Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF0750

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
07-02-2003
Zaaknummer
R02/063HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF0750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 84
JWB 2003/62

Conclusie

Rekestnr.: R02/063

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 19 november 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker] h.o.d.n. Humelco

tegen

[Verweerder]

1. Inleiding

In deze zaak is aan de orde of er aanleiding is voor doorbreking van het zgn. rechtsmiddelenverbod in een ontbindingszaak tussen [verzoeker] als werkgever en [verweerder] als werknemer, waarbij de kantonrechter [verzoeker] heeft veroordeeld tot betaling van een schadeloosstelling aan [verweerder].

2. Feiten en procesverloop

2.1. Bij verzoekschrift waarmee deze zaak is ingeleid, heeft thans verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) ontbinding verzocht van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens gewichtige reden met toekenning van een vergoeding ad f. 441.000,--, een en ander op de voet van art. 7:685 BW.

[Verzoeker] heeft zich bij verweerschrift gerefereerd aan het ontbindingsverzoek, doch zich verzet tegen toekenning van enige vorm van vergoeding aan [verweerder].

Op 11 december 2001 heeft bij de kantonrechter te Winschoten een mondelinge behandeling plaats gehad in aanwezigheid van beide partijen en hun gemachtigden.

Bij beschikking van 21 december 2001 heeft de kantonrechter [verweerder] in de gelegenheid gesteld zijn verzoek in te trekken tot 28 december 2001, en indien hij zijn verzoek handhaaft, de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 31 december 2001, onder toekenning aan [verweerder] van een vergoeding van f 202.000,-- bruto, met veroordeling van [verzoeker] van de kosten in het geding.

2.2. [Verzoeker] heeft vervolgens, onder aanvoering van vijf grieven, hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Groningen en verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van [verweerder] alsnog af te wijzen, althans hem geen vergoeding toe te kennen.

[Verweerder] heeft bij verweerschrift verzocht het beroep van [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren, dan wel dit af te wijzen.

Ook in hoger beroep hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht.

Bij beschikking van 17 mei 2002 heeft de rechtbank - na constatering dat [verzoeker] heeft gesteld dat er bij de wijze van de totstandkoming van de beschikking van de kantonrechter sprake was van schending van zodanig fundamentele rechtsbeginselen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken - het hoger beroep ontvankelijk verklaard.

Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:

2. [...] 'Alvorens evenwel toe te komen aan een hernieuwde inhoudelijke beoordeling van het arbeidsgeschil moet worden getoetst of het beroep op het geschonden rechtsbeginsel terecht is voorgedragen.

3. [Verzoeker] heeft de door hem gestelde schending van fundamentele rechtsbeginselen in zijn verzoekschrift niet onderbouwd. Ter zitting is hij daartoe door de rechtbank alsnog in de gelegenheid gesteld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de wijze waarop [verzoeker] ter zitting nader inhoud heeft gegeven aan de door hem gestelde schending, niet kan worden beschouwd als een deugdelijke onderbouwing hiervan.

4. [Verzoeker] heeft volstaan met de blote stelling dat in casu fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden zonder daaraan concreet inhoud te geven. De grieven die [verzoeker] heeft ontwikkeld en de toelichting die hij daar ter terechtzitting op heeft gegeven, zien naar het oordeel van de rechtbank geenszins op een schending van enig rechtsbeginsel, maar veeleer op vermeende motiveringsgebreken en de door de kantonrechter gemaakte belangenafweging. In het licht van de heersende jurisprudentie staat het de rechtbank evenwel niet vrij daarover in hoger beroep te oordelen. [...]'

De rechtbank heeft vervolgens het beroep verworpen en [verzoeker] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

2.3 Van de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] tijdig(1) cassatieberoep ingesteld.

3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1. Ingevolge art. 7:685, lid 11, BW staat van een beslissing van de kantonrechter op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen hoger beroep, noch beroep in cassatie open. De wetgever heeft uitdrukkelijk daarvoor gekozen, om iedere discussie uit te sluiten over wijze waarop de rechter van zijn aan dit artikel ontleende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt: vgl. bijv. HR 12 maart 1982, NJ 1983, 181 (Sneep), rov. 3 (m.nt. PAS in NJ 1983, 182) en, onlangs nog, HR 18 oktober 2002, nr. R01/131, RvdW 2002, 162 (Cartiera di Cadidavid/Speelman Pacarti), rov. 3.4.

Dit rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in bepaalde gevallen worden doorbroken. Dit doet zich voor indien erover wordt geklaagd dat de vorige rechter buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden of het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak essentiële vormen heeft verzuimd.(2)

3.2. Het rechtsmiddelenverbod geldt, als gezegd, ook in cassatie. Dat betekent dat ook in cassatie eerst getoetst moet worden of er een of meer klachten zijn, thans in het cassatiemiddel, met betrekking tot rechtsschendingen die van dien aard zouden zijn dat zij doorbreking van het rechtsmiddelenverbod rechtvaardigen.

3.3. De onderdelen met de nrs 5b, 5c en 5d van het cassatiemiddel (toegelicht in de onderdelen met de nrs 6a t/m 6d en 8) omvatten klachten over schending door de rechtbank van fundamentele rechtsbeginselen.

Desondanks zou [verzoeker] geen belang hebben bij zijn cassatieberoep, indien na gegrondbevinding van het cassatieberoep tegen de onderhavige beschikking van de rechtbank te Groningen, de rechter waarnaar de zaak verwezen zou worden, tot de slotsom zou moeten komen dat [verzoeker] in zijn hoger beroep bij de rechtbank niet had kunnen worden ontvangen vanwege het rechtsmiddelenverbod. Daarvan is hier evenwel geen sprake nu uit de beschikking van de rechtbank blijkt dat [verzoeker] ook in die instantie heeft gesteld dat er sprake zou zijn van schending door de kantonrechter van fundamentele rechtsbeginselen.

[Verzoeker] is derhalve ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

4. Beoordeling van het middel

4.1. De middelonderdelen 1 t/m 4, 7 en 9 bevatten geen klachten. De onderdelen 6a t/m 6d en 8 zijn blijkens het middel bedoeld als toelichting bij de klachten onder 5a, 5b en 5c.

4.2. Ten aanzien van de onderdelen die wél klachten behelzen respectievelijk bedoeld zijn om de klachten toe te lichten, dient het volgende te worden vooropgesteld.

In onder meer zijn beschikkingen van 29 maart 1985, NJ 1986, 242 m.nt. WHH en LWH (Enka/Dupont) en 12 februari 1993, NJ 1993, 572 m.nt. HJS (Organon Teknika/Limpens) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod aanleiding gevende schending van zodanig fundamentele rechtsbeginselen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken, behoort: veronachtzaming van het beginsel van hoor en wederhoor.

4.3. In verschillende beschikkingen heeft de Hoge Raad evenwel geoordeeld dat daartoe niet behoort:

- de enkele omstandigheid dat de rechter bij het geven van zijn beslissing uitgaat van een feitelijke vaststelling die afwijkt van hetgeen partijen dienaangaande hadden gesteld (tenzij de rechter tot zijn onjuiste vaststelling zou zijn gekomen door zich ambtshalve, buiten partijen om, in een onderzoek omtrent de feiten te begeven, zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich omtrent de uitkomst van zodanig onderzoek uit te laten);(3)

- verkeerde toepassing van de toegepaste wetsbepaling (in casu art. 7:685 BW);(4)

- de omstandigheid dat de beschikking niet naar de eis der wet met reden is omkleed, resp. het door de rechter in zijn uitspraak niet vermelden van de redenen waarom hij van het door een der partijen aangevoerde afwijkt;(5)

- een aanspraak op een volledige herbeoordeling van de uitspraak van de kantonrechter in hoger beroep.(6)

4.4. De klachten in het middel miskennen m.i. deze door de Hoge Raad gegeven regels, waarvan de gestrengheid voortvloeit uit het door de wetgever niet voor niets gegeven rechtsmiddelenverbod, zodat daarop slechts zeer beperkte uitzonderingen mogelijk zijn. Anders gezegd: rechts- en motiveringsklachten die (mogelijk) wél zouden opgaan als van een rechtsmiddelenverbod geen sprake was, zijn op zichzelf niet genoeg in gevallen waarin de wetgever hoger beroep en cassatie niet gewild heeft.

4.5. Bij de afzonderlijke klachten merk ik nog het volgende op.

4.6. Subonderdelen 5a en 5e stuiten reeds af op de omstandigheid dat zij (overigens terecht) niet klagen over schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.

4.7. Subonderdeel 5c mist feitelijke grondslag. Uit de bestreden beschikking van de rechtbank blijkt immers dat de rechtbank wel degelijk onderkend heeft dat het appèlverbod van art. 7:685, lid 11, BW niet geldt in geval van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel.

4.8. Subonderdeel 5b poneert dat de rechtbank (het fundamentele rechtsbeginsel van) het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling door een onpartijdige rechter miskend zou hebben.

Als zodanig voldoet de klacht niet aan art. 426a, lid 2 (vgl. art. 407, lid 2) Rv.

Leg ik de als toelichting bedoelde subonderdelen 6a t/m 6d en 8 ernaast, dan merk ik dienaangaande het volgende op.

4.8.1. Het gestelde in nr 6a behelst geen klacht.

4.8.2. Voor zover nr 6b klachten behelst, moeten die blijken uit de sub-subonderdelen A t/m C op pp. 4-5. De beweerdelijke onjuistheden in de beschikking van de kantonrechter als aldaar vermeld leveren evenwel geen schendingen van fundamentele rechtsbeginselen door de rechtbank op, reeds omdat het middel niet aan de rechtbank verwijt dat het aan dezer klachten voorbij zou zijn gegaan. Ik wijs er daarbij nog op dat [verzoekers] even bedoelde in de cassatieschriftuur naar voren gebrachte klachten, in het verzoekschrift in hoger beroep niet of ternauwernood zijn aan te treffen, laat staan dat zij aldaar gesteld zijn in de sleutel van schendingen van fundamentele rechtsbeginselen.

4.8.3. De beweerdelijke onjuistheden in de beschikking in eerste instantie kwalificeren trouwens ook niet als schendingen van fundamentele rechtsbeginselen door de kantonrechter. Zoals hoger vermeld is daartoe onvoldoende de omstandigheid dat de rechter bij het geven van zijn beslissing uitgaat van een feitelijke vaststelling die afwijkt van hetgeen partijen dienaangaande hadden gesteld.

Het is minstens één brug te ver om uit het afwijken door de kantonrechter in de feitelijke vaststelling van hetgeen [verzoeker] dienaangaande - beweerdelijk - zou hebben gesteld of uitgelegd, een 'oneerlijk proces' dan wel 'partijdigheid' van de rechter te willen afleiden.

4.8.4. De toelichting in sub-subonderdeel 6c voldoet niet aan de eisen van art. 426a, lid 2 Rv., en zou trouwens ook niet een klacht over schending van een fundamenteel rechtsbeginsel ondersteunen.

4.8.5. Hetgeen de toelichting onder 6d voorwaardelijk vermeldt, berust m.i. op onjuiste lezing van de aldaar vermelde jurisprudentie-vindplaats, en biedt ook overigens geen aanknopingspunten die tot cassatie kunnen leiden.

4.9. Subonderdelen 5d en 8 betogen dat de rechter, door het niet aanvullen van rechtsgronden op basis van het huidige art. 25 Rv. (art. 48 (oud)) reeds als zodanig een fundamenteel rechtsbeginsel zou schenden dat doorbreking van het rechtsmiddelenverbod in (onder meer) art. 7:685 BW, lid 11, BW zou rechtvaardigen. Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het niet ambtshalve aanvullen van rechtsgronden levert geen schending op van de meer bedoelde fundamentele rechtsbeginselen, net zo min als een onjuist rechtsoordeel.

Voor zover de subonderdelen zodanige verplichte aanvulling van rechtsgronden voorstaan voor gevallen waar art. 6 EVRM in het geding is, stuiten zij reeds af op art. 426a, lid 2, Rv, omdat zij niet aangeven waar en hoe de rechtbank dat verdragsartikel zou hebben geschonden.

Voor zover de toelichtende onderdelen 6a t/m 6d hiertoe zouden moeten dienen, falen zij omdat laatstbedoelde onderdelen, zoals hierboven in par. 4.8.1 t/m 4.8.5 uiteengezet, daartoe niet toereikend zijn.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Art. 426 Rv. (nw). Het verzoekschrift in cassatie is bij de Hoge Raad binnengekomen op 16 augustus 2002.

2 Zie o.m. de reeds genoemde beschikking van HR 12 maart 1982, NJ 1983, 181, alsmede HR 4 april 1986, NJ 1986, 549 (Franssen/Safe Sun) en HR 24 april 1992, NJ 1992, 672 nt. PAS (Woesthoff/Intershow), HR 29 september 2000, NJ 2001, 302 m.nt. PAS (Kuijper/ING Bank) en even genoemde beschikking van 18 oktober 2002. Zie voorts het artikel van I.F. Dam, Doorbreking van wettelijke appel- en cassatieverboden, TCR 1994, p. 25 en Snijders/Wendels, Civiel appel (1999), nrs. 348-355.

3 Genoemde beschikking van 12 februari 1993.

4 HR 27 maart 1998, NJ 1998, 553 (houtdraaier). Vgl. ook HR 13 november 1998, JAR 1999, 12.

5 HR 4 maart 1988, NJ 1989, 4 m.nt. WHH (HBM/Wielenga) resp. HR 31 mei 1991, NJ 1991, 524 (Meiberg/Vendex).

6 HR 26 november 1999, NJ 2000, 210 m.nt. PAS (Verhoeven/Sportservice).