Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF2846

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
21-03-2003
Zaaknummer
C02/028HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF2846
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 175
JWB 2003/135
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. C02/028HR

Mr. A.S. Hartkamp

zitting 20 december 2002

Conclusie inzake

[de man]

tegen

1) [zoon 1]

2) [zoon 2]

3) [de vrouw]

Feiten en procesverloop

1) In cassatie dient te worden uitgegaan van de volgende feiten. Het op 6 mei 1969 tussen eiser tot cassatie (verder te noemen: de man) en verweerster in cassatie sub 3 (verder te noemen: de vrouw) gesloten huwelijk is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 19 oktober 1993 van het echtscheidingsvonnis van de rechtbank te Middelburg d.d. 21 juli 1993. De man en de vrouw waren aanvankelijk in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij akte van 18 mei 1984 zijn alsnog huwelijkse voorwaarden opgemaakt, waardoor tussen hen geen enkele gemeenschap van goederen meer bestond. Met name na de ontbinding van het huwelijk bestonden er tussen de man en de vrouw diepgaande verschillen van mening over vermogensrechtelijke aangelegenheden. Uit het huwelijk tussen de man en de vrouw zijn verweerders in cassatie sub 1 en 2 (verder te noemen: de zoons) geboren.

Op of omstreeks 12 mei 1996 werd de man geconfronteerd met het feit dat hij naar aanleiding van een aangifte van de vrouw door de rechtbank te Middelburg bij verstek was veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar ter zake van mishandeling en verkrachting. De man heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De man en de vrouw hebben de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding bindend geregeld in een echtscheidingsconvenant d.d. 18 november 1996. Dit echtscheidingsconvenant luidt, voor zover van belang, als volgt:

"I. Alimentatie

1. Partijen komen overeen dat per de datum van ontbinding van hun huwelijk de één tegenover de ander niet tot betaling van een alimentatie gehouden zal zijn. Dit beding zal niet bij rechterlijke uitspraak kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden."

Bij notariële akte van 20 december 1996 heeft de man zich jegens de zoons verplicht met ingang van 1 januari 1997 maandelijks een bedrag groot ƒ 1.500 aan een van de zoons te betalen. De maandelijkse betalingen dienden uiteindelijk ten goede te komen aan de vrouw. Deze notariële akte luidt, voor zover van belang, als volgt:

"De man verplicht zich om met ingang van één januari negentienhonderd zevenennegentig een bedrag ad vijftienhonderd gulden (NLG 1500,=) netto per maand aan een der zonen te betalen, betaalbaar te stellen per postwissel, welke verplichting door beide zonen hierbij wordt aanvaard. De man vrijwaart hierbij beide zonen ter zake eventuele aanspraken van de belastingdienst, waarbij de man tegelijkertijd te kennen geeft dat hij de betalingen niet fiscaal zal aftrekken, zodat de door een der zonen te ontvangen bedragen als netto beschouwd dienen te worden. Deze betalingsverplichting geldt tot aan het moment dat de voormalige echtgenote van de man, [de vrouw], hierna ook te noemen: "De vrouw", geboren op [geboortedatum] negentienhonderd vijftig te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], de vijfenzestigjarige leeftijd zal bereiken, met dien verstande dat deze betalingsverplichting van de man pas in werking treedt terstond nadat aan de navolgende twee voorwaarden is voldaan:

- De vrouw gaat over tot ondertekening van het echtscheidingsconvenant, versie de dato vier oktober negentienhonderd vijfennegentig, waarin de verdeling van de op negentien oktober negentienhonderd drieënnegentig ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van de man en de vrouw tot stand wordt gebracht.

. . . .

- De vrouw verplicht zich tot het intrekken van de strafklacht, die onder parketnummer 12/011748/94 bij de arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft geleid tot een verstekvonnis de dato tweeëntwintig februari negentienhonderd zesennegentig, tegen welk vonnis hoger beroep is ingesteld onder rolnummer 22001944/96 bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Hierbij wordt aangetekend dat het partijen genoegzaam bekend is dat de Officier van Justitie de persoon is die de beslissingsbevoegdheid heeft om uiteindelijk te bepalen of de strafrechtelijke procedure, zoals voornoemd, daadwerkelijk zal worden voortgezet of wordt ingetrokken. . . . ."

Bij brief gedateerd 10 januari 1997 heeft de vrouw het parket van de Procureur-Generaal van het Gerechtshof te Den Haag medegedeeld dat zij om haar moverende redenen de aanklacht tegen de man wilde intrekken. Nadat het Gerechtshof te Den Haag vorenbedoeld verstekvonnis had vernietigd en de zaak ter verdere behandeling had terugverwezen naar de rechtbank te Middelburg, heeft de vrouw, door het Openbaar Ministerie ter zitting als getuige opgeroepen, nadat zij op haar verschoningsrecht was gewezen, een voor de man belastende verklaring afgelegd. De man is vervolgens door de rechtbank te Middelburg veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 240 uur. De man is van dit laatste vonnis niet in hoger beroep gegaan. Gedurende de periode januari tot en met augustus 1997 heeft de man maandelijks ƒ 1.500 aan de zoons betaald.

2) De man heeft de zoons gedagvaard(1) en primair gevorderd dat de overeenkomst, neergelegd in de notariële akte van 20 december 1996 nietig wordt verklaard wegens strijd met de wet, de goede zeden dan wel de openbare orde. Subsidiair vorderde de man vernietiging van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden. Meer subsidiair vorderde hij ontbinding dan wel wijziging van de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden, in dier voege dat het maandelijks door hem te betalen bedrag op nihil, althans op een lager bedrag dan ƒ 1.500 per maand wordt gesteld.

Voor zover in cassatie van belang adstrueerde de man zijn primaire vordering met de stelling dat de overeenkomst, anders dan de titel stelt, niet strekt tot levensonderhoud van de zoons, maar tot het verstrekken van levensonderhoud aan de vrouw, nu partijen er blijkens de strekking van de overeenkomst van zijn uitgegaan dat de zoons de betreffende ƒ 1500 netto per maand aan de vrouw zouden doorbetalen. De man stelde dat om die reden sprake is van een schijnovereenkomst, die strijdig is met de openbare orde omdat hierdoor de civielrechtelijke en fiscale systematiek van de alimentatieplicht wordt doorbroken. De man stelde in dit verband dat er naar objectieve maatstaven geen reden was om alimentatie aan de vrouw te betalen omdat zij daarvan onherroepelijk afstand had gedaan, daarenboven inmiddels samenleefde als ware zij gehuwd, en voorts in een normale alimentatieprocedure maximaal 12 of 15 jaar alimentatie zou zijn toegewezen, terwijl in de onderhavige overeenkomst een langere periode is overeengekomen. Tevens zou de overeenkomst er volgens de man toe strekken de zoons en/of de vrouw in staat te stellen "zwart" over de te betalen ƒ 1500 per maand te beschikken.

Zijn subsidiaire vordering onderbouwde de man met de stellingen dat hij de overeenkomst met de zoons was aangegaan onder de druk van de hem opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar, dat de zoons op zijn gemoed hadden gewerkt door het te doen voorkomen alsof de vrouw in behoeftige omstandigheden verkeerde terwijl zij samenleefde als ware zij gehuwd en niet behoeftig was, en dat de zoons hem hadden voorgehouden dat hij op gronden van moraal en fatsoen alimentatie aan de vrouw moest betalen, mede om de familieband met hen (de zoons) te behouden.

In het kader van zijn meer subsidiaire vordering tot ontbinding dan wel wijziging van de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden voerde de man aan dat de vrouw weliswaar haar strafklacht tegen hem had ingetrokken, maar vervolgens als getuige in de strafzaak in weerwil van het haar als ex-echtgenote toekomende verschoningsrecht een voor hem uiterst belastende verklaring had afgelegd.

3) De zoons hebben zich tegen deze vorderingen verweerd. Zij hebben bestreden dat de overeenkomst in strijd met de wet, de goede zeden of de openbare orde is, dan wel dat deze onder misbruik van omstandigheden tot stand gekomen is, terwijl volgens hen evenmin sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de overeenkomst voor ontbinding of voor wijziging van het maandelijks te betalen bedrag in aanmerking komt.

4) De rechtbank te Rotterdam heeft bij vonnis van 22 april 1999 de primaire en subsidiaire vordering afgewezen en, de meer subsidiaire vordering in zoverre toewijzend, de tussen partijen in de notariële akte van 20 december 1996 neergelegde overeenkomst ontbonden per 1 september 1997. De rechtbank overwoog dat de in die overeenkomst opgenomen voorwaarde dat de vrouw haar aangifte tegen de man zou intrekken, de kennelijke strekking had dat de vrouw alles zou doen wat in haar macht lag om te bewerkstelligen dat de strafvervolging tegen de man zou worden gestaakt. Het door de vrouw afleggen van een voor de man belastende verklaring in de tegen hem aanhangige strafzaak (in plaats van zich te beroepen op haar verschoningsrecht) was volgens de rechtbank zodanig in strijd met die strekking, dat dit moet worden beschouwd als een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW.

5) Tegen het vonnis van de rechtbank hebben de zoons hoger beroep ingesteld. Daarop is de vrouw tussengekomen in de procedure en heeft zij zich aan de zijde van de zoons gevoegd. Bij memorie van grieven klaagden de zoons en de vrouw erover dat de rechtbank ten onrechte het beroep op onvoorziene omstandigheden heeft gehonoreerd en ten onrechte de tussen de man en de zoons gesloten overeenkomst per 1 september 1997 heeft ontbonden. De man heeft deze grief bestreden. De man heeft in hoger beroep zijn (overige) vorderingen uit de eerste aanleg onverkort gehandhaafd en voorzover nodig incidenteel geappelleerd tegen de afwijzing daarvan, daarbij verwijzend naar hetgeen hij daarover in eerste aanleg had gesteld.

6) Bij arrest van 26 september 2001 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de rechtbank van 22 april 1999 vernietigd en, opnieuw recht doende, de gevolgen van de overeenkomst tussen de man en zijn zoons gewijzigd in die zin dat de maandelijkse betalingsverplichting van de man over de periode 1 maart 1998 tot 1 september 1998 wordt bepaald op nihil. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.

7) Tegen het arrest van het hof heeft de man (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft daartoe een middel van cassatie aangevoerd dat bestaat uit twee onderdelen. De zoons en de vrouw hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun stellingen schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

8) Het middel komt niet op tegen de beslissing van het hof met betrekking tot het beroep van de man op onvoorziene omstandigheden. Het middel richt zich uitsluitend tegen de afwijzing van de vordering tot vernietiging van de overeenkomst tussen de man en de zoons wegens misbruik van omstandigheden (onderdeel 1) en tegen de verwerping van de stelling van de man dat het om een schijnovereenkomst gaat die in strijd is met de openbare orde (onderdeel 2).

9) De rechtbank heeft ten aanzien van het beroep op misbruik van omstandigheden overwogen (r.o. 5.4 vonnis d.d. 22 april 1999):

"De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de in de notariële akte neergelegde betalingsverplichting van de man tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden. De omstandigheden dat de man van de lang slepende boedelverdelingsprocedure met de vrouw af wilde, dat de man veel gelegen was aan het herstel van normale verhoudingen met de zoons en dat de man leefde onder de druk van de gevangenisstraf waartoe hij was veroordeeld, zijn daartoe, ook in onderling verband en samenhang beschouwd, onvoldoende. Deze omstandigheden waren er nu eenmaal en de zoons hebben alleen tegenover een tegenprestatie getracht daarin verandering te brengen. Blijkbaar voelde de man destijds een dringende noodzaak bedoelde betalingsverplichting op zich te nemen teneinde een aantal kwesties zowel tussen hem en de zoons als tussen hem en de vrouw tot een oplossing te brengen; dat de man daar nu anders over denkt omdat hij uiteindelijk toch een straf heeft opgelegd gekregen, brengt daarin geen verandering. De betreffende stelling van de man wordt dan ook verworpen."

Het hof heeft zich bij deze overwegingen van de rechtbank aangesloten (r.o. 6 van het bestreden arrest).

10) Het middel klaagt allereerst (onder 1.3) erover dat rechtbank en hof geen acht hebben geslagen op de stelling van de man, dat de zonen hem op zijn gemoed hebben gewerkt door te stellen dat de vrouw niet meer zelf in haar levensonderhoud zou kunnen voorzien en hij op gronden van moraal en fatsoen alimentatie zou moeten betalen, terwijl zij wisten dat de vrouw samenwoonde en niet behoeftig was. Aan het hof wordt hetzij een onjuiste rechtsopvatting verweten, namelijk in het geval dat het hof heeft miskend dat een dergelijke bewuste onware voorspiegeling van zaken van invloed is althans kan zijn op de vraag of de zonen zich hadden moeten onthouden van het bevorderen van de hier in het geding zijnde rechtshandeling, hetzij, indien het hof dat niet heeft miskend, een ontoereikende motivering.

11) Deze klacht treft m.i. geen doel. Weliswaar heeft de man aanvankelijk in het kader van zijn beroep op misbruik van omstandigheden mede gesteld dat de zoons op zijn gemoed hebben gewerkt met de behoeftige omstandigheden waarin de vrouw verkeerde: (inleidende dagvaarding nr. 47 en pleitnota in eerste aanleg, p. 5 onderaan), maar deze omstandigheid heeft in de stellingen van de man geen belangrijke plaats ingenomen en is in de loop van de procedure uit beeld verdwenen. In de inleidende dagvaarding wordt zij reeds verweven met en naast andere omstandigheden gepresenteerd. Volgens de stellingen van de man bestond het "op zijn gemoed werken" niet alleen uit de voorspiegeling van de behoeftige omstandigheden van de vrouw, maar ook uit de dreiging van het verliezen van de banden met zijn zoons indien de man geen alimentatie aan de vrouw zou betalen (nr. 47). Daarnaast stelde de man in het kader van zijn beroep op misbruik van omstandigheden in de inleidende dagvaarding dat hij leefde onder de druk van de hem opgelegde gevangenisstraf van een jaar (nrs. 48 en 49). Bij pleidooi in eerste aanleg herhaalde de man al deze omstandigheden (pleitnota p. 5 onderaan) en stelde hij (pleitnota p. 6, tweede alinea) dat de zoons hierdoor ten opzichte van hem in een positie van geestelijk overwicht waren. In het vervolg van de pleitnota introduceerde hij een nieuwe omstandigheid: de man wilde ten koste van heel veel af van de slepende boedelverdelingsprocedure, hetgeen de zoons wisten. Deze omstandigheid komt voor het eerst voor in de volgende passage (p. 6, derde alinea:)

"Gedaagden wisten dat eiser ten koste van heel veel af wilde van de slepende boedelverdelingsprocedure. Gedaagden wisten dat eiser veel gelegen was aan het herstel van normale verhoudingen tussen hem en gedaagden en bovenal wisten gedaagden dat eiser buitengemeen bang was voor de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die hem boven het hoofd hing. Deze feiten zijn bijzondere omstandigheden in de zin van art. 3:44 waardoor eiser, naar gedaagden hadden moeten begrijpen, bewogen is tot het aangaan van de voor hem zo nadelige overeenkomst."

In deze passage, die de indruk wekt van een (volledige) opsomming of samenvatting van de omstandigheden waarvan misbruik is gemaakt, ontbreekt de door het middel bedoelde omstandigheid (t.w. dat de zoons het in strijd met de werkelijkheid hadden voorgesteld alsof de vrouw in behoeftige omstandigheden verkeerde, terwijl zij op dat moment reeds samenleefde als ware zij gehuwd). De rechtbank neemt deze opsomming (vrijwel letterlijk) over (zie het hiervoor weergegeven citaat uit het vonnis van 22 april 1999), dus eveneens zonder de door het middel bedoelde omstandigheid.

12) In hoger beroep heeft de man niet gesteld dat deze weergave van zijn stellingen onjuist (want onvolledig) is. Integendeel: de man heeft bij memorie van antwoord (p. 4) een opsomming gegeven van de "gronden" die hij in eerste aanleg "aan zijn vordering ten grondslag (heeft) gelegd"(2) en daarbij het beroep op misbruik van omstandigheden als volgt weergegeven:

"Misbruik van omstandigheden door de zoons, omdat zij misbruik hebben gemaakt van de slepende boedelverdelingsprocedure en de druk die de opgelegde gevangenisstraf bij de man veroorzaakte."

De stelling dat de zoons de man op zijn gemoed hebben gewerkt door hem voor te houden dat de vrouw in behoeftige omstandigheden verkeerde en dat hij op gronden van moraal en fatsoen alimentatie zou moeten betalen mede om de familieband met de zoons te behouden terwijl de vrouw in werkelijkheid samenwoonde en niet behoeftig was, is in hoger beroep in het geheel niet meer teruggekeerd. Als de onware voorspiegeling door de zoons van de behoeftige omstandigheden van de vrouw voor de man een belangrijke omstandigheid was in het kader van zijn beroep op misbruik van omstandigheden, had het op zijn weg gelegen in appel door middel van een incidentele grief erover te klagen dat de rechtbank deze stelling over het hoofd had gezien, althans niet of onvoldoende had meegewogen(3). De man heeft echter, afgezien van zijn zojuist geciteerde weergave, volstaan met te verwijzen naar zijn stellingen uit de eerste aanleg (memorie van antwoord p. 5). Ook de zoons en de vrouw gaan er in hoger beroep van uit dat de man (slechts) de slepende boedelverdelingsprocedure en de druk van de opgelegde gevangenisstraf aan zijn beroep op misbruik van omstandigheden ten grondslag legt (appelpleitnota zijdens zoons en vrouw p. 16).

Het voorgaande in aanmerking nemende, meen ik dat de klacht dat het hof de meerbedoelde stelling niet in zijn oordeel heeft betrokken, faalt.

13) Vervolgens bevat het middel (onder 1.4) een rechtsklacht en subsidiair een motiveringsklacht tegen de verwerping van het beroep op misbruik van omstandigheden. Betoogd wordt dat het bij een beroep op misbruik van omstandigheden altijd gaat om omstandigheden "die er nu eenmaal zijn", terwijl het feit dat de zoons getracht hebben tegenover een tegenprestatie daar verandering in te brengen, ook al niet de kern van de zaak raakt, net zo min als het feit dat de man daar nu anders over denkt omdat hij uiteindelijk toch een straf heeft opgelegd gekregen, zodat deze overwegingen ter weerlegging van het beroep op misbruik van omstandigheden adequaat noch toereikend zijn.

14) Bij de behandeling van deze klacht verdient allereerst opmerking dat het processuele debat, zeker in hoger beroep maar ook al in eerste aanleg, zich voornamelijk heeft geconcentreerd op de gevolgen die de door de vrouw in de strafzaak afgelegde getuigenverklaring al dan niet had voor het voortbestaan van de overeenkomst. Ten aanzien van het door de man gedane beroep op misbruik van omstandigheden bij de totstandkoming van de overeenkomst is het debat zowel in eerste aanleg als in appel zeer summier geweest.

Mijns inziens geeft de beslissing van het hof, dat de door de man aangevoerde omstandigheden ook in onderling verband en samenhang beschouwd, onvoldoende zijn voor de conclusie dat de in de notariële akte neergelegde betalingsverplichting van de man tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zie over het leerstuk misbruik van omstandigheden Asser-Hartkamp 4-II (2001), nrs. 209 t/m 216a met verdere literatuurverwijzingen. Met name kan m.i. niet worden gezegd dat een overeenkomst steeds wegens misbruik van omstandigheden vernietigbaar is wanneer daarbij een partij die dreigt te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, belooft een zeker bedrag te betalen tegenover intrekking van de tegen hem gedane aangifte door de wederpartij dan wel onder de voorwaarde dat een derde de tegen hem gedane aangifte intrekt. Zoals ook de rechtbank in het vonnis in eerste aanleg heeft overwogen, wordt deze wijze van conflictoplossing (tussen dader en slachtoffer) in de strafrechtspraktijk soms zelfs bevorderd. Voorts valt te denken aan de praktijk van transacties tussen verdachte en Openbaar Ministerie, waarbij de verdachte een geldsbedrag betaalt tegenover niet-(verdere)vervolging. De omstandigheden van het geval zullen hier beslissend zijn. Zo kunnen bijvoorbeeld een rol spelen de aard en de omvang van het nadeel dat de partij die zich op het wilsgebrek beroept door de overeenkomst lijdt en in verband daarmee de (on)redelijkheid van het door de wederpartij bedongene, de mate van waarschijnlijkheid (bij het aangaan van de overeenkomst) dat intrekking van de aangifte zal leiden tot het ontkomen aan gevangenisstraf, de aard en ernst van het delict, de duur van de dreigende gevangenisstraf, de vraag of degene die zich op het wilsgebrek beroept al eens eerder tot gevangenisstraf is veroordeeld, de verhouding tussen partijen, ook afgezien van de verdachte-slachtoffer verhouding, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen (al dan niet onder deskundige bijstand, plotseling of na langdurige onderhandelingen, mondeling of schriftelijk). Het bestreden arrest geeft er geen blijk van dat het hof dit zou hebben miskend. De beslissing kan voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst, juist vanwege deze verwevenheid met de feiten en omstandigheden van het geval. De rechtsklacht faalt daarom naar mijn mening.

15) Wat de motivering van 's hofs beslissing betreft: hoewel m.i. aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de door het hof van de rechtbank overgenomen motivering op het eerste gezicht niet erg sterk lijkt, meen ik dat deze, tegen de achtergrond van de gedingstukken en in het bijzonder de stellingen van partijen, de toets der kritiek kan doorstaan. De man heeft op het punt van misbruik van omstandigheden in feite niet meer gesteld dan bij de behandeling van de voorgaande klacht (nrs. 11 en 12) vermeld. De man is bijvoorbeeld niet ingegaan op de (on)redelijkheid van het door de zoons jegens de man bedongene, mede in aanmerking genomen de andere voorwaarde waaronder de man zich verplichtte tot de maandelijkse betalingen, te weten ondertekening door de vrouw van het door de man voorgestelde echtscheidingsconvenant. De zoons hebben in dit verband betwist dat er naar objectieve maatstaven geen reden zou zijn voor het betalen van alimentatie aan de vrouw (conclusie van antwoord nr. 6). Tevens hebben de zoons betoogd dat de vrouw in het echtscheidingsconvenant vergaande concessies aan de man heeft gedaan (conclusie van antwoord nr. 15, memorie van grieven p. 6).

De zoons en de vrouw hebben ook overigens gemotiveerd stelling genomen tegen het beroep op misbruik van omstandigheden. Zo hebben zij aangevoerd dat de kwestie met betrekking tot de strafzaak niet is gebruikt als een middel om eiser tot het tekenen van de overeenkomst te bewegen, maar dat het voornaamste doel was het definitief regelen van de gevolgen van de echtscheiding, waarbij de intrekking van de aangifte in de strafzaak tijdens de onderhandelingen door de man als bijkomende voorwaarde is gesteld, nadat eerder slechts was gesproken over het door de vrouw te ondertekenen echtscheidingsconvenant (conclusie van antwoord, nrs. 10 en 14, pleitnota in eerste aanleg, p. 5, tweede alinea, memorie van grieven p. 7). Voorts hebben de zoons gesteld dat de man zich voorafgaand aan het tekenen van de overeenkomst heeft doen adviseren door een commissaris bij een van zijn besloten vennootschappen en door zijn advocaat (conclusie van antwoord nr. 16 en pleitnota in eerste aanleg p. 5, tweede alinea). Zij hebben er ook op gewezen dat hier "geen sprake (is) van een overeenkomst die is gesloten tijdens het pakken van een pintje, doch van een notariële akte waaraan diverse besprekingen met deskundigen zijn voorafgegaan, met name aan de zijde van degene die zich thans beroept op wilsgebreken". In het licht van dit gemotiveerde verweer en van het oordeel van de rechtbank mocht van de man in appel meer verwacht worden dan een enkele verwijzing naar zijn stellingen uit de eerste aanleg. Zie ook Snijders/Wendels, Civiel appel (2001), p. 145, die erop wijzen dat de appellant zijn kans op succes verkleint door zijn appel slechts te motiveren met een verwijzing naar zijn stellingen uit de eerste aanleg, en dat de appelrechter dan zijnerzijds kan volstaan met het overnemen van de beslissingen en overwegingen van de uitspraak in eerste aanleg. Hoe soberder de motivering van het beroep, des te soberder zal ook de appelrechter de ongegrondheid daarvan kunnen motiveren, aldus Snijders/Wendels t.a.p.

De motiveringklacht faalt daarom eveneens.

16) Onder 2.1 klaagt het middel erover dat het hof in r.o. 3 en r.o. 6 onderling tegenstrijdige overwegingen heeft gewijd aan de stelling van de man dat de onderhavige overeenkomst in feite een alimentatieovereenkomst is en dat de overeenkomst waarbij de vrouw afstand doet van alimentatie, een schijnovereenkomst is om het karakter van de door de man op zich genomen maandelijkse betalingen te verhullen. De tegenstrijdigheid zou hem erin zitten dat het hof zowel overweegt dat de betalingsverplichting van de man mede betrekking heeft op de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen man en vrouw, als dat deze verplichting algeheel ziet op het afwikkelen van de vermogensrechtelijke geschillen tussen man en vrouw.

Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft overwogen dat de betalingsverplichting van de man algeheel of uitsluitend betrekking heeft op de vermogensrechtelijke afwikkeling. Het hof heeft in r.o. 6 slechts tot uitdrukking gebracht dat de betalingsverplichting van de man geen betrekking heeft op alimentatie aan de vrouw. Dit sluit niet uit dat de betalingsverplichting van de man behalve op de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk ook nog op iets anders betrekking had, bijvoorbeeld in verband stond met de intrekking van de aangifte van mishandeling en verkrachting.

17) Onder 2.2 klaagt het middel over ontoereikende motivering van de verwerping van de stelling van de man dat zijn betalingsverplichting materieel moet worden gezien als het verstrekken van alimentatie en dat te dezen sprake is van een schijnovereenkomst.

Op grond van deze stelling heeft de man in eerste aanleg betoogd dat de litigieuze overeenkomst in strijd is met de wet, openbare orde en/of goede zeden, omdat daarmee de civielrechtelijke en fiscale systematiek van de alimentatieplicht zou worden doorbroken (inleidende dagvaarding nrs. 30 en 32). Civielrechtelijk omdat er naar objectieve maatstaven geen reden was om alimentatie aan de vrouw te betalen omdat zij daarvan onherroepelijk afstand heeft gedaan en samenleefde als ware zij gehuwd met een andere man, en voorts omdat in een normale alimentatieprocedure maximaal 12 of 15 jaar alimentatieplicht zou zijn toegewezen, terwijl hier een langere periode is overeengekomen (inleidende dagvaarding nrs. 34 en 35). Fiscaalrechtelijk omdat alimentatie belast is bij de ontvanger en de onderhavige overeenkomst ertoe strekte de vrouw feitelijk in staat te stellen "zwart" over de ƒ 1500 per maand te beschikken (inleidende dagvaarding nrs. 36 t/m 41). De zoons hebben deze stellingen gemotiveerd betwist. Zie de conclusie van antwoord nrs. 6, 7, 9, 15 en de pleitnota in eerste aanleg, p. 5, 6 en 7.

18) De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 april 1999 overwogen (r.o. 5.1) dat hetgeen de man had aangevoerd onvoldoende was om daaruit het oogmerk tot belastingontduiking af te leiden. Met de in de overeenkomst op de man gelegde verplichting de zoons te vrijwaren tegen eventuele belastingaanspraken is slechts bedoeld dat het bedrag van

ƒ 1500,- voor de zoons netto moest zijn en dat mogelijke fiscale gevolgen voor de man zouden zijn, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat de vrouw de door haar van de zoons ontvangen bedragen niet fiscaal heeft verantwoord (r.o. 5.3). De stelling dat de fiscaalrechtelijke systematiek van de alimentatieovereenkomst is doorbroken mist daarom volgens de rechtbank feitelijke grondslag. Met betrekking tot de stelling van de man dat met de litigieuze overeenkomst de civielrechtelijke systematiek van de alimentatieplicht werd doorbroken, heeft de rechtbank overwogen (r.o. 5.3) dat, voorzover van een dergelijke systematiek sprake is, die geen dwingendrechtelijke bepalingen bevat. Het stond de man dus vrij om ondanks het echtscheidingsconvenant een alimentatieplicht op zich te nemen en met de zoons overeen te komen dat hij, indien aan een tweetal voorwaarden zou zijn voldaan, aan de zoons ten behoeve van de vrouw gedurende ruim 17 jaar maandelijkse betalingen zou verrichten, aldus de rechtbank. Op grond van één en ander concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een schijnovereenkomst.

Tegen deze oordelen van de rechtbank heeft de man door middel van een algemene grief (incidenteel) geappelleerd, ter toelichting waarvan hij volstond met een verwijzing en gedeeltelijke herhaling van zijn stellingen uit de eerste aanleg, zie de memorie van antwoord, p. 4/5. Voorts heeft de man in appel (t.a.p.) opnieuw zijn stelling naar voren gebracht dat de vrouw inmiddels samenwoont als ware zij gehuwd, zodat er geen grond meer was voor enige betaling aan haar.

Het hof heeft dienaangaande overwogen (r.o. 6):

"De rechtbank heeft in de r.o. 5.1 tot en met 5.4 op goede gronden de betreffende stellingen van de man verworpen. Het hof sluit zich bij deze overwegingen aan. Voorts herhaalt de man in hoger beroep zijn standpunt dat zijn betalingsverplichting materieel gezien moet worden als het verstrekken van alimentatie en is komen te vervallen, omdat de vrouw inmiddels samenwoont met een ander als waren zij gehuwd. Ook dit betoog faalt. Uit het convenant blijkt immers duidelijk dat de rechtsgrond van die verplichting niet het bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw is maar het afwikkelen van de vermogensrechtelijke geschillen tussen hen beiden. Dat die afwikkeling geschiedt door het betalen van een maandelijks bedrag ten behoeve van de vrouw leidt niet tot een andere grondslag van die betaling."

Het hof heeft dus de argumentatie van de rechtbank overgenomen, die erop neerkwam dat de in de notariële akte neergelegde maandelijkse betalingsverplichting een geoorloofde afspraak was, ook als deze zou strekken tot levensonderhoud van de vrouw, nu partijen geen belastingontduiking op het oog hadden terwijl afwijking van de civielrechtelijke alimentatieregels is toegestaan. Daaraan heeft het hof nog toegevoegd dat de overeengekomen maandelijkse betalingen niet strekten tot levensonderhoud van de vrouw, maar betrekking hadden op de vermogensrechtelijke afrekening in verband met het einde van het huwelijk tussen de man en de vrouw. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering in het licht van de vaststaande feiten en tegen de achtergrond van het zojuist weergeven procesverloop en de stellingen van de man op dit punt. De man en de vrouw zijn nu eenmaal in een echtscheidingsconvenant overeengekomen dat geen alimentatieplicht van de man jegens de vrouw zou bestaan. De man heeft, afgezien van het door hem gestelde oogmerk tot belastingontduiking, geen motief aangevoerd waarom partijen dan toch in werkelijkheid bedoeld zouden hebben een alimentatieplicht in het leven te roepen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 In hoger beroep heeft de vrouw tussenkomst en voeging aan de zijde van de zoons gevorderd hetgeen door het hof is toegestaan.

2 In feite ging het niet slechts om verschillende gronden die de man ten grondslag had gelegd aan (telkens) dezelfde vordering, maar tevens om verschillende vorderingen (primair vaststelling nietigheid van rechtswege, subsidiair vernietiging en meer subsidiair wijziging c.q. ontbinding)

3 Hierbij wijs ik erop dat de vordering tot vernietiging van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden in hoger beroep niet op grond van de devolutieve werking van het appel wederom aan de orde was, doch uitsluitend doordat de man "voorzover nodig" incidenteel had geappelleerd tegen de afwijzing van die vordering door de rechtbank. Zonder dit incidentele appel zou het hof deze (ten opzichte van de vordering tot wijziging/ontbinding van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden, tegen de toewijzing waarvan de zoons en de vrouw hadden geappelleerd: primaire) vordering niet ambtshalve in zijn beoordeling hebben mogen laat staan behoeven te betrekken, zie HR 26 juni 1998, NJ 1998, 743; Snijders/Wendels, Civiel appel (1999), p. 186 en H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (2001), p. 72.