Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF1913

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
21-01-2003
Zaaknummer
02125/02 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF1913
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 44
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02125/02 U

Mr Jörg

Zitting 10 december 2002 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verzoeker=de opgeëiste persoon]

1. De rechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 23 juli 2002 de uitlevering van verzoeker aan België ter tenuitvoerlegging van de hem bij arrest van 30 mei 2001 van het Hof van Beroep te Antwerpen opgelegde straf toelaatbaar verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr F.A.M ter Braake, advocaat te Goes, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel betreft het verweer dat de door de verzoekende staat gehanteerde opsporingsmethoden in strijd zijn met artikel 6 EVRM.

4. De rechtbank heeft dit verweer in de onderdelen 3.3.b. en 3.8.b. van de bestreden uitspraak als volgt samengevat:

"Het verzoek tot uitlevering mag niet toelaatbaar worden verklaard nu het Hof van Beroep te Antwerpen in strijd met artikel 6 van het EVRM cliënt heeft veroordeeld.

()

In de strafzaak tegen de opgeëiste persoon is in België in twee instanties geoordeeld over de inzet van undercover agenten en de door hen gebezigde opsporingstechnieken. Bij de berechting in eerste instantie heeft dit geleid tot een uitspraak, inhoudende niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging tegen de opgeëiste persoon wegens schending van artikel 6 EVRM. Het Hof van Beroep heeft de undercoveractiviteiten goedgekeurd en de opgeëiste persoon wegens de hem verweten feiten tot straf veroordeeld. De rechtmatigheid van een jegens een opgeëiste persoon door de autoriteiten van een verzoekende staat gebezigde opsporingsmethode kan in een uitleveringszaak door de uitleveringsrechter van de aangezochte staat rechtstreeks worden getoetst aan Europese Verdragen. Op basis van de gegevens in het dossier bepleit ik dat sprake is van een (flagrante) schending van artikel 6 EVRM, die aan de toelaatbaarheid van de uitlevering in de weg staat."

Ter verwerping van dit verweer heeft de rechtbank overwogen:

"Het behoort niet tot de taak van de rechter die over de toelaatbaarheid van een (executie-) uitlevering beslist, te beoordelen of door de verzoekende staat in de strafzaak jegens een opgeëiste persoon ongeoorloofde opsporingsmethoden zijn gebruikt dan wel of het bewijs naar het recht van de verzoekende staat op rechtmatige wijze is verkregen."

5. Als uitgangspunt in uitleveringszaken geldt dat aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat (HR 10 juli 2001, NJ 2001, 618). Het oordeel van de rechtbank doet recht aan dit uitgangspunt.

6. Indien echter wordt aangevoerd dat zich in verband met de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht een flagrante schending van artikel 6 EVRM heeft voorgedaan, dient de rechter deze stelling te onderzoeken (zie HR 29 juni 1992, NJ 1995, 227, m.nt. AHJS).

7. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte niet gerespondeerd op de door de verdediging ingenomen stelling dat artikel 6 EVRM in de opsporingsfase (op flagrante wijze) is geschonden. Tot cassatie hoeft dit op grond van het navolgende niet te leiden.

8. Het desbetreffende verweer luidt dat uit "de gegevens van het dossier" zou volgen dat artikel 6 EVRM op grove wijze is geschonden. Het verweer doelt op de inschakeling van undercoveragenten door de Belgische opsporingsautoriteiten. De rechtbank in eerste aanleg te Antwerpen heeft geoordeeld dat aan [medeverdachte], de hoofdverdachte van de drugssmokkel ter zake waarvan ook verzoeker uiteindelijk is veroordeeld, door het Belgische openbaar ministerie beloftes tot strafvermindering of -bemiddeling zijn gedaan in ruil voor medewerking aan het onderzoek. Het gerecht van eerste aanleg oordeelde dat dit een schending van artikel 6 EVRM opleverde. Dat oordeel leidde ertoe dat het openbaar ministerie ook in de zaak van verzoeker niet-ontvankelijk werd verklaard.

9. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft echter in zijn arrest waarop het verzoek om uitlevering is gebaseerd geoordeeld dat de door [medeverdachte] en zijn medeverdachten ingenomen stelling dat zij het slachtoffer zouden zijn van "politionele provocatie" op geen enkele wijze met feiten is onderbouwd en dat die stelling in het geheel niet geloofwaardig is (arrest, p. 26). Het tegen dit arrest ingestelde beroep in cassatie is blijkens op het hofarrest geplaatste stempels op 2 oktober 2001 verworpen. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek in verband met de vermeende flagrante schending van art. 6 EVRM moet van de juistheid van het andersluidende oordeel van het hof worden uitgegaan. Van een situatie waarin de buitenlandse rechter met grove verwaarlozing van zijn onderzoekstaken een flagrante schending van art. 6 EVRM onaannemelijk heeft geacht - de enige uitzondering die mijns inziens de Nederlandse uitleveringsrechter nog zou kunnen maken contra een andersluidende buitenlandse rechterlijke uitspraak (de kenmerken van foltering zijn bij wijze van spreken overduidelijk voor de Nederlandse rechter zichtbaar, en het buitenlandse vonnis bewijst dat naar de beweerde schending geen serieus onderzoek is gedaan) - is geen sprake.

10. Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank het desbetreffende verweer slechts had kunnen verwerpen. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

11. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de bestreden uitspraak zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG