Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF2691

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2003
Datum publicatie
13-05-2003
Zaaknummer
1363
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF2691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 137
RvdW 2003, 90
BR 2004/45

Conclusie

Nr. 1363

mr Th. Groeneveld

Derde Kamer B

Onteigening

Zitting, 20 december 2002

Conclusie inzake:

Pacific Travel Centre B.V.

tegen

Gemeente 's-Gravenhage

1. Feiten en procesverloop

1.1. Ten behoeve van de stadsvernieuwing ter uitvoering van het bestemmingsplan "Transvaal tweede herziening" heeft de gemeente 's-Gravenhage (hierna: de Gemeente) bij dagvaarding van 8 maart 2001 de vervroegde onteigening gevorderd van een aantal percelen aan de [b-straat] en de [a-straat] te 's-Gravenhage, welke op naam stonden van [betrokkene 1], ook na diens overlijden op 9 december 1991. De percelen waren deels in gebruik bij de erven, en deels, wat betreft de parterrebedrijfsruimten, bij derden, waaronder eiseres.

1.2. Bij vonnis van 24 april 2001 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de Rechtbank) vervroegd de onteigening uitgesproken.

1.3. De onderhavige zaak heeft betrekking op de als gevolg van de onteigening van het perceel [a-straat 1] (sectie [...] nummer [...]) aan Pacific Travel Centre B.V. (hierna: Pacific Travel) toekomende schadeloosstelling. Pacific Travel is huurster van de op de parterre gelegen winkel/bedrijfsruimte. Bij genoemd vonnis heeft de Rechtbank Pacific Travel als tussenkomende partij toegelaten, heeft zij het voorschot op de schadeloosstelling van Pacific Travel vastgesteld op nihil en heeft zij bepaald dat de Gemeente haar aanbod aan Pacific Travel tot voortgezet gebruik om niet gestand doet.(1)

1.4. In het onderhavige onteigende pand wordt door Pacific Travel een reisbureau uitgeoefend. Het onteigende gedeelte omvat een winkelruimte, een archiefruimte en een keuken.

1.5. Op 10 mei 2001 heeft de opneming door deskundigen plaatsgevonden.

1.6. Het vonnis houdende de vervroegde onteigening is op 29 juni 2001 ingeschreven in de openbare registers.

1.7. Bij conceptrapport gedeponeerd op 11 september 2001 hebben deskundigen geadviseerd tot een schadeloosstelling ten behoeve van Pacific Travel van in totaal ƒ 7.500 (€ 3.403,35), met belastingschade p.m.

1.8. De Gemeente heeft bij brief van 24 oktober 2001 en Pacific Travel heeft bij brief van 19 november 2001 op het deskundigenrapport gereageerd.

1.9. Bij definitief rapport gedeponeerd op 30 november 2001 hebben deskundigen geadviseerd tot een schadelooostelling van Pacific Travel van in totaal ƒ 2.250 ( € 1.021,01), met belastingschade p.m.

1.10. Ter zitting van de Rechtbank van 17 december 2001 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht.

1.11. Bij vonnis van 30 januari 2002 heeft de Rechtbank de schadeloosstelling voor Pacific Travel vastgesteld op € 1.021,01 (ƒ 2.250), waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van nihil en een rente van 4,5% over € 1.021,01 sedert 29 juni 2001 tot datum vonnis.

1.12. Pacific Travel heeft tegen dit vonnis beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel van cassatie, bestaande uit twee onderdelen, aangevoerd.

1.13. De Gemeente heeft bij conclusie van antwoord het cassatieberoep van Pacific Travel bestreden. Zij heeft tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld en daarbij een in twee onderdelen uiteenvallend middel van cassatie voorgesteld.

1.14. Pacific Travel heeft bij conclusie van antwoord het incidentele cassatieberoep van de Gemeente bestreden.

1.15. Ter zitting van 13 september 2002 hebben partijen hun standpunten schriftelijk doen toelichten. De Gemeente heeft bij die gelegenheid het incidenteel cassatieberoep ingetrokken.

1.16. Ter zitting van 27 september 2002 heeft Pacific Travel gerepliceerd.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1. Het eerste onderdeel van het middel is gericht tegen het uitgangspunt dat de Rechtbank in r.o. 19 hanteert dat bij de bepaling van de aan Pacific Travel toekomende schadeloosstelling moet worden uitgegaan van liquidatie. De Rechtbank heeft zich voor dat oordeel (ten dele) aangesloten bij de bevindingen van de deskundigen. Zij zijn van oordeel dat een redelijk handelend ondernemer onder de omstandigheden van dit geval niet voor verplaatsing zal kiezen. Zij nemen daarbij onder meer in aanmerking dat het familiebedrijf ondanks de hoge omzet en de lage lonen niet of nauwelijks winstgevend is, dat aan de rentelasten, die overigens in 2000 sterk zijn gestegen, ten grondslag liggende leningen worden gefinancierd door kredietinstellingen, zowel als door familie en dat het bedrijf niet in een aanloopfase verkeert. Deskundigen vinden mede redengevend voor hun oordeel dat de huurkosten die Pacific Travel voor de onteigende bedrijfsruimte betaalt, laag zijn. De Rechtbank legt deze bevinding van deskundigen echter niet aan haar oordeel ten grondslag. Dat is in overeenstemming met het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 12 april 2000, NJ 2000, 625 m.nt. PCEvW.

2.2. Het middel klaagt dat de deskundigen uitsluitend hebben beoordeeld in hoeverre een redelijk handelend ondernemer in het onderhavige geval de onderneming al dan niet zou verplaatsen. Zij hebben niet beoordeeld in hoeverre het voor deze Surinaamse familie (voor zover zij in het bedrijf van Pacific Travel werkzaam is) gezien haar positie in de samenleving reëel is om de onderneming voort te zetten, ook al wordt hieruit een gering inkomen gegenereerd. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1994, nr. 1169, na conclusie A-G Moltmaker, NJO 1995, 10 m.nt. MB. In dat arrest is uitgemaakt dat bij de beantwoording van de vraag of voortzetting elders dan wel liquidatie van het bedrijf het meest in de rede ligt, niettegenstaande de levensvatbaarheid van het in het onteigende uitgeoefende bedrijf, alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Daartoe kan behoren - aldus de Hoge Raad - de omstandigheid dat het inkomen dat het bedrijf aan de onteigende verschaft en diens vermogenssituatie voldoende zijn voor een behoorlijk bestaan overeenkomstig de plaats die de onteigende in de samenleving inneemt.

2.3. Naar mijn mening hebben deskundigen en de Rechtbank laatstgenoemde omstandigheid terecht niet in hun oordeel betrokken. Het middel ziet eraan voorbij dat in deze zaak niet de familie (derde-)belanghebbende is, maar de besloten vennootschap Pacific Travel. De uitoefening van een bedrijf in de vorm van een besloten vennootschap ontbeert de transparantie, waarvan bij de uitoefening van een bedrijf in de vorm van een eenmanszaak sprake is, zodat het niet voor de hand ligt een omstandigheid als de vermogenssituatie van haar aandeelhouders en/of werknemers in de beoordeling te betrekken.

2.4. Voor zover het middel overigens klaagt over de motivering van het oordeel van de Rechtbank dat uitgegaan moet worden van liquidatie, faalt het naar mijn mening eveneens, aangezien dat oordeel niet onbegrijpelijk is en, gelet ook op de bevindingen van de deskundigen, voldoende gemotiveerd is.

2.5. Het tweede onderdeel van het middel is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in r.o. 19 dat bij een gedwongen beëindiging van de onderneming als gevolg van onteigening, Pacific Travel geen schadevergoeding verschuldigd zal zijn aan haar werknemers. Dat oordeel is geenzins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, gezien de door de Rechtbank van deskundigen overgenomen redenering dat het ontslag als gevolg van de onteigening en de gedwongen liquidatie door de kantonrechter niet als onredelijk beschouwd zal worden en dat er voldoende tijd ligt tussen de onteigening en de sluiting van het bedrijf (Pacific Travel geniet het voortgezet gebruik tot 15 januari 2002) . Het op 6 december 2002, na conclusie A-G Wattel, door de Hoge Raad gewezen arrest(2) , waarin de Hoge Raad het vonnis van de Rechtbank op dit punt wegens een motiveringsgebrek vernietigt, staat daaraan niet in de weg. Uit dat arrest blijkt dat buiten de voor de werkgever als gevolg van de onteigening ontstane "overmachtssituatie", er niettemin omstandigheden kunnen bestaan die rechtvaardigen dat deze wel een vergoeding verschuldigd zal zijn aan zijn werknemer wiens dienstverband in verband met de bedrijfssluiting zal moeten worden beëindigd. In die zaak werd door de derde-belanghebbende [B] gesteld dat alleszins te verwachten viel dat zij gehouden zou zijn haar vader, die bij haar in dienst was, een vergoeding te betalen in verband met de beëindiging van het dienstverband, nu die vader de vijftig was gepasseerd en onder zijn leeftijdsgroep grote werkloosheid heerste. De Hoge Raad verwees de zaak voor een nader onderzoek van de vraag of [B] op grond van genoemde omstandigheden gehouden is niettemin aan haar vader als gewezen werknemer een vergoeding te betalen.

In deze zaak zijn door Pacific Travel echter niet zodanige omstandigheden gesteld die, ondanks de door de onteigening voor de werkgever ontstane "overmachtssituatie", een schadevergoeding rechtvaardigen. Het tweede middelonderdeel kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 In de onderhavige onteigening is bij de Hoge Raad ook aanhangig de zaak van [A] (nr. 1362). In deze zaak neem ik heden eveneens conclusie.

2 Nog niet gepubliceerd.