Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF1588

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
21-01-2003
Zaaknummer
02096/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF1588
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 402
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 41
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02096/01

Mr Jörg

Zitting 26 november 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door de politierechter in de arrondissementsrechtbank te Arnhem bij vonnis van 29 september 2000 ter zake van parketnummers 05/015383-98 en 05/015038-97 wegens een onverzekerde auto veroordeeld tot tweemaal telkens twee dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.F.M. van Vlijmen, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 00308/02, waarin heden eveneens conclusie wordt genomen.

3. In de cassatieschriftuur stelt mr. Van Vlijmen dat verzoeker verstaat dat ook beroep in cassatie is ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 21 maart 2000.

4. Artikel 449 Sv bepaalt dat beroep in cassatie moet worden ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. De wet geeft niet aan dat beroep in cassatie ook kan worden ingesteld door een verklaring van een advocaat in de cassatieschriftuur. Bij de processtukken bevindt zich geen akte cassatie tegen de beslissing van het hof. Voor zover het middel een uitnodiging bevat het beroep in cassatie ook betrekking te laten hebben op de uitspraak van het hof te Arnhem van 21 maart 2000, moet deze dus worden afgeslagen.

5. Alvorens het middel te bespreken vraag ik ambtshalve de aandacht voor het volgende. Ik geef allereerst een korte uiteenzetting van de gevolgde procedure.

6. Verzoeker is aanvankelijk op 21 april 1998 door de politierechter te Arnhem bij verstek veroordeeld wegens overtreding van art. 7, 8 en 9, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994, verduistering en overtreding van art. 30 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Verzoeker is daarnaast op 27 november 1998 eveneens door de politierechter te Arnhem bij verstek veroordeeld wegens overtreding van art. 8 en 9, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 en van art. 30 WAM. Tegen beide vonnissen heeft verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof te Arnhem heeft bij een tweetal arresten van 21 maart 2000 verstaan dat verzoeker tegen de overtredingen van art. 30 WAM het rechtsmiddel van verzet heeft gedaan. Verzoeker is voor de behandeling van beide WAM-overtredingen opgeroepen voor de terechtzitting van de politierechter te Arnhem van 29 september 2000. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 september 2000 blijkt dat verzoeker niet op de terechtzitting is verschenen. De politierechter heeft bij vonnis van 29 september 2000 vervolgens verzoeker voor de twee tenlastegelegde feiten veroordeeld en tweemaal twee dagen hechtenis opgelegd.

7. Opmerking verdient dat een rechter in geval de verdachte "ten dienende dage", zoals de wet lichtelijk archaïsch vermeldt, niet verschijnt na gedaan verzet, slechts bevoegd (en gehouden) is te onderzoeken of de behandeling van het verzet overeenkomstig de wet is aangezegd. In het bevestigende geval behoort hij te volstaan met de vervallenverklaring van het verzet en mag hij dus niet treden in een onderzoek naar de zaak zelf. Op grond van art. 402 Sv staat voor de verdachte alleen tegen de einduitspraak waarbij het verzet vervallen is verklaard, beroep in cassatie open.

8. In deze zaak heeft de politierechter verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, het vonnis waarvan verzet vernietigd en opnieuw vonnis gewezen. Tegen deze einduitspraak heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Beroep in cassatie is evenwel slechts mogelijk tegen de vervallenverklaring van het verzet. Gesteld zou kunnen worden dat tegen de beslissing van de politierechter derhalve geen rechtsmiddel openstond. Het kan evenwel niet zo zijn dat een verdachte een rechtsmiddel wordt onthouden, in het geval dat een rechterlijke instantie een beslissing heeft genomen, welke wettelijk gezien niet mogelijk is, en wel een rechtsmiddel zou hebben indien de rechter de juiste beslissing had genomen.

9. Uit hetgeen hierboven is beschreven volgt dat de politierechter niet had mogen toekomen aan de behandeling van de zaak, maar slechts had kunnen besluiten tot vervallenverklaring van het verzet, na te hebben nagegaan of de behandeling van het verzet overeenkomstig de wet was aangezegd. In de beslissing van de politierechter moet aldus worden ingelezen dat het verzet vervallen is verklaard.

10. In die beslissing ligt tevens besloten dat de aanzegging van de behandeling van het verzet overeenkomstig de wet is geschied.

11. Ik kom nu toe aan de bespreking van het middel. Het middel bevat de klacht dat verzoeker ten onrechte bij verstek is veroordeeld omdat de inleidende dagvaarding(1) en de oproeping voor de (verzet)zitting van 29 september 2000 niet op het juiste adres zijn uitgereikt.

12. Zoals hierboven al aangegeven is de rechter in geval van niet-verschijning van de verdachte na gedaan verzet slechts bevoegd (en gehouden) te onderzoeken of de behandeling van het verzet overeenkomstig de wet is aangezegd. De rechter zal zich derhalve niet hoeven te buigen over de vraag of de inleidende dagvaarding op de juiste wijze is aangezegd. In zoverre faalt het middel.

13. Het middel behelst eveneens de klacht dat de oproeping voor de verzetzitting van 29 september 2000 niet correct is geschied. De aan de 'oproeping veroordeelde verzet' met betrekking tot de zitting van 29 september 2000 gehechte akte van uitreiking in zaaknummer 05/015383-98 houdt in dat dit stuk op 11 augustus 2000 niet kon worden uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [woonplaats], omdat op dat adres niemand werd aangetroffen, en dat dit schrijven vervolgens op 11 september 2000 is uitgereikt ter griffie van de rechtbank, daar "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". De aan de 'oproeping veroordeelde verzet' met betrekking tot de zitting van 29 september 2000 gehechte akte van uitreiking in zaaknummer 05/015038-78 houdt in dat dit stuk op 28 augustus 2000 is uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [woonplaats] aan "[betrokkene 1], die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen."

14. De akte hoger beroep d.d. 12 juli 1999 inzake parketnr. 05-015038/97 houdt evenwel als adres en woonplaats van verzoeker in: [b-straat 1], [...], [woonplaats].

15. Uit de processtukken blijkt dat verzoeker niet stond ingeschreven in een GBA, maar dat verzoeker wel een bekende woon- of verblijfplaats had, te weten het adres [b-straat 1], [...] [woonplaats]. De aanzegging heeft evenwel plaatsgevonden op een ander adres, [a-straat 1], te [woonplaats], op welk adres verzoeker al bijna vijf jaar niet meer stond ingeschreven, zoals blijkt uit het GBA-overzicht dat in het kader van de aanzeggingsprocedure door de Hoge Raad is opgemaakt.

16. Art. 588, eerste lid, aanhef en onder b, 2°, houdt in:

"De uitreiking geschiedt:

()

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

()

2° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde ()".

17. In de zaak HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 heeft de Hoge Raad overwogen dat indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA en niet in Nederland is gedetineerd, de betekening in elk geval geldig is indien de dagvaarding is aangeboden aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte en - omdat hij aldaar niet werd aangetroffen - is uitgereikt aan iemand die zich op dat adres bevond en zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. Gezien de appèlakte moet worden aangenomen dat van verzoeker wel een feitelijke woon- of verblijfplaats bekend was.

18. Uit het bovenstaande volgt dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de aanzegging van de dag voor de behandeling van het verzet aan verzoeker geldig is betekend ontoereikend is gemotiveerd.

19. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen, en, doende wat de politierechter had behoren te doen, de oproeping nietig verklaren.

20. Het middel slaagt.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot nietigverklaring van de aanzegging van verzoeker om te verschijnen voor de terechtzitting van de politierechter van 29 september 2000.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bedoeld zal zijn: inleidende dagvaardingen.