Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF0453

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2003
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
00174/02
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF0453
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Leerplichtwet 1969 2, geldigheid: 2003-02-11
Leerplichtwet 1969 5, geldigheid: 2003-02-11
Leerplichtwet 1969 6, geldigheid: 2003-02-11
Leerplichtwet 1969 8, geldigheid: 2003-02-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 98
JOL 2003, 90

Conclusie

Nr. 00174/02

Mr Vellinga

Zitting: 5 november 2002

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage veroordeeld wegens het driemaal overtreden van de Leerplichtwet 1969, door haar drie minderjarige kinderen niet in te schrijven op een school in de zin van de Wet, tot een geldboete van f 1.500,-- subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan f 500,-- subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.

3. Namens verdachte heeft mr P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam negen middelen van cassatie voorgesteld.

4. Als eerste middel wordt aangevoerd dat de rechten van de verdediging zijn geschonden omdat de verklaring van een ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuige "op een uiterst gebrekkige wijze" in het van die zitting opgemaakte proces-verbaal is weergegeven.

5. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het als eerste middel gepresenteerde voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet als een middel van cassatie worden aangemerkt (zie Van Dorst, cassatie in strafzaken, 4e druk, p. 82 en 83 alsmede HR 10 juli 2001, NJ 2001, 605, HR 13 maart 2001, NJ 2001, 296, HR 4 dec. 2001, nr 03456.00.E).

6. Datzelfde geldt voor de klacht die als tweede middel wordt gepresenteerd: schending van het recht en/of vormverzuim omdat de Rechtbank de officier van justitie ontvankelijk heeft verklaard in zijn vervolging.

7. Nu de toelichting daarop niet meer bevat dan een gecomprimeerde herhaling van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer, op welk verweer de Rechtbank uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft gereageerd, en niet wordt aangegeven waarom de door de Rechtbank gegeven beslissing onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn, kan ook dit niet als een middel van cassatie worden aangemerkt (vgl. HR 2 maart 1999, NJ 1999, 739).

8. Het derde middel tot en met zesde en het achtste middel richten zich alle met diverse klachten tegen de overwegingen waarop de Rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd dat er geen sprake is van "overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs" zoals bedoeld in art. 5 aanhef en onder b, (oud) Leerplichtwet 1969. De klachten monden er in uit dat de Rechtbank blijk geeft van een verkeerde uitleg van art. 5 (oud) Leerplichtwet 1969(1) (hierna ook: de Wet) en wel in het bijzonder voor wat betreft het in die bepaling opgesloten begrip "overwegende bezwaren tegen de richting van het onderwijs". De middelen lenen zich derhalve voor een gezamenlijke bespreking.

9. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota beroept verdachte zich er op dat zij overwegend bezwaar heeft tegen de richting van het onderwijs omdat het onderwijs niet wordt gegeven overeenkomstig haar Michaëlische levensbeschouwing.

10. De Rechtbank heeft in hetgeen door verdachtes raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd een beroep op een schulduitsluitingsgrond gelezen. Dat verrast mij. Ik zou eerder denken dat honorering van een beroep op art. 5 van de Wet in de weg zou staan aan de strafbaarheid van het feit, omdat de in art. 2 van de Wet opgenomen verplichting niet geldt voor degene die daarvan overeenkomstig art. 5 van de Wet is vrijgesteld. Voor de beoordeling van de middelen is het voorgaande overigens niet van belang.

11. De Rechtbank heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Het beroep op de vrijstelling van artikel 5 sub b van de Leerplichtwet is ongegrond, omdat de bezwaren van de verdachte tegen "alle" scholen in Den Haag en omgeving, naar uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken is, niet naar hun aard, in het wezen der zaak, geldige "overwegende bezwaren" zijn tegen de in artikel 8 lid 1 van de Leerplichtwet bedoelde "richting van het onderwijs".

Het is van algemene bekendheid dat er in de gemeente Den Haag en directe omgeving voldoende scholen zijn die garanderen dat een kind zich in vrijheid kan ontwikkelen en zijn talenten kan ontplooien, uiteraard echter met een (zekere) organisatievorm. Verdachte is kennelijk echter tegen elke vorm van door de overheid georganiseerd en begeleid onderwijs en verwerpt volledig de inhoud en strekking van de Leerplichtwet.

Niet is gebleken dat de gemeente Den Haag heeft gehandeld in strijd met de Leerplichtwet. Er is bovendien voldoende verscheidenheid van onderwijs in de gemeente Den Haag en directe omgeving.

Nu verdachte kennelijk bezwaren heeft tegen het totale bestaande onderwijs als bedoeld in de onderwijswetgeving, betekent dit dat hier geen sprake is van bezwaren tegen de richting van het onderwijs in de zin van artikel 5 aanhef en sub b juncto artikel 8 lid 1 van de Leerplichtwet.

Van een wettelijke schulduitsluitingsgrond is derhalve geen sprake."

12. Ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten luidde art. 5 aanhef en onder b van de Leerplichtwet, voor zover thans van belang:

"De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school, onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang

(...)

b) zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning (...) gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegend bezwaar hebben".

13. In HR 19 feb. 1980, 190, m.nt. ThWvV stond de interpretatie van art. 5 van de Leerplichtwet 1969 eveneens centraal. De Hoge Raad oordeelde toen dat het tot de taak van de rechter behoort om te onderzoeken of een bezwaar gericht is tegen de richting van het onderwijs in de zin van art. 5 Leerplichtwet 1969.

14. Ook in HR 3 okt. 2000, NJ 2000, 703 was deze vrijstellingsgrond onderwerp van discussie bij een verdachte die evenals hier het geval is, beleed de "Michaelische levensbeschouwing" aan te hangen. Aan dat arrest ontleen ik de overwegingen die de Hoge Raad, in de lijn van de uitspraak uit 1980, wijdde aan het zich beroepen op de vrijstelling in art. 5 van de Leerplichtwet:

"Daartoe dienen bedoelde personen ingevolge art. 6 van de Wet aan burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente een kennisgeving te doen, inhoudende op welke grond zij op die vrijstelling aanspraak menen te mogen maken.

4.2.2. De wetsgeschiedenis houdt in dat de vrijstellingsgrond van art. 5 aanhef en onder b, beperkter is dan die van de overeenkomstige bepaling van de toen geldende wet, en dat deze met name niet gebaseerd kan zijn op bezwaren tegen de soort van het onderwijs (Kamerstukken II, 1967-1968, 9039, nr. 3, blz. 14 en nr. 5, blz. 14). Hetzelfde moet gelden voor bezwaren tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. De omstandigheid dat de betrokken ouder bezwaren van dien aard zelf aanmerkt als een (onderdeel van een) levensbeschouwing, brengt niet mee dat zodanige bezwaren opleveren "bezwaren tegen de richting van het onderwijs" als bedoeld in art. 5 aanhef en onder b, van de Wet."

15. In HR 30 okt. 2001, NJ 2002, 98 oordeelde de Hoge Raad, het betrof wederom een ouder met Michaelische principes, dat indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond van art. 5 aanhef en onder b (oud) van de Wet, de rechter dient te onderzoeken of de bezwaren de richting van het onderwijs betreffen en niet het gewicht mag beoordelen van de door de verdachte opgeworpen bezwaren.

16. De Rechtbank heeft in de eerste volzin van de verwerping van het verweer geoordeeld dat verdachtes bezwaren niet de richting van het onderwijs gelden. Hetgeen de Rechtbank ter motivering van dit oordeel heeft overwogen moet kennelijk als volgt worden begrepen. Omdat er in Den Haag en omgeving voldoende scholen zijn die garanderen dat een kind zich - overeenkomstig verdachtes visie, zij het met enige organisatorische beperkingen - in vrijheid kan ontplooien en verdachte tegen die scholen toch bezwaar maakt met als doel te worden vrijgesteld van de verplichting als bedoeld in art. 2 van de Wet, moet worden aangenomen dat het bezwaar van verdachte zich niet richt tegen de richting van het onderwijs maar tegen de inrichting daarvan. In bezwaar tegen de inrichting van het onderwijs voorziet art. 5 van de Wet echter niet.

17. Zo gezien beoordeelt de Rechtbank het gewicht van het opgeworpen bezwaar. De Rechtbank zet immers verdachtes bezwaar af tegen het onderwijsaanbod in Den Haag en omgeving en meent dat in dat aanbod voldoende wordt tegemoet gekomen aan verdachtes bezwaar. Aldus gaat de Rechtbank verder dan haar is toegestaan, zoals is uiteengezet in het hiervoor aangehaalde HR 30 okt. 2001, NJ 2002, 98.

18. De verwerping van het van de zijde van verdachte gedane beroep op vrijstelling van de verplichting haar kinderen in te schrijven is derhalve niet naar behoren gemotiveerd.

19. De middelen slagen.

20. Het zevende middel klaagt, dat de Rechtbank geheel is voorbijgegaan aan een beroep op het ontslag van rechtsvervolging dat de Kantonrechter in 1997 in een andere zaak inzake overtreding van de Leerplichtwet heeft gegeven.

21. Ik begrijp dit middel aldus dat verdachte zich op het standpunt stelt dat de Rechtbank de beslissing van de Kantonrechter in het onderhavige geval zou moeten volgen omdat er geen relevante verschillen zijn tussen de onderhavige zaak en de zaak die de Kantonrechter in 1997 berechtte. Daarmee is dit beroep echter nog niet een verweer waarop de rechter ingevolge het bepaalde in art. 358 lid 3 jo. 359 lid 2 Sv uitdrukkelijk en gemotiveerd had moeten beslissen. Het middel faalt dus.

22. Het negende middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op een beroep op strijd met art. 8 en 9 EVRM. In de pleitnota wordt dit beroep mede onder verwijzing naar hetgeen over de situatie van verdachte naar voren is gebracht, geoormerkt als een beroep op overmacht, dan wel als een beroep op afwezigheid van alle schuld omdat verdachte op goede gronden mocht menen dat er sprake was van een ontheffing van de leerplicht. Dat laatste zal dan gezien moeten worden in het licht van hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het hiervoor genoemde vonnis van de Kantonrechter en het gedrag van de gemeente Den Haag, hierin bestaande dat de gemeente aan verdachte te kennen had gegeven dat haar op grond van dat vonnis ex art. 5 onder b van de Leerplichtwet 1969 vrijstelling werd verleend.

23. Hier is - zeker gezien de wijze waarop het beroep op afwezigheid van alle schuld is ingekleed - wel sprake van een verweer waarop de rechter ingevolge het bepaalde in art. 358 lid 3 jo. 359 lid 2 Sv uitdrukkelijk en gemotiveerd had moeten beslissen.

24. Het middel slaagt.

25. Ik merk ambtshalve nog op dat de Rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 57 in plaats van aan art. 62 Sr, zowel door art. 57 en niet art. 62 aan te halen maar ook door in strijd met het toepasselijke art. 62 Sr één geldboete voor drie overtredingen op te leggen.

26. Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

plv. AG

1 Met ingang van 11 mei 2001 spreekt art. 5 van "overwegende bedenkingen" in plaats van "overwegende bezwaren". Deze wijziging is aangebracht in verband met aanpassing van de Leerplichtwet aan de Algemene wet bestuursrecht; inhoudelijke wijziging is daarmee niet beoogd. Zie Kamerstukken II, 27265, nr. 3, blz. 10.