Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF1566

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-03-2003
Datum publicatie
07-03-2003
Zaaknummer
C02/002HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF1566
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 136
JWB 2003/106
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C02/002

Mr. Keus

Zitting 6 december 2002

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

(hierna: [eiser] c.s.)

tegen:

1. [Verweerder 1] (h.o.d.n. [A])

[...]

2. [Verweerder 2] (h.o.d.n. [B])

[...]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of schade als gevolg van lekkage door condensvorming in de dakconstructie van het huis van [eiser] c.s. mede aan [eiser] c.s. kan worden toegerekend.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1).

a. [Eiser] c.s. hebben in februari 1994 aan [verweerder 1] opdracht gegeven tot het vervaardigen van bouwtekeningen (een schetsontwerp en een definitief ontwerp) ten behoeve van een door [eiser] c.s. te bouwen huis. [Eiser] c.s. hebben de bouw in eigen beheer doen uitvoeren. Zij hebben onder anderen [verweerder 2] opdracht gegeven het woonhuis overeenkomstig de bouwtekeningen te bouwen. [Verweerder 2] heeft onder meer de dakconstructie vervaardigd.

b. [Eiser] c.s. hebben het huis op 24 mei 1995 als bewoonbaar geaccepteerd. In december 1995 hebben [eiser] c.s. ernstige wateroverlast als gevolg van condensvorming in de dakconstructie van het huis ervaren. Daarop hebben zij [verweerder 1] en [verweerder 2] aansprakelijk gesteld voor de aldus door hen geleden schade, alsmede herstel van het dak gevorderd.

c. [Verweerder 2] heeft vervolgens een deskundige, ing. Reubsaet, ingeschakeld om de dakconstructie te onderzoeken. Ook [eiser] c.s. hebben een onderzoek laten uitvoeren. Daartoe hebben zij het BDA Dakadvies B.V. (hierna: BDA) ingeschakeld. De door Reubsaet en BDA opgemaakte rapporten maken melding van het feit dat de dakconstructie van het huis een zogenaamde "kouddakconstructie" is, die niet voldoet aan de eisen die heden ten dage aan dakconstructies worden gesteld en de oorzaak vormt van de vochtproblemen. BDA maakt ook melding van een slechte uitvoering van de dakbedekking.

d. Nadat overleg tussen partijen niet tot het gewenste resultaat had geleid, hebben [eiser] c.s. een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht bij de rechtbank Maastricht ingediend. Bij beschikking van 12 mei 1997 heeft de rechtbank ir. Van den Bongard als deskundige benoemd. De deskundige stelt in het naar aanleiding van zijn onderzoek opgemaakte rapport dat de oorzaak van de vochtproblemen grotendeels in de kouddakconstructie moet worden gezocht. De herstelwerkzaamheden zouden voornamelijk dienen te bestaan in het wijzigen van de dakconstructie in een "warmdakconstructie". De deskundige stelt de kosten hiervan op fl. 15.500,-, inclusief BTW.

e. Overleg tussen [eiser] c.s. en (de verzekeraar van) [verweerder 1] heeft niet tot overeenstemming geleid.

1.3 [Eiser] c.s. hebben onder versneld regime gevorderd dat de rechtbank Maastricht voor recht zal verklaren dat [verweerder 1] en [verweerder 2] jegens [eiser] c.s. wanprestatie hebben gepleegd en dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die daarvan het gevolg is. Voorts hebben zij hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot vergoeding van de schade gevorderd, primair in natura en subsidiair tot een bedrag van fl. 64.791,13. [Eiser] c.s. hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de constructie niet voldoet aan de eisen die thans aan dakconstructies worden gesteld, alsmede dat de uitvoering van de constructie slecht is. Met de door de deskundige ir. Van den Bongard voorgestelde herstelwerkzaamheden is volgens [eiser] c.s. een bedrag van fl. 64.791,13 gemoeid. Zij hebben zich in dit verband op door hen gevraagde offertes beroepen.

1.4 [Verweerder 1] heeft - voor zover in cassatie van belang - als verweer gevoerd dat hij een zeer beperkte opdracht heeft gekregen. Hij diende slechts twee bouwtekeningen te maken op grond waarvan [eiser] c.s. een bouwvergunning zouden kunnen verkrijgen en niet een voor uitvoering gereed ontwerp. Met de uitvoering en de oplevering van het huis heeft hij geen bemoeienis gehad. Het ontwerpen van een kouddakconstructie is op zichzelf niet een fout, aldus [verweerder 1]. Voorts heeft [verweerder 1] een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [eiser] c.s. in verband met de eigen deskundigheid van [eiser 1]. [Verweerder 1] heeft gesteld dat ook de (schade als gevolg van de) fouten van [verweerder 2] aan [eiser] c.s. moet(en) worden toegerekend. Ten slotte heeft [verweerder 1] de hoogte van de schade betwist.

1.5 [Verweerder 2] heeft als verweer gevoerd dat de door hem uitgevoerde werkzaamheden niet tot de vochtproblemen hebben bijgedragen en dat hij zich aan de tekeningen van [verweerder 1] heeft gehouden.

1.6 De rechtbank heeft in haar vonnis van 25 maart 1999 - voor zover in cassatie van belang - geoordeeld dat het ontwerp van [verweerder 1] zo specifiek was dat het de basis vormde voor de constructie van het dak en dat [verweerder 1] voor de deugdelijkheid daarvan heeft in te staan. Volgens de rechtbank spreken [eiser] c.s. [verweerder 1] terecht op de gevolgen van de riskante keuze van de kouddakconstructie aan. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de mogelijke eigen deskundigheid van [eiser 1] [verweerder 1] niet kan ontslaan van zijn verplichting de opdracht naar behoren uit te voeren en dat niet is gebleken dat [eiser 1] een dermate grote invloed op het uiteindelijke ontwerp heeft gehad dat de fouten daarin gedeeltelijk aan [eiser] c.s. moeten worden toegerekend. Daarom heeft de rechtbank het beroep van [verweerder 1] op eigen schuld van [eiser] c.s. verworpen.

1.7 Ten aanzien van [verweerder 2] heeft de rechtbank overwogen dat uit het deskundigenrapport van ir. Van den Bongard blijkt dat [verweerder 2] te dunne isolatie en een te dunne en onvoldoende luchtdichte dampremmende laag heeft aangebracht, maar dat deze fouten niet in relevante mate tot de schade van [eiser] c.s. hebben bijgedragen. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering jegens [verweerder 2] afgewezen.

1.8 De primaire vordering van [eiser] c.s., strekkende tot schadevergoeding in natura, wees de rechtbank af, omdat zij de vordering niet voldoende bepaalbaar achtte. Ten aanzien van de hoogte van de subsidiair gevorderde schadevergoeding in geld oordeelde de rechtbank dat [eiser] c.s. de "extra kosten" voor het construeren van een "warm dak" vergoed diende te krijgen(2). Voor de bepaling van de hoogte van die kosten heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij een door [verweerder 1] overgelegde schadeberekening van Nolte Expertise(3) en bij het begrote bedrag een bedrag voor schilderswerkzaamheden opgeteld. Rekening houdende met de "oud voor nieuw(4)"-aftrek, achtte de rechtbank de vordering jegens [verweerder 1] tot een bedrag van fl. 40.000,- toewijsbaar.

1.9 [Verweerder 1] heeft van het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Hij heeft het geschil in volle omvang aan het hof 's-Hertogenbosch voorgelegd. [Eiser] c.s. hebben eveneens hoger beroep ingesteld, voor zover het vonnis tussen hen en [verweerder 2] was gewezen. De grief van [eiser] c.s. was in het bijzonder gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de fouten van [verweerder 2] niet in relevante mate tot de schade hebben bijgedragen. Voorts hebben [eiser] c.s. in het tegen [verweerder 2] gerichte appel hun vordering, strekkende tot het verkrijgen van schadevergoeding in geld, tot het door de rechtbank vastgestelde schadebedrag van fl. 40.000,00 verminderd. In hoger beroep zijn de zaken op verzoek van [eiser] c.s. gevoegd.

1.10 Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof ten aanzien van [verweerder 1] overwogen dat uit de rapporten van de deskundigen niet kan worden afgeleid dat de kouddakconstructie als zodanig ondeugdelijk is (rov. 4.3.1). Voorts achtte het hof op grond van de rapporten voldoende aannemelijk dat de opgetreden vochtproblemen met name zijn toe te schrijven aan de wijze van uitvoering van de door [verweerder 1] voor zijn ontwerp gekozen dakconstructie en niet aan het ontwerp als zodanig (rov. 4.3.4). Dan vervolgt het hof in rov. 4.3.6:

"Naar het oordeel van het hof kan [verweerder 1] echter wel worden verweten dat hij [eiser] c.s. onvoldoende heeft geattendeerd op het aan een dergelijke constructie verbonden risico van vochtproblemen bij een onvoldoende zorgvuldige uitvoering van de constructie. Het hof is met de rechtbank(5) van oordeel dat die tekortkoming [verweerder 1] (mede) aansprakelijk doet zijn voor de ontstane vochtproblemen en de door [eiser] c.s. dientengevolge geleden schade."

1.11 Ten aanzien van de vraag of [eiser] c.s. medeschuld kan worden verweten, heeft het hof in rov. 4.4.3 als volgt geoordeeld:

"Nu [eiser] c.s. het ontwerp van [verweerder 1] in eigen beheer heeft doen uitvoeren is de wijze waarop dit is uitgevoerd - en die voor wat betreft de dakconstructie de vochtproblemen ten gevolge heeft gehad - een omstandigheid die, in aanmerking genomen het feit dat die uitvoering in zijn opdracht op zijn aanwijzingen is geschied en door hem is geaccepteerd, mede voor zijn rekening behoort te komen."

De stellingen van [eiser] c.s. over betrokkenheid van [verweerder 1] bij het bouwproject, in het stadium nadat hij de bouwtekeningen had vervaardigd, heeft het hof niet ter zake dienend geacht. Volgens het hof impliceren die stellingen niet een relevante bemoeienis van [verweerder 1] met de uitwerking en uitvoering van de dakconstructie en was van directievoering door [verweerder 1] hoe dan ook geen sprake (rov. 4.4.4). Ook tekortkomingen van de uitvoerders van de werkzaamheden doen volgens het hof niet aan eigen schuld van [eiser] c.s. af. Volgens het hof zijn die tekortkomingen mede aan een onvoldoende gedetailleerde instructie (zoals geen bijzondere indicatie voor de kwaliteit van de dampremmende laag) te wijten en hadden zij in zoverre bij een deugdelijke directievoering kunnen worden voorkomen (rov. 4.4.5). Voorts heeft het hof geoordeeld dat de vochtproblemen mede zijn te wijten aan acceptatie van de werkzaamheden door [eiser] c.s., alhoewel tekortkomingen als het onvoldoende luchtdicht aanbrengen en niet aftapen van de dampremmende laag voor het oog waarneembaar waren. Dan vervolgt het hof:

"4.4.6. (...) [eiser] c.s. stelt weliswaar dat hij een leek is op het gebied van bouwkundig toezicht doch dat is een omstandigheid die voor zijn risico komt. Dat hij dat risico gering heeft ingeschat omdat, naar hij stelt, [verweerder 1] hem zou hebben gezegd dat het ontwerp niet op bijzondere uitvoeringsmoeilijkheden zou stuiten en hij ervan uit mocht gaan met deskundige uitvoerders in zee te zijn gegaan doet daaraan niet af, nu zulks op zichzelf nog niet de garantie in zich bergt dat bij de uitvoering geen fouten worden gemaakt.

4.4.7. Op grond van het hiervoor overwogene acht het hof [eiser] c.s. als "eigenbouwer" voor 50% mede aansprakelijk voor de schade die hij heeft geleden tengevolge van de gebrekkige (uitvoering van de) dakconstructie. De opmerking van ir. Van den Bongard sub 8 van zijn rapport inzake het opdelen van het project, het bezuinigen op de directie, het niet aanwezig zijn van werktekeningen en het ontbreken van een hoofdaannemer en het daaraan verbonden nadeel geeft slechts steun aan dit oordeel."

1.12 Evenals de rechtbank is het hof uitgegaan van het door Nolte berekende schadebedrag van fl. 35.272,63(6). Anders dan de rechtbank heeft het hof dit bedrag echter niet met een bedrag van fl. 6.115,88 voor het schilderen van de plafonds verhoogd. [Eiser] c.s. hadden immers niet aangegeven dat naast vervanging van de beschadigde - onbeschilderde - plafondplaten tevens schilderwerk zou zijn vereist (rov. 4.5.2-4.5.3). In het dictum heeft het hof [verweerder 1] (hoofdelijk met [verweerder 2]; zie hierna onder 1.13) tot betaling van een bedrag van fl. 14.558,38(7) veroordeeld.

1.13 In de zaak tegen [verweerder 2] heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het oordeel van de rechtbank dat de schade van [eiser] c.s. niet mede door fouten van [verweerder 2] is veroorzaakt, als onbegrijpelijk aangemerkt. Het hof heeft in dat verband gewezen op het rapport van Reubsaet en de brief van Rockwool waarin het belang van een goed afsluitende, dampremmende laag van de juiste kwaliteit is benadrukt, alsmede op de bevinding van ir. Van den Bongard dat [verweerder 2] de dampremmende laag niet correct heeft aangebracht. In rov. 4.7.4 heeft het hof vervolgens overwogen:

"In aanmerking genomen het hiervoor gerelateerde belang van een deugdelijk aangebrachte en goed afsluitende dampwerende laag van voldoende kwaliteit, acht het hof het, anders dan de rechtbank, niet aannemelijk dat de gehele schade zoals deze thans door [eiser] c.s. is geleden ook zou zijn ontstaan indien de door [verweerder 2] verrichte werkzaamheden op de juiste wijze zouden zijn uitgevoerd. Het bepaalde in art. 6:102 BW en de uitleg van dat artikel in het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1999 (NJ 2000 nr. 351) leiden dan ook tot het oordeel dat [verweerder 2] voor de door [eiser] c.s. geleden schade hoofdelijk aansprakelijk is, voor zover deze niet op grond van eigen schuld voor rekening van [eiser] c.s. dient te blijven (zie r.o. 4.4.7 in de zaak onder rolnr. C99/00644)."(8)

Naar het oordeel van het hof ontslaat het enkele feit dat [eiser] c.s. geen bijzondere eisen aan de dampremmende laag of de wijze van aanbrengen daarvan hebben gesteld, [verweerder 2] niet van zijn medeverantwoordelijkheid daarvoor (rov. 4.7.6). Daarbij heeft het hof onder meer van belang geacht dat [verweerder 2] niet heeft weersproken dat hij in zijn 20-jarige praktijkervaring vele malen met kouddakconstructies te maken moet hebben gehad. Het hof heeft [verweerder 2] hoofdelijk met [verweerder 1] tot betaling van een bedrag van fl. 14.558,38(9) veroordeeld.

1.14 [Eiser] c.s. hebben van het arrest van het hof tijdig cassatieberoep ingesteld. [Verweerder 1] heeft verweer gevoerd. Zowel [eiser] c.s. als [verweerder 1] hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [Verweerder 2] is niet verschenen.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Onderdeel 1 van het cassatiemiddel is gericht tegen het in de rov. 4.4.3-4.4.8 vervatte en in de zaak tussen [eiser] c.s. en [verweerder 1] gegeven oordeel dat [eiser] c.s. 50% eigen schuld kan worden verweten, omdat zij het ontwerp van [verweerder 1] in eigen beheer hebben doen uitvoeren (en daarbij, naar het hof kennelijk heeft geoordeeld, in directievoering en toezicht zijn tekortgeschoten). [Eiser] c.s. achten dit oordeel tegenstrijdig met het in rov. 4.3.6 (zie hiervóór, 1.10) vervatte oordeel dat "[verweerder 1](...) (kan) worden verweten dat hij [eiser] c.s. onvoldoende heeft geattendeerd op het aan een dergelijke constructie verbonden risico van vochtproblemen bij een onvoldoende zorgvuldige uitvoering van de constructie". Met dit oordeel verdraagt zich volgens het onderdeel niet dat het hof aan zijn oordeel over eigen schuld van [eiser] c.s. vervolgens (mede) ten grondslag heeft gelegd, dat aan het op [eiser] c.s. als "eigenbouwer" rustende risico van een bij gebrek aan deskundigheid tekortschietend bouwkundig toezicht niet afdoet dat - naar [eiser] c.s. stellen - [verweerder 1] zou hebben gezegd dat het ontwerp niet op bijzondere uitvoeringsmoeilijkheden zou stuiten. Had [verweerder 1] hen gewaarschuwd, dan hadden [eiser] c.s. volgens het onderdeel "immers kunnen voorkomen dat de uitvoering van de dakconstructie ten aanzien van genoemde risico's, gebrekkig zou worden uitgevoerd". Om die reden had het hof moeten concluderen dat [eiser] c.s. in het geheel geen medeschuld kan worden verweten en had het ook de proceskosten, in plaats van deze te compenseren, geheel voor rekening van [verweerder 1] moeten brengen.

2.2 Het onderdeel miskent dat, ook als moet worden aangenomen dat [eiser] c.s. na een waarschuwing van [verweerder 1] de thans ingetreden schade zouden hebben voorkomen, geenszins is uitgesloten dat andere en aan hen toe te rekenen omstandigheden niettemin tot die schade hebben bijgedragen.(10) In de benadering van het hof is de schade van [eiser] c.s. mede een gevolg van aan henzelf toe te rekenen omstandigheden, omdat zij voor bouw in eigen beheer hebben gekozen en deugdelijke directievoering en deskundig toezicht deswege ontbraken. Dat [eiser] c.s., als [verweerder 1] hen (wat op zijn weg lag) had gewaarschuwd, (wellicht) in een adequate directievoering en in adequaat toezicht zouden hebben voorzien, neemt niet weg dat zodanige directievoering en toezicht in werkelijkheid hebben ontbroken en dat deze aan [eiser] c.s. toe te rekenen omstandigheid naar het oordeel van het hof tot de schade heeft bijgedragen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, zodat het eerste onderdeel niet tot cassatie kan leiden.

2.3 Onderdeel 2 bevat dezelfde klacht als onderdeel 1, maar dan met betrekking tot het oordeel van het hof in de zaak tussen [eiser] c.s. en [verweerder 2]. Het onderdeel klaagt dat het hof ook [verweerder 2] hoofdelijk voor de gehele schade had moeten veroordelen, nu de in de zaak onder rolnummer C99/00644(11) vastgestelde eigen schuld van [eiser] c.s. (waarnaar het hof aan het slot van rov. 4.7.4 uitdrukkelijk heeft verwezen) ten onrechte is aangenomen: "Uit de samenhang van beide arresten volgt dat dan ook hier het Hof onbegrijpelijk althans onjuist heeft overwogen door te overwegen dat [verweerder 2] voor de door [eiser] c.s. geleden schade hoofdelijk aansprakelijk is voor zover deze niet op grond van eigen schuld voor rekening van [eiser] c.s. dient te blijven. [Verweerder 2] en [verweerder 1] dienen (...) ieder hoofdelijk veroordeeld te worden voor de gehele schade welke [eiser] c.s. hebben geleden zonder dat [eiser] c.s. eigen schuld verweten kan worden."

Voor zover het onderdeel voortbouwt op de klacht van onderdeel 1, kan het, evenmin als onderdeel 1, tot cassatie leiden.

2.4 In zijn schriftelijke toelichting lijkt mr. Duijsens van een bredere strekking van het onderdeel uit te gaan. Op p. 7/8 stelt hij, dat, voor zover mocht blijken dat het eerste onderdeel niet tot cassatie kan leiden, het hof de "verdeeldheid van de aansprakelijkheid" niet heeft onderbouwd en "zonder nadere motivering de schade tussen [eiser] c.s., [verweerder 1] en [verweerder 2] kennelijk zo heeft bepaald dat [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk f 14.558,38 aan [eiser] dienen te betalen en [eiser] c.s. voor f 20.714,25 van de schade dienen op te draaien". Naar mijn mening kan in het tweede onderdeel een daartegen gerichte klacht echter niet worden gelezen. Zowel de klacht van het eerste onderdeel als die van het tweede onderdeel zijn slechts gericht tegen het oordeel van het hof dat de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] c.s. moeten worden toegerekend. Beide onderdelen strekken ten betoge dat eigen schuld van [eiser] c.s. ontbreekt en dat [verweerder 1] en [verweerder 2] daarom hoofdelijk voor de gehele schade aansprakelijk zijn. Geen van beide onderdelen omvat een (aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv beantwoordende) klacht over de verdeling van de schade in het geval dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] c.s. kunnen worden toegerekend.

2.5 Aan mr. Duijsens moet intussen worden toegegeven, dat de wijze waarop het hof de hoofdelijke aansprakelijkheid van [verweerder 2] onder die van [verweerder 1] heeft "geschoven", niet geheel in overeenstemming lijkt met de wijze waarop de schade volgens art. 6:102 lid 2 BW over de benadeelde en de aansprakelijke partijen moet worden verdeeld. Art. 6:102 lid 2 schrijft voor dat de afweging van de mate waarin de aan de benadeelde en de aansprakelijke partijen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, ten aanzien van ieder van de aansprakelijke partijen afzonderlijk moet plaatsvinden. Die afweging kan tot verschillende uitkomsten leiden. Voorts geldt dat de benadeelde van de aansprakelijke partijen in totaal niet meer kan vorderen dan hem zou zijn toegekomen, indien voor de omstandigheden waarop de vergoedingsplichten van de aansprakelijke partijen berusten, slechts één persoon aansprakelijk zou zijn geweest.

Als het hof in rov. 4.4.7 heeft bedoeld dat [eiser] c.s. en [verweerder 1] gelijkelijk tot de schade hebben bijgedragen, dan valt zonder nadere motivering niet in te zien, dat en waarom eenzelfde verhouding ook tussen [eiser] c.s. en [verweerder 2] heeft te gelden: de aan [eiser] c.s. verweten ondeugdelijkheid en ondeskundigheid van directievoering en toezicht komen tegenover de aan [verweerder 1] en [verweerder 2] verweten gedragingen (het niet waarschuwen voor de "uitvoeringsgevoeligheid" van de kouddakconstructie respectievelijk het tekortschieten bij de uitvoering daarvan) immers niet noodzakelijkerwijze eenzelfde gewicht toe. Voorts ligt het weinig voor de hand dat (tenminste) de helft van de schade(12) voor rekening van [eiser] c.s. zou moeten blijven, als aan [eiser] c.s., [verweerder 1] en [verweerder 2] toe te rekenen omstandigheden inderdaad steeds in onderling gelijke mate tot de schade hebben bijgedragen(13).

Mogelijk heeft het hof met het in rov. 4.4.7 genoemde percentage het oog gehad op het ingevolge art. 6:102 lid 2 BW ten opzichte van de aansprakelijke partijen tezamen voor rekening van [eiser] c.s. komende aandeel in de schade. Dan rijst echter de vraag, waarom het hof bij de (hoofdelijke) veroordeling van [verweerder 1] en [verweerder 2] van de helft van het schadebedrag is uitgegaan, terwijl in dat geval het aandeel van [eiser] c.s. in de schade het aandeel van elk van beide aangesproken partijen afzonderlijk zou hebben overtroffen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 2.1-2.5 van het vonnis van de rechtbank van 25 maart 1999 en rov. 4.1.1-4.1.2 van het arrest van het hof van 4 september 2001.

2 Zie de rov. 3.10 en 3.11; deze overwegingen zijn in cassatie verder niet van belang.

3 Prod. 2 bij de conclusie van antwoord van [verweerder 1]

4 Bedoeld is kennelijk: nieuw voor oud.

5 Anders dan de tekst van rov. 4.3.6 suggereert, heeft de rechtbank de aansprakelijkheid van [verweerder 1] niet (mede) gebaseerd op een verplichting van [verweerder 1] om op het risico van vochtproblemen bij een onvoldoende zorgvuldige uitvoering te wijzen.

6 Zie noot 3.

7 Kennelijk heeft het hof de kosten van het schilderwerk van de door Nolte begrote schade afgetrokken, en het verschil vervolgens door twee gedeeld. Nolte had de schilderkosten echter niet in haar berekening opgenomen (de rechtbank had het door Nolte begrote bedrag met de kosten van het schilderwerk vermeerderd), zodat er geen enkele reden was de kosten van het schilderwerk op het door Nolte begrote bedrag in mindering te brengen. Voorts leidt een berekening zoals kennelijk gevolgd tot een bedrag van fl. 14.578,38 en niet tot een bedrag van fl. 14.558,38.

8 De zaak tussen [verweerder 1] en [eiser] c.s., zie ook hiervóór 1.11.

9 Zie ook noot 7.

10 Zie voor het geval dat een schade is ontstaan door gedragingen van twee of meer personen terwijl voor elk van die gedragingen geldt dat de schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden, en derhalve door een samenloop van oorzaken, HR 24 december 1999, NJ 2000, 351, m.nt. CJHB.

11 De zaak tussen [verweerder 1] en [eiser] c.s..

12 In noot 7 signaleerde ik al dat het in het dictum genoemde bedrag waarschijnlijk niet juist is berekend.

13 Vgl. in dit verband de instructieve rekenvoorbeelden in Asser-Hartkamp 4-I, 11e druk (2000), nr. 461.