Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF1306

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
C01/325HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF1306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot zeerecht en binnenvaartrecht 5, geldigheid: 2003-02-14
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 629, geldigheid: 2003-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2003/52 met annotatie van mr. F.G.M. Smeele
JOL 2003, 104
RvdW 2003, 36
NJ 2008, 412
S&S 2003, 73
JWB 2003/71

Conclusie

Rolnr. C01/325

Mr L. Strikwerda

Zt. 22 nov. 2002

conclusie inzake

1. Aegon Schadeverzekering N.V.

2. The T-Corp. B.V.

tegen

1. DS-Rendite Fonds nr. 45 Ms "Cape Race" GmbH & Co. Containerschiff KG

2. Hanse Bereederung GmbH

3. [Verweerster 3]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft de vraag of een in een cognossement opgenomen forumkeuzebeding waarin wordt afgeweken van de in art. 629 lid 1 Rv neergelegde bevoegdheidsregel voor inkomend zeevervoer voldoet aan de daaraan ingevolge het tweede lid van dat artikel te stellen eisen.

2. In cassatie dient van het volgende te worden uitgegaan.

(i) Een hoeveelheid katoenen kleding in containers is met het m.s. "Copiapo" vervoerd van Callao, Peru, naar Amsterdam. Voor dit vervoer is een op 19 januari 1997 gedateerd cognossement afgegeven op een formulier van Consorcio Naviero Peruano S.A. (hierna: CNP).

(ii) Op de achterzijde van het cognossement staat omschreven wie als "carrier" moet worden aangemerkt (clause 1):

"'Carrier' means the party named on the face of this Bill of Lading as being the carrier."

Verder is op de achterzijde van het cognossement het volgende forumkeuzebeding opgenomen (clause 26):

"All legal proceedings arising from this contract of carriage evidenced by this bill of lading shall be brought before the Courts of the city where the Carrier has his principle place of business, as indicated below that Carrier's name on the face of this Bill of Lading, to the exclusion of the jurisdiction of the Courts of any other place, unless the Carrier appeals to such other jurisdiction or voluntary submits himself thereto."

(iii) De derde cognossementhouder (eiseres tot cassatie sub 2, hierna: TTC) en haar verzekeraar (eisers tot cassatie sub 1, hierna: Aegon) stellen dat bij aankomst te Amsterdam een deel van de kleding was verdwenen en dat deze goederen verloren zijn gegaan in de periode tussen laden en lossen.

(iv) Aegon c.s. vorderen betaling van een bedrag van f 224.503,- van verweerders in cassatie (hierna: Rendite, Hanse en [verweerster 3]). Volgens Aegon c.s. is Rendite de geregistreerd eigenares van de "Copiapo", terwijl Hanse en [verweerster 3] door respectievelijk Lloyd's Intelligence en het Liberiaanse Scheepsregister als rompbevrachter worden aangemerkt. Aegon c.s. zijn van mening dat deze drie partijen, naast CNP zijn aan te merken als vervoerder onder het cognossement en als zodanig zijn aan te spreken ter zake van de onderhavige schade.

(v) CNP is niet door Aegon c.s. aangesproken, omdat "het cognossement in kwestie een jurisdictiebeding behelst, verwijzend naar de rechter te Lima, welk beding geldig (b)lijkt voorzover het CNP betreft" (inleidende dagvaarding, sub 5).

3. Rendite c.s. hebben de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Zij stellen dat de zaak op grond van het hiervoor geciteerde forumkeuzebeding voor de rechter te Lima, Peru, moet worden gebracht. Daartoe voeren zij aan dat - blijkens het cognossement - CNP is aan te merken als de vervoerder ("carrier") en dat deze zijn "principal place of business" in Lima heeft.

4. De Rechtbank te Amsterdam heeft bij vonnis van 24 mei 2000 (gepubliceerd in S&S 2001, 26) de exceptie verworpen en zich bevoegd verklaard om van de vordering van Aegon c.s. kennis te nemen.

5. Rendite c.s. zijn van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 7 juni 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de Rechtbank onbevoegd verklaard.

6. Naar het oordeel van het Hof voldoet de forumkeuze aan de vereisten van art. 629 lid 2 Rv. Het Hof heeft daartoe onder meer overwogen:

"3.15 (...). Zij verwijst niet zonder meer naar de rechter van de 'principal place of business' van de 'carrier', maar naar de rechter van de stad waar de vervoerder zijn 'principal place of business' heeft, zoals die stad is opgegeven onder de naam van die vervoerder 'on the face' van het cognossement. (...).

3.16 (...). [A]lleen CNP [komt] in aanmerking als mogelijke, 'on the face' van het cognossement genoemde vervoerder en Lima als onder de naam van CNP opgegeven stad waar CNP haar 'principal place of business' zal hebben. Anders dan Aegon c.s. zeggen te menen, is verwarring met andere vervoerders onder cognossement, zoals Rendite c.s., uitgesloten. (...).

3.17 (...).

3.18 (...). [I]mmers haar naam is geplaatst in het vakje FOR THE CARRIER op de voorzijde van het cognossement (...). Dat namens CNP de kapitein, of een vertegenwoordiger van de kapitein, die naam heeft geplaatst, is niet van belang, waar niet is aangevoerd dat de kapitein of diens vertegenwoordiger niet namens CNP mocht handelen.

3.19 De vermelding 'As Agent(s) only' die aan de voet van het evengenoemde vakje is voorgedrukt, geeft geen aanleiding voor twijfel of CNP nu wel als vervoerder kan worden aangemerkt. Immers onmiskenbaar wordt hier niet CNP, maar (hooguit) de kapitein of degene die namens de kapitein ondertekende, als 'agent' aangemerkt."

Het verweer van Aegon c.s. dat Rendite c.s. zich niet op de clausule kunnen beroepen omdat deze nietig is op grond van art. 629 lid 2 Rv nu Rendite c.s. als vervoerders onder cognossement kunnen worden aangemerkt en zij geen van allen woonplaats in Peru hebben, heeft het Hof verworpen. Art. 629 Rv dwingt volgens het Hof niet tot een uitleg die meebrengt dat een forumkeuze nietig is op grond van de omstandigheid dat er nog andere personen zijn die, hoewel het cognossement niet door of namens hen is ondertekend of afgegeven, niettemin als vervoerder onder het cognossement worden aangemerkt en die geen woonplaats hebben in dezelfde staat als de vervoerder die het cognossement heeft afgegeven. Naar 's Hofs oordeel verzet de ratio van de wetsbepaling - bescherming van derde cognossementhouders - zich niet tegen een keuze voor het vervoerdersforum, hoe bezwaarlijk ook, mits die keuze voldoende duidelijk wordt gedaan (r.o. 3.23).

7. Aegon c.s. zijn tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel dat door Rendite c.s. is bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

8. Centraal in het middel staat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat het onderhavige forumkeuzebeding voldoet aan de daaraan ingevolge art. 629 lid 2 Rv te stellen eisen.

9. Vooropgesteld zij dat, niettegenstaande het feit dat Rendite en Hanse (gedaagden in eerste aanleg) gevestigd zijn op het grondgebied van een EEX-staat, te weten de BRD, de vraag naar de geldigheid van het onderhavige forumkeuzebeding óók ten aanzien van Rendite en Hanse buiten het formele toepassingsgebied van art. 17 van het EEX-Verdrag valt, aangezien de door dat beding als bevoegd aangewezen rechter niet de rechter van een EEX-staat is (zie art. 17 lid 1 van het EEX-Verdrag). De vraag naar de geldigheid van het forumkeuzebeding wordt derhalve beheerst door het commune internationaal bevoegdheidsrecht, meer bepaald art. 629 lid 2 Rv. Het Hof heeft in r.o. 3.9 en 3.10 van zijn arrest in gelijke zin beslist en dit oordeel wordt in cassatie - terecht - niet bestreden.

10. Art. 629 Rv is ingevoerd ter bescherming van (in het bijzonder) de derde cognossementhouder. In de memorie van toelichting wordt over de achtergrond van het artikel het volgende gemeld (Kamerstukken II 1986/1987, 19 979, nr. 3, p. 123):

"Het komt herhaaldelijk voor dat een ontvanger en dan vooral een derde cognossementhouder zich geconfronteerd ziet met zg. jurisdictieclausules, die hem verwijzen naar een dikwijls moeilijk te bereiken rechter in een land waar noch de schadeomvang noch de schadeoorzaak werd vastgesteld en waar veelal onzekerheid heerst over de toe te passen rechtsregels. Bovendien wordt deze plaats herhaaldelijk op zeer onduidelijke en dubbelzinnige wijze vermeld. (...). De voorgestelde bepaling stelt aan dit misbruik paal en perk door te bepalen dat dergelijke clausules slechts geldig zijn indien competent wordt geacht een duidelijk aangewezen rechter in hetzij het land van de vervoerder hetzij het land van de ontvanger."

Wat dit paal en perk stellen inhoudt, blijkt uit artikel 629 lid 2. Het bepaalt dat een forumkeuzebeding nietig is tenzij het beding:

"a. bevoegd verklaart een rechter van een met name genoemde plaats gelegen op het grondgebied van de staat waarin hetzij de vervoerder hetzij de ontvanger woonplaats heeft, dan wel

b. is neergelegd in een afzonderlijk, niet naar algemene voorwaarden verwijzend geschrift."

Zie nader over (de achtergrond van) art. 629: I.H. Wildeboer, De zeerecht-consument: een tevreden mens?, in: Recht door zee, 1980, blz. 213-222, en F.G.M. Smeele, De rechtsmacht van de Nederlandse rechter bij inkomend zeevervoer, TCR 1996, blz. 41-43.

11. Ook onder art. 17 van het EEX-Verdrag (thans art. art. 23 EEX-Verordening) heeft de forumkeuze in cognossementen tot vragen in verband met de positie van de derde cognossementshouder aanleiding gegeven. In het arrest HvJEG 9 november 2000, zk C-387/98 (Karl Liebknecht), Jur. 2000, p. I-9337, NJ 2001, 599 nt. PV naar aanleiding van door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van art. 17 EEX-Verdrag (HR 23 oktober 1998, NJ 1998, 901), stond de geldigheid van een forumkeuzebeding ten opzichte van een derde cognossementhouder centraal. Voor het onderhavige bevoegdheidsgeschil kan evenwel slechts in zeer beperkte mate inspiratie worden gezocht in (de uitleg) van art. 17 EEX-Verdrag. Het Hof van Justitie stelt voorop dat niet vereist is dat een forumkeuzebeding zodanig is geformuleerd dat louter op grond van de bewoordingen ervan reeds kan worden bepaald welk gerecht bevoegd is. Het is volgens het Hof voldoende dat het beding de objectieve elementen bevat op basis waarvan partijen overeenstemming hebben bereikt over de keuze van het gerecht of de gerechten waaraan zij de ontstane of de toekomstige geschillen willen voorleggen. Die elementen moeten voldoende nauwkeurig zijn om de geadieerde rechter in staat te stellen te bepalen of hij bevoegd is en zij kunnen eventueel worden geconcretiseerd door de omstandigheden van het geval. Met betrekking tot de geldigheid van de forumkeuze ten opzichte van de derde cognossementhouder oordeelde het Hof van Justitie dat, wanneer een forumkeuzebeding geldig is in de betrekkingen tussen de afzender en de vervoerder, het ook tegenover de derde cognossementshouder kan worden ingeroepen indien deze krachtens het toepasselijke nationale recht de afzender in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd. Is dat het geval, dan behoeft de instemming van de derde cognossementhouder met de forumkeuze niet afzonderlijk te worden onderzocht. Vgl. ook HvJEG 19 juni 1984, zk 97/184 (Tilly Russ), Jur. 1984, p. I-1597, NJ 1998, 901 en HvJEG 16 maart 1999, zk C-159/97 (Casteletti), Jur. 1999, p. I-1597, NJ 2001, 116.

12. Uit het "Karl Liebknecht"-arrest volgt dat wanneer een derde cognossementhouder de afzender is opgevolgd in diens rechten en verplichtingen, hij onder het regime van art. 17 EEX-Verdrag automatisch is gebonden aan een eventueel forumkeuzebeding dat gold tussen de oorspronkelijke contractspartijen. Een dergelijke redenering kan bij de toepassing van art. 629 Rv echter niet worden gevolgd. In deze bepaling wordt op het punt van de internationale bevoegdheid uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de afzender en de derde cognossementhouder. Het is dan ook mogelijk dat de forumkeuze geldig is ten opzichte van de afzender, maar niet ten opzichte van de derde cognossementhouder, ook wanneer deze laatste de afzender is opgevolgd in diens rechten en verplichtingen.

13. Wat de vraag naar de eisen van duidelijkheid van het forumkeuzebeding betreft, zou men bij strikte lezing van art. 629 lid 2 Rv kunnen menen dat louter op grond van de bewoordingen van het forumkeuzebeding duidelijk dient te zijn welke rechter als bevoegd is aangewezen. In de bepaling staat immers dat het beding "de rechter van een met name genoemde plaats" bevoegd dient te verklaren. Deze lezing wordt evenwel niet door het cassatiemiddel verdedigd en gaat ook te ver. Uit de ratio van art. 629 Rv - bescherming van de derde cognossementhouder tegen misbruik van forumkeuzebedingen - kan worden afgeleid dat voldoende is wanneer het uit het cognossement kenbaar is welke rechter op grond van het forumkeuzebeding bevoegd is. Op (andere) omstandigheden die buiten het cognossement zijn gelegen en dus voor de derde cognossementhouder niet kenbaar behoeven te zijn, behoort geen acht te worden geslagen. Ook in dit opzicht kan voor de uitleg van art. 629 Rv dus geen aansluiting worden gezocht bij het Karl Liebknecht-arrest. In dat arrest werd immers geoordeeld dat om te concretiseren naar welke rechter het forumkeuzebeding verwijst, acht mag worden geslagen op de omstandigheden van het geval. Het meewegen van (alle) omstandigheden van het geval is m.i. slechts geëigend indien - zoals het Hof van Justitie ten aanzien van art. 17 EEX-Verdrag voorschrijft - voor de beoordeling van de geldigheid van het forumkeuzebeding de relatie tussen de oorspronkelijke contractspartijen centraal wordt gesteld. Wanneer een forumkeuzebeding bevoegd verklaart "the Courts of the city where the Carrier has his principle place of business", behoort derhalve uit de tekst van het cognossement te blijken wie die vervoerder is en waar deze zijn "principal place of business" heeft. Na deze omzwervingen keer ik terug naar het middel.

14. Onderdeel I van het middel richt zich tegen 's Hofs oordeel, in r.o. 3.15 t/m 3.20, dat de jurisdictieclausule geldig is. Het onderdeel betoogt onder (1) dat op basis van de door het Hof genoemde omstandigheden niet de conclusie kan worden getrokken dat CNP de vervoerder is, bedoeld in de clauses 1 en 26 van het cognossement omdat op basis van die omstandigheden ook kan worden geconcludeerd dat in het cognossement geen vervoerder is vermeld die aan de vereisten van clause 26 voldoet. Voorts voert het onderdeel dat de vermelding van de volledige naam van CNP op het cognossement slechts impliceert dat het cognossementsformulier van CNP is gebruikt, dat het adres van CNP niet onder ("below"), maar naast de naam van CNP staat afgedrukt, en dat in het vakje "FOR THE CARRIER" in het geheel geen adres staat vermeld, noch een ondubbelzinnige aanwijzing van CNP als "carrier". Onder (2) wijst het onderdeel voorts nog op de volgende omstandigheden:

a.Tussen partijen staat onbestreden vast dat sprake is van een kapiteinscognossement; het door of namens de kapitein ondertekenen verbindt in de regel de reder of rompbevrachter (als principaal/werkgever van de kapitein).

b. Op Rendite c.s. rust de bewijslast dat de kapitein namens CNP heeft getekend.

c. Aegon c.s. hebben gesteld dat het cognossement door CNP namens de kapitein ("for the master") is getekend en deze stelling is niet minder plausibel dan de uitleg die het Hof heeft gevolgd.

d. Het Hof heeft in r.o. 3.3 sub a overwogen: "Het betreft een schoon kapiteinscognossement; het is namens CNP 'for the maste' (dus namens de kapitein; hof) ondertekend." Deze vaststelling is onjuist, althans onbegrijpelijk ofwel omdat hiermee de stelling van Aegon c.s. onjuist wordt weergegeven, ofwel omdat deze vaststelling in strijd is met de slotzinnen van r.o.'s 3.18 en 3.19.

e. Rendite c.s. hebben zich in feitelijke instanties wisselend en onduidelijk uitgelaten over de vraag wie het cognossement heeft ondertekend (vgl. pleitnota in eerste aanleg, p. 3 en pleitnota in appèl sub 14).

f. Rendite c.s. hebben nooit (gemotiveerd) gesteld dat CNP aan de kapitein een volmacht heeft gegeven om namens haar als vervoerder het cognossement te ondertekenen. Volgens Aegon c.s. hebben Rendite c.s. overigens "geen enkele adstructie (...) gegeven van CNP's eigen visie op de vraag wie als 'carrier' in de zin van de clausules heeft te gelden".

g. Voor een derde cognossementhouder kunnen de voorgedrukte woorden "As Agent(s) only" onderin het vakje "FOR THE CARRIER" gerede aanleiding voor twijfel bieden of CNP wel als vervoerder in de zin van clause 26 kan worden aangemerkt. Uit deze woorden kan immers ook worden opgemaakt dat CNP zich niet zelf als vervoerder in de zin van clause 26 heeft willen binden, maar dat door een agent voor een derde als vervoerder is getekend.

h. Aegon c.s. hebben van meet af aan het standpunt ingenomen dat vanwege het gebruik van het formulier van CNP, CNP slechts is aan te merken als vervoerder in de zin van art. 461 lid 1 BW. Zij hebben vanaf hun conclusie van antwoord (sub 12) ondubbelzinnig de geldigheid van de clausule wat betreft CNP betwist. Daarmee is onverenigbaar de door het Hof in r.o. 3.3 sub d aan Aegon c.s. toegeschreven beweegredenen om CNP niet in deze procedure te betrekken.

15. Vooropgesteld dient te worden dat de vraag wie als vervoerder onder het onderhavige cognossement moet worden aangemerkt, is onderworpen aan het Nederlandse recht, aangezien uit hoofde van de overeenkomst in een Nederlandse haven moet worden gelost (art. 5 IPR-Wet Zeerecht). Volgens art. 8:461 lid 1 BW wordt als vervoerder onder cognossement aangemerkt niet alleen degene die het cognossement ondertekent, maar ook hij wiens formulier voor het cognossement is gebezigd. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de beslissing om ook deze laatste persoon als vervoerder aan te merken ingegeven door rechtsvergelijkende argumenten. Zie Kamerstukken II 1986-1987, 19 979, nr. 3, p. 17. Daar komt bij dat in de regel de persoon wiens formulier wordt gebruikt, ook degene die zich (door ondertekening) als vervoerder heeft verbonden, al behoeft dat overigens niet steeds het geval te zijn. Vgl. H. Boonk, Zeevervoer onder cognossement, 1993, blz. 31; F.G.M. Smeele, Passieve legitimatie uit cognossement, 1998, blz. 113 e.v. Zie voor kritiek op art. 8:461 lid 1 BW in het bijzonder R.E. Japikse, De zeevervoerder in Boek 8 NBW, in: Ex Iure, 1987, blz. 96 e.v.

16. In de onderhavige zaak is tussen partijen niet in geschil dat het formulier van CNP is gebruikt, waaruit volgt dat CNP op grond van art. 8:461 lid 1 BW zonder meer kan worden aangemerkt als vervoerder onder cognossement. Evenmin is in geschil dat uit het cognossement volgt dat de "principal place of business" van CNP is gelegen in Lima, Peru. Op grond van art. 629 lid 2 Rv is het in het onderhavige geval derhalve toegestaan om een forumkeuzebeding in het cognossement op te nemen die de rechter te Lima bevoegd verklaard. Uit art. 629 lid 2 Rv is immers niet af te leiden dat enkel zou mogen worden gekozen voor de rechter van de woonplaats van de vervoerder die het cognossement heeft ondertekend en niet voor de woonplaats van één van de andere "vervoerders" ex art. 8:461 BW. De parlementaire geschiedenis biedt hiervoor geen steun. Gevolg is dat i.c. enkel de vraag aan de orde is of CNP kan worden aangemerkt als "the party named on the face of this Bill of Lading as being the carrier" (clause 1).

17. Het Hof heeft geoordeeld dat CNP de enige op het cognossement vermelde rechtspersoon is die in aanmerking komt als vervoerder in de zin van clause 26. Dit oordeel is in cassatie als zodanig niet bestreden. Aegon c.s. stellen evenwel dat het zo kan zijn dat door het op gebrekkige wijze invullen van de voorzijde niemand kan worden aangemerkt als de op voorgeschreven wijze aangewezen vervoerder als bedoeld in clause 26. Hoewel op zichzelf denkbaar is dat een dergelijke situatie zich voordoet, is het oordeel van het Hof dat deze situatie zich hier niet voordoet niet onbegrijpelijk. Uit de omstandigheid dat de naam van CNP in het vakje "FOR THE CARRIER" staat vermeld (r.o. 3.18) en (klaarblijkelijk) uit de omstandigheid dat de naam en het adres van CNP prominent op het formulier staan afgedrukt (vgl. r.o. 3.4 sub j en 3.9) (met andere woorden: dat het formulier van CNP afkomstig is), kan worden afgeleid dat voldoende duidelijk is dat CNP de vervoerder is waarop de clauses 1 en 26 doelen. Niet onbegrijpelijk is dat het Hof heeft geoordeeld dat daaraan niet afdoet dat het adres van CNP aan de voorzijde van het cognossement naast haar naam is vermeld in plaats van eronder ("below").

18. Voor de beantwoording van de vraag of CNP de in clause 26 bedoelde vervoerder is, is niet van belang dat, wanneer het cognossement door de kapitein wordt ondertekend, op grond van art. 8:461 lid 2 BW ook een aantal andere personen als vervoerder wordt aangemerkt. De clauses 1 en 26 verwijzen in ieder geval niet (op geldige wijze) naar deze personen omdat deze nu eenmaal niet in het onderhavige cognossement zijn genoemd, laat staan dat uit het cognossement kan worden afgeleid waar de woonplaats van deze personen is. Het doet dan ook niet ter zake dat het cognossement mogelijkerwijs door of namens de kapitein is ondertekend en dat daarmee - náást CNP - ook de reder en/of rompbevrachter zijn verbonden. Dat het Burgerlijk Wetboek - in het bijzonder in het geval sprake is van een kapiteinscognossement - verschillende personen gelijktijdig aanmerkt als vervoerder onder cognossement, betekent niet dat het forumkeuzebeding dient te verwijzen naar het gerecht van de vervoerder namens wie het cognossement is ondertekend. Zie over de ondertekenings- en vertegenwoordigingsproblematiek: Smeele, Passieve legitimatie uit cognossement, 1998, blz. 110-113. Om deze reden kunnen de door het onderdeel aangevoerde omstandigheden a, b en g m.i. geen gewicht in de schaal leggen.

19. De kwestie wie namens wie in het vakje "FOR THE CARRIER" heeft getekend is slechts van belang indien uit de wijze van ondertekening (al dan niet in combinatie met de overige op het cognossement vermelde gegevens) moet worden opgemaakt dat CNP uitsluitend als vertegenwoordiger van een vervoerder beoogde op te treden en gezien dit oogmerk niet als "carrier" in de zin van clause 26 kan worden aangemerkt. Het Hof heeft deze lezing blijkens de r.o. 3.18 en 3.19 verworpen. Uit r.o. 3.18 blijkt dat naar 's Hofs oordeel de kapitein of een vertegenwoordiger van de kapitein namens CPN de naam van CNP in het vakje "FOR THE CARRIER" heeft geplaatst. Uit r.o. 3.19 volgt dat de (voorgedrukte) vermelding "As Agent(s) only" aan de voet van dat vakje volgens het Hof ziet op de omstandigheid dat de kapitein of degene die namens de kapitein ondertekende als "agent" moet worden aangemerkt. Deze overwegingen zijn niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van hetgeen Aegon c.s. terzake heeft gesteld, zoals ik hierna hoop aannemelijk te maken.

20. Wat betreft de door Aegon c.s. gestelde omstandigheden c en d geldt het volgende. Gelet op de rechtsoverwegingen 3.18 en 3.19 heeft het Hof kennelijk niet de opvatting van Aegon c.s. gevolgd dat "door CNP namens de kapitein is getekend" (dagvaarding, sub 1). Het kan dan ook in het midden blijven of het Hof deze opvatting juist heeft weergegeven in r.o. 3.3 sub a. Aangezien Aegon c.s. in feitelijke instanties hebben volstaan met het vermelden van hun lezing op dit punt en hebben verzuimd om toe te lichten waarom die lezing het meest voor de hand ligt, was het Hof niet gehouden nader toe te lichten waarom het zijn eigen lezing meer plausibel achtte.

21. Daar doet niet aan af dat Rendite c.s. zich wisselend hebben uitgelaten over de vraag wie het cognossement heeft getekend en niet (of nauwelijks) hebben toegelicht hoe CNP een eventuele volmacht daartoe heeft gegeven (omstandigheden e en f). Waar het om gaat is dat Rendite c.s. zich op het standpunt hebben gesteld dat uit het cognossement zelf volgt dat het cognossement namens CNP is ondertekend (zie bijv. appeldagvaarding, p. 5).

22. Omstandigheid h mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft in r.o. 3.3 sub d vermeld dat Aegon c.s. hebben besloten om CNP niet te dagvaarden omdat "het cognossement een jurisdictiebeding behelst, verwijzend naar de rechter te Lima, welk beding geldig (b)lijkt voorzover het CNP betreft". Deze omstandigheid heeft het Hof evenwel niet meegewogen in zijn oordeel dat CNP als vervoerder in de zin van clause 26 moet worden aangemerkt.

23. Onderdeel I van het middel, zo volgt, acht ik niet aannemelijk.

24. Onderdeel II van het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof, in r.o. 3.21 t/m 3.23, dat Rendite c.s. zich op het forumkeuzebeding kunnen beroepen. Het onderdeel betoogt dat - al aangenomen dat ten opzichte van CNP voldaan is aan de vereisten voor een geldige forumkeuze - ten opzichte van Rendite c.s. niet voldaan is aan de vereisten van art. 629 lid 2 Rv. Immers, het forumkeuzebeding verklaart in ieder geval niet bevoegd een Duitse of Liberiaanse rechter (de vestigingsplaats van Rendite en Hanse, respectievelijk [verweerster 3]).

25. Ook dit onderdeel is naar mijn oordeel tevergeefs voorgesteld. Uit art. 8:461 BW volgt dat verschillende personen gelijktijdig kunnen worden aangemerkt als vervoerder. Ten aanzien van de onderhavige bevoegdheidsvraag kan in cassatie ervan worden uitgegaan dat CNP vervoerder ex art. 8:461 lid 1 BW is en Rendite c.s. vervoerders ex art. 8:461 lid 2 BW. Rendite c.s. staan niet in een (directe) contractuele verhouding met de afzender of de ontvanger, maar kunnen niettemin naast de contractuele vervoerder aansprakelijk worden gesteld uit hoofde van de vervoersovereenkomst. Deze gelijkstelling brengt mee dat Rendite c.s. (in beginsel) aan de ladingbelanghebbenden alle weren kunnen tegenwerpen die ook door de contractuele vervoerder kunnen worden tegengeworpen (art. 8:441 lid 2 BW).

26. Niet valt in te zien waarom zij zich niet zouden kunnen beroepen op de forumkeuze. Noch uit art. 629 lid 2 Rv, noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat per (wettelijke) vervoerder moet worden vastgesteld of aan de criteria van art. 629 lid 2 sub a Rv is voldaan. Dat de forumkeuze in de meeste gevallen niet zal verwijzen naar een gerecht van een staat van een van de vervoerders ex art. 8:461 lid 2 BW, maakt het beding ten opzichte van hen niet ongeldig. Zou dit wel het geval zijn dan zou het onwenselijke effect daarvan kunnen zijn dat de contractuele vervoerder voor een ander gerecht zou moeten worden gedagvaard dan de wettelijke vervoerders. De belangen van de derde cognossementshouder verzetten zich niet tegen de door het Hof gevolgde zienswijze. Art. 629 Rv beoogt immers (slechts) om hem te beschermen tegen onduidelijke clausules en om te voorkomen dat een gerecht bevoegd wordt verklaard dat geen enkele binding heeft met de vervoerovereenkomst.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,