; dit, omdat niet is vereist dat de schade reeds volledig kan worden vastgesteld en sprake is van een medische eindsituatie, doch voldoende is dat duidelijk is dat sprake is van een lichamelijke kwetsing waarvan nog geen medische eindsituatie is bereikt. De Rechtbank kwam tot de slotsom dat [eiser] gezien de vaststaande feiten in ieder geval in 1989 op de hoogte was van de blijvende aard van zijn letsel en van het zich progressief ontwikkelen daarvan en dat de vorderingen houdende de veroordeling tot schadevergoeding derhalve zijn verjaard nu aansprakelijkstelling pas bij brief van 31 augustus 1995 heeft plaatsgevonden.

7. [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep tegen dit vonnis ingesteld. De NAM heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht; daarna hebben zij nog van repliek en van dupliek gediend.

Het cassatiemiddel

8. Middelonderdeel 1 keert zich - gezien zijn aanhef - tegen de eerste volzin van rechtsoverweging 5.6 waarin de Rechtbank overwoog dat de vordering tot vergoeding van de schade die op 3 augustus 1977, de ongevalsdatum, bekend was, met ingang van 1 januari 1993 is verjaard tenzij de verjaring zou zijn gestuit. Subonderdeel a bevat de klacht dat de Rechtbank door aldus te overwegen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip schade als bedoeld in art. 3:310 BW aangezien dat begrip - aldus het middel - doelt op de verzameling van schadesoorten met een opeisbare schade, terwijl de Rechtbank het begrip schade slechts heeft gehanteerd in de betekenis van "nader te bepalen gevolg" van het ongeval. Subonderdeel b klaagt dat indien de Rechtbank zich van een juiste rechtsopvatting zou hebben bediend, de uitspraak niet genoegzaam is gemotiveerd omdat de Rechtbank geen antwoord geeft op de vraag waarom de pas op 4 december 1997 ingegane volledige arbeidsongeschiktheid reeds op 3 augustus 1977 bekend zou zijn geweest, noch op de vraag waarom na 4 december 1997 de van maand tot maand ingegane en opeisbaar geworden rechten op een arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds op 3 augustus 1977 opeisbaar zouden zijn geweest.

9. Kennelijk veronderstelt het middelonderdeel in beide subonderdelen dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat [eiser] reeds op de ongevalsdatum, 3 augustus 1977, bekend was met de arbeidsongeschiktheid en de daarmee samenhangende inkomensschade respectievelijk dat de na 4 december 1997 ingegane en opeisbaar geworden rechten op een arbeidsongeschiktheiduitkering reeds op 3 augustus 1977 opeisbaar zouden zijn geweest. Dat uitgangspunt is evenwel onjuist. De Rechtbank heeft niet aldus geoordeeld, noch in de gewraakte eerste volzin die geen betrekking heeft op de schade samenhangend met de arbeidsongeschiktheid, noch in de rechtsoverwegingen 5.7-5.9 die wél op die schade betrekking hebben.

10. Aan de middelonderdelen 2 en 3 vervatte klachten gaat een inleiding vooraf waarin wordt betoogd dat de stelling van de NAM dat de vorderingen van [eiser] ter zake van het ongeval aan de NAM werden gecedeerd zodat [eiser] geen vordering meer had om te gelde te maken tegen de NAM, een erkenning inhoudt van de door [eiser] gepretendeerde vordering, zij het dat die erkenning betrekking heeft op de periode tot aan de cessie. Uitgaande van die erkenning kan niet worden ontkomen aan het oordeel dat de NAM door het meewerken aan die overdracht van vorderingsrechten ter zake van arbeidsongeschiktheid, de plicht aanvaardde om aan [eiser] alle schade te vergoeden die het gevolg is van arbeidsongeschiktheid; aangezien [eiser] binnen vijf jaar nadat hij arbeidsongeschikt werd verklaard, de NAM dagvaardde tot nakoming van haar blijkens de cessie aanvaarde plicht, kan van verjaring geen sprake zijn geweest. Aldus deze inleiding.

Middelonderdeel 2a klaagt dat de Rechtbank heeft miskend dat de vordering vanaf het moment dat deze aan de werkgever werd overgedragen, niet meer door een doen of laten van de werknemer kon verjaren en dat de Rechtbank aldus ten onrechte de vordering verjaard achtte. Middelonderdeel 2b betoogt dat de Rechtbank heeft miskend dat de cessie een erkenning inhield en dat door die erkenning de verjaring werd gestuit. Middelonderdeel 2c klaagt dat de Rechtbank essentiële stellingen onbehandeld heeft gelaten doordat zij niet is ingegaan op hetgeen [eiser] dienaangaande heeft aangevoerd. Middelonderdeel 3a betoogt dat de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat [eiser] zich op stuiting van de verjaring heeft beroepen. Middelonderdeel 3b klaagt dat de Rechtbank althans onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar gedachtegang omtrent de erkenning, de stuiting en het feit dat de werknemer niets meer kon doen of laten met betrekking tot de verjaring van de rechtsvordering die werd overgedragen.

11. De middelonderdelen 2 en 3 falen. Daarbij stel ik voorop dat uit de inleiding op deze middelonderdelen noch uit de middelonderdelen blijkt dat met het in de inleiding vervatte betoog wordt aangestuurd op een klacht van de strekking dat de vordering van [eiser] (mede) strekte tot nakoming van enige bij cessie aanvaarde verplichting die was onderworpen aan een ander verjaringsregime dan dat van art. 3:310 BW.

De middelonderdelen 2a en 3b (slot) verliezen uit het oog dat de Rechtbank in het onderhavige geding uitsluitend de vraag heeft beantwoord of de vordering tot schadevergoeding van [eiser] op de NAM is verjaard en dat niet aan de orde was de vraag of de bij cessie overgedragen vordering van [eiser] op [betrokkene 1] is verjaard. De middelonderdelen 2b, 2c, 3a en 3b verwijten het Hof te hebben miskend dat een erkenning van aansprakelijkheid, zoals die volgens het middel in de cessie ligt besloten, de verjaring stuit (art. 2019 oud respectievelijk 3:318 BW). Voorzover deze klachten, die bij het ontbreken van een verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken reeds afstuiten op art. 407 lid 2 Rv, wél betrekking hebben op het door de Rechtbank gegeven oordeel over de door [eiser] gepretendeerde vordering op de NAM, falen zij ook bij gebrek aan belang. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de NAM door zich de vorderingen van [eiser] jegens [betrokkene 1] te laten overdragen, haar eigen aansprakelijkheid voor het [eiser] overkomen ongeval heeft erkend, hetgeen mij weinig aannemelijk voorkomt, heeft deze erkenning in de verhouding tussen [eiser] en de NAM geen ander effect gehad dan dat vanaf de datum der cessie een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. Nu vaststaat, althans door [eiser] is gesteld, dat deze cessie heeft plaatsgehad op 24 oktober 1977 - dus nog geen drie maanden na het ongeval - kan de gestelde erkenning geen verandering brengen in de door de Rechtbank getrokken conclusie dat bij gebreke van een stuitingshandeling vóór de brief van 31 augustus 1995, alle schadeposten die voor 31 januari 1990 bekend waren zijn verjaard.

12. Middelonderdeel 4 bevat - naar aanleiding van de verwijzing van de Rechtbank in rechtsoverweging 5.8 naar de Parlementaire Geschiedenis - inleidende beschouwingen over de wetsgeschiedenis. Ik neem aan dat de klachten van dit onderdeel ook betrekking hebben op rechtsoverweging 5.8 en niet op rechtsoverweging 5.6, zoals kennelijk bij vergissing herhaaldelijk wordt aangegeven. De door het middel essentieel geachte passage uit de MvA II - waarin de Minister reageert op opmerkingen in het VV II over de betekenis van de vereffenbaarheid van de schade voor het aanvangen van de verjaring van art. 3:310 BW - luidt als volgt (Parl. Gesch. Boek 3, p. 927-928):

"Om tweeërlei reden kan het juiste bedrag van de schade aan de benadeelde nog niet bekend zijn. Ten eerste omdat hij de schade - alle schadefactoren - weliswaar kent, maar het bedrag toch nog taxatie door een deskundige vereist: hierop behoort het intreden van de verjaringstermijn niet te wachten. De verjaring kan door het instellen van een eis of door schriftelijke aanmaning worden gestuit (artikelen 16 en 17) (art. 3:317 en 318; DVL)) of door erkenning van de schuld door de schuldenaar (artikel 18) (art. 3:318; DVL). Ten tweede kan, wegens onbekendheid van schadefactoren, de schade in haar geheel onbekend zijn; in het gegeven voorbeeld omdat onbekend is of de kwetsing enige invaliditeit heeft veroorzaakt, en zo ja, van welke graad of duur die invaliditeit is. Het kan zeer wel zijn dat de benadeelde aanvankelijk meent slechts een geringe verwonding te hebben opgelopen en dat pas na geruime tijd, wellicht pas na enige jaren, blijkt dat hij door wanprestatie of de onrechtmatige daad invalide is geworden. Hiermede houdt artikel 13 (art. 3:310; DVL) ten volle rekening."

Ik volsta hier met de opmerking dat ik, evenals kennelijk de Rechtbank, in deze passage geen dwingende aanwijzing lees dat voor het aanvangen van de vijfjaarstermijn steeds is vereist dat de medische eindtoestand is ingetreden. De omzichtige formulering, die strikt genomen slechts duidelijk maakt dat het intreden van de verjaringstermijn niet wacht op taxatie van het schadebedrag, duidt er mijns inziens op dat de wetgever de rechter enige ruimte heeft willen laten om in een concreet geval vast te stellen wanneer de benadeelde voldoende kennis had omtrent zijn letsel en de daaruit voortvloeiende schade om zijn aanspraken op vergoeding in rechte geldend te kunnen maken. Ik verwijs verder naar hetgeen hierover in de literatuur is opgemerkt: zie Asser-Hartkamp 4-I, nr. 674-674a; J.G.A. Linssen en A.C. van Schaick in: Van nieuw BW naar BW, 1993, p. 81-82; M.W.E. Koopmann, Bevrijdende verjaring, 1994, p. 59-60 en dezelfde, Vermogensrecht (losbl.) art. 310, aant. 2.1; A.J. Akkermans, preadvies Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 1998, p. 73-75; J. Spier, Schadevergoeding: algemeen, deel 3, Mon. NBW B-36, 1992, p. 76-77 en dezelfde, Verbintenis uit de wet en schadevergoeding, 2e druk, 2000, p. 315-316.

13. Middelonderdeel 4a strekt ten betoge dat de Rechtbank heeft miskend dat een onderscheid moet worden gemaakt, zoals blijkt uit de hiervoor geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis, tussen de situatie waarin (naar ook achteraf blijkt) wél reeds alle schadefactoren bekend zijn, doch de precieze omvang van die schadefactoren nog nadere bepaling vergt en anderzijds de situatie waarin (achteraf blijkt) dat niet alle schadefactoren bekend zijn. Geklaagd wordt ook dat het vonnis niet naar behoren is gemotiveerd nu in de eerste volzin van rechtsoverweging 5.8 wordt miskend dat in de hiervoor geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis met de term "schade" wordt gedoeld op "de volledige verzameling van schadefactoren die opeisbaar zijn." Middelonderdeel 4b klaagt in dat verband dat de Rechtbank aan Asser-Hartkamp een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 3:310 en 6:105 BW toeschrijft en dat zulks blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

14. Beide middelonderdelen falen. De Rechtbank heeft niet miskend dat het door het middel bedoelde onderscheid moet worden gemaakt. De Rechtbank heeft immers, in cassatie onbestreden, het standpunt van [eiser] aldus verstaan dat de verjaring eerst een aanvang heeft genomen toen [eiser] - op, dan wel kort voor, 4 december 1997 - op de hoogte raakte van zijn volledige arbeidsongeschiktheid; zij heeft vervolgens dat standpunt verworpen en geoordeeld dat bekendheid van [eiser] met de schadeposten samenhangend met invaliditeit en arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen op het moment waarop [eiser] op de hoogte was van de blijvende aard en het progressieve karaker van zijn letsel; zij heeft geoordeeld dat [eiser] in ieder geval in 1989 (vele jaren na de ongevalsdatum) op de hoogte was van de blijvende aard en van het progressieve karakter van zijn letsel. In dat oordeel ligt besloten dat vanaf dat tijdstip slechts de omvang doch niet het bestaan van de schade samenhangend met invaliditeit en arbeidsongeschiktheid onbekend was. Het middel voert geen vaststaande of door [eiser] gestelde omstandigheden aan waaruit volgt dat de volledige arbeidsongeschiktheid per 4 december 1997 schade heeft doen ontstaan waarvan [eiser] destijds niet alleen de omvang maar ook het bestaan niet kende en die hij niet reeds destijds (in 1989) - zo nodig op de voet van art. 6:105 BW - had kunnen vorderen. Bij deze stand van zaken kan onderdeel 4, dat in zijn tweede subonderdeel overigens andermaal tekortschiet in het naleven van de aan art. 407 lid 2 Rv te ontlenen eisen, niet tot cassatie leiden.

15. Middelonderdeel 5 behoeft met zijn verwijzing naar de middelen 1-4 geen afzonderlijke bespreking.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden