Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF1926

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2003
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
02354/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF1926
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 346, geldigheid: 2003-02-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 91
NJ 2003, 273

Conclusie

Nr. 2354/01

Mr. Vellinga

Zitting: 3 december 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste en tweede middel behelzen klachten met betrekking tot het door het Hof op 19 december 2000 gewezen tussenarrest waarbij de heropening van het onderzoek van verdachtes strafzaak is bevolen. Wegens hun samenhang lenen deze middelen zich voor gezamenlijke bespreking.

4. In de toelichting op de middelen wordt aangegeven dat het Hof op oneigenlijke gronden heeft bevolen tot heropening van de zaak in de zin van art. 346, eerste lid Sv, nu niet is gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting onvolledig was en de zaak na heropening van het onderzoek ter terechtzitting niet meer inhoudelijk is behandeld. De werkelijke reden voor heropening zou zijn gelegen in het feit dat het Hof in verdachtes strafzaak niet krachtens art. 345 Sv binnen veertien dagen arrest kon of wilde wijzen, maar gelijktijdig uitspraak wilde doen in de zaken tegen verdachte en de medeverdachten, wier zaken ruim twee maanden later nog verder inhoudelijk moesten worden behandeld.

5. In het tussenarrest van 19 december 2000 heeft het Hof overwogen:

"Onder beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2000 zijn tevens de strafzaken tegen de medeverdachten van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] behandeld. Het onderzoek in die beide zaken is niet gesloten maar geschorst tot de terechtzitting van 22 februari 2001 te 10.00 uur. Gelet op de samenhang van de zaak tegen de verdachte met de zaken tegen genoemde medeverdachten, acht het hof het wenselijk deze zaken gelijktijdig af te doen

Het hof zal daartoe het onderzoek in de zaak tegen verdachte heropenen, schorsen en de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting op 22 februari 2001 bevelen."

6. Uit het feit dat het Hof het onderzoek wel heeft gesloten maar pas nadien tot heropening van het onderzoek heeft besloten teneinde in de onderhavige zaak en in die van de op dezelfde dag doch na verdachtes zaak behandelde zaken van de medeverdachten gelijktijdig uitspraak te kunnen doen maak ik op dat het Hof pas na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting tot de ontdekking kwam, dat de uitspraak later dan veertien dagen na sluiting van het onderzoek moest plaatsvinden om te bereiken dat gelijktijdig vonnis werd gewezen in de zaak van verdachte en zijn medeverdachten.

7. Door in alle zaken gelijktijdig uitspraak te doen diende het Hof gelet op de door het Hof genoemde onderlinge samenhang van de zaken de kwaliteit van de uitspraak in de onderhavige zaak. Onverenigbaarheden tussen de uitspraken in de zaak van verdachte en die van zijn medeverdachten konden zo worden voorkomen. Voorts staat de bepaling dat de rechter dient te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in verdachtes zaak (art. 348 en 350 Sv) er niet aan in de weg dat hij bij de beslissing in de onderhavige zaak gebruik maakt van in andere zaken gewonnen inzicht. Dat kan ook verdachtes belang dienen. Maar het belangrijkste is misschien nog wel dat het Hof door het onderzoek te heropenen de mogelijkheid open hield dat hetzij het openbaar ministerie hetzij de verdediging in de zaak van verdachte feiten en omstandigheden die nog in de zaken van zijn medeverdachten aan het licht zouden komen en voor de berechting van zijn zaak ook van belang waren, onder de aandacht van de rechter konden brengen. Dat springt vooral in het oog wanneer wordt bedacht dat sprake was van berechting in hoogste feitelijke instantie.

8. Tegen deze achtergrond getuigt het oordeel van het Hof, dat tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

9. De omstandigheid dat uiteindelijk na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting geen proceshandelingen van belang hebben plaatsgevonden wijst er in mijn ogen niet op dat het Hof een oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de hem in art. 346 Sv gegeven bevoegdheid. De in nr. 7 genoemde belangen die met gelijktijdige berechting van samenhangende zaken zijn gemoeid, brengen mee, dat het Hof reeds tot het oordeel kon komen dat het onderzoek ter terechtzittingniet volledig was geweest zonder dat het Hof zekerheid had of uiteindelijk nog onderzoek zou moeten worden verricht.

10. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de omstandigheid dat het onderzoek na hervatting in de onderhavige zaak plaats vond op dezelfde dag doch voorafgaand aan het onderzoek in de samenhangende zaken er op wijst dat het Hof oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot heropening van het onderzoek, te weten om het bepaalde in art. 345, leden 3 en 4, Sv te ontgaan. Los van de omstandigheid dat hier een beroep wordt gedaan op feiten die in cassatie niet vast staan, kan ik het betoog van de raadsman - nog afgezien van hetgeen ik hiervoor onder nr. 7 heb uiteengezet - reeds daarom niet volgen omdat in cassatie niet vast staat of en in hoeverre voor de hervatting van het onderzoek in de onderhavige zaak in de samenhangende zaken onderzoek is verricht.

11. Voor de goede orde merk ik nog op dat de beslissing tot heropening van het onderzoek van het Hof niet kan worden gezien als het uitvoering geven aan het bepaalde in art. 345 lid 4 Sv. Zoals blijkt uit het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal heeft op die zitting geen onderzoek van betekenis meer plaatsgevonden.

12. De middelen falen.

13. Het derde middel bevat de klacht dat niet uit de bewijsmiddelen volgt dat de jegens verdachte bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie mede bestond uit 'het aanwijzen van personen aan wie betaald diende te worden' en 'het verschaffen van inlichtingen aan eventuele begeleiders van gesmokkelde en/of te smokkelen personen omtrent te volgen reisroutes'.

14. Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 1998 tot en met 26 juni 1999 te Amsterdam en te Heerlen en elders in Nederland, tezamen met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit, naast hemzelf, onder andere [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk mensensmokkel als bedoeld in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht, begaan als gewoonte, tezamen en in vereniging met anderen,

bestaande de deelneming aan die organisatie uit:

- het leggen van contacten tussen gesmokkelde en/of te smokkelen personen en/of tussenpersonen en

- het in ontvangst nemen van betalingen en het aanwijzen van personen aan wie betaald diende te worden en

- het verschaffen van inlichtingen aan eventuele begeleiders van gesmokkelde en/of te smokkelen personen omtrent te volgen reisroutes en

- het regelen en/of verschaffen van transport en/of transportmiddelen."

15. Het bewijs van 'het aanwijzen van personen aan wie betaald diende te worden' kan worden afgeleid uit de bewijsmiddelen 2, 5 en 7, Die bewijsmiddelen houden in dat verdachte aanwijst aan wie betaald moet worden: door [medeverdachte 6] aan [betrokkene 1]. Zie ook bewijsmiddel 14, inhoudende de weergave van een telefoongesprek waarin verdachte aangeeft dat aan een jongen als deze $ 100 vraagt $ 75 moet worden gegeven.

16. Het bewijs van 'het verschaffen van inlichtingen aan eventuele begeleiders van gesmokkelde en/of te smokkelen personen omtrent te volgen reisroutes' kan, zij het met enige moeite, eveneens worden afgeleid uit de bewijsmiddelen. Ik wijs op bewijsmiddel 7, waarin opgenomen de uitlating van verdachte in een telefoongesprek dat hij aan [betrokkene 1] zal opgeven dat deze de bij hem aanwezige personen (zie bewijsmiddel 6) in een trein naar Amsterdam moet laten stappen, niet een normale trein maar een Expresse, de weergave van een telefoongesprek waaraan [medeverdachte 6] deelneemt (bewijsmiddel 8) waarin deze aangeeft dat verdachte te smokkelen personen op de trein moet laten stappen, een telefonische uitlating van verdachte waarin deze aangeeft die personen naar Aken te sturen als het geld betaald is (bewijsmiddel 9), en een telefoongesprek waarin verdachte zegt, dat hij een route naar Denemarken heeft, en dat hij het zal laten weten als hij een betere route heeft (bewijsmiddel 1).

17. Het middel faalt.

18. Het vierde middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de criminele organisatie zich heeft beziggehouden met mensensmokkel uit winstbejag als bedoeld in art. 197a Sr, nu niet uit de bewijsmiddelen volgt dat de organisatie het maken van winst als oogmerk had.

19. In de toelichting op het middel wordt er terecht vanuit gegaan dat uit de bewijsmiddelen volgt dat voor het smokkelen van personen wordt betaald. Maar, aldus de toelichting op het middel, daarmee is nog niet gezegd dat dat smokkelen uit winstbejag gebeurde. Die betalingen kunnen immers ook uitsluitend het vergoeden van kosten betreffen.

20. Op mensensmokkel (art. 197a Sr) staat een hoge vrijheidsstraf. Daarom heeft het Hof het mede gelet op het feit dat de algemene ervaring,dat iemand die zich schuldig maakt aan mensensmokkel, dit doet met het voornemen daarvan enig voordeel te ondervinden(1), kennelijk hoogst onwaarschijnlijk geacht dat de betalingen uitsluitend vergoeding van kosten zouden betreffen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het bewezenverklaarde oogmerk kan dus uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

21. Het middel faalt.

22. De middelen 3 en 4 lenen zich mijns inziens voor toepassing van art. 81 RO.

23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl HR 23 okt. 1979, NJ 1980, 81 ten aanzien van art. 416 Sr.