Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF0221

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
R02/065HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF0221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 74
JWB 2003/44
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr R02/065HR

Mr Huydecoper

Parket, 15 november 2002

Conclusie inzake

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

tegen

het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam(1)

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop

1) In deze zaak is geen procesdossier overgelegd. Uit de toegezonden stukken(2) valt - voor zover thans nog van belang - het volgende op te maken.

2) Bij uitspraak van 4 augustus 2000 heeft de rechtbank Dordrecht, sector bestuursrecht, het beroep van de verzoeker tot cassatie, [verzoeker], gericht tegen een besluit van het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam van 13 november 1998 tot handhaving van het verzoeker per 1 oktober 1998 eervol verleende ontslag en de in samenhang daarmee toegekende ontslaguitkering, ongegrond verklaard.

Een door [verzoeker] tegen deze uitspraak ingesteld hoger beroep is door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij uitspraak van 12 april 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het tegen deze beslissing gedane verzet is bij uitspraak van 10 januari 2002 ongegrond verklaard.

Bij brief van 31 mei 2001 heeft [verzoeker] de rechtbank Dordrecht verzocht om herziening van de beslissing van 4 augustus 2000, op de voet van artikel 8:88 Awb. De rechtbank heeft in de thans in cassatie bestreden beslissing van 19 april 2002 het verzoek om herziening afgewezen, omdat wat [verzoeker] had aangevoerd niet kon worden aangemerkt als een nieuw feit als bedoeld in het desbetreffende wetsartikel.

3) Vervolgens heeft de advocaat van [verzoeker] bij brief van 13 mei 2002 - gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden, per adres de rechtbank Dordrecht - ondermeer laten weten: "Namens [verzoeker] teken ik hierbij cassatieberoep aan tegen bijgaande uitspraak". Bij deze brief was een copie van de in alinea 2 genoemde beslissing van 19 april 2002 gevoegd.

4) De griffie van de Hoge Raad heeft bij brief van 19 juli 2002 de advocaat van [verzoeker] erop gewezen dat geen beroep in cassatie openstaat en hem in de gelegenheid gesteld de stukken niet in te dienen, zodat ook de heffing van griffierecht achterwege kon blijven. De advocaat van [verzoeker] heeft aangegeven dat het cassatieberoep gehandhaafd werd.

Uit het dossier blijkt niet dat de verweerder in cassatie - aangenomen dat het College van Bestuur inderdaad als de verweerder mag worden aangemerkt, zie het in voetnoot 1 opgemerkte - is opgeroepen. Deze is (dan ook) niet in cassatie verschenen.

Bevoegdheid en ontvankelijkheid

5) Naar luid van art. 78 RO(3) neemt de Hoge Raad kennis van het beroep in cassatie van - kort gezegd - beslissingen van gerechtshoven en rechtbanken, met uitzondering van beslissingen van rechtbanken in zaken waarvan die als administratieve rechter kennis nemen. Op deze uitzondering maakt art 78 lid 4 weer een uitzondering voor uitspraken van de administratieve rechter ten aanzien waarvan bij de wet in cassatieberoep is voorzien (zoals met name ten aanzien van beslissingen van de CRvB ingevolge een aantal wetten betreffende sociale- en volksverzekeringen het geval is).

6) De thans in cassatie bestreden beslissing is onmiskenbaar een beslissing in een zaak waarvan de rechtbank als administratieve rechter kennis heeft genomen (het behoeft geen nadere toelichting dat beslissingen op herzieningsverzoeken op de voet van art. 8:88 Awb in die categorie thuishoren).

Het gaat dus om een beslissing ten aanzien waarvan art. 78 RO uitdrukkelijk aangeeft dat die niet behoort tot de beslissingen waarvoor geldt, dat de Hoge Raad kennis neemt van daartegen gerichte cassatieberoepen. De "uitzondering op de uitzondering" van art. 78 lid 4 RO is hier niet van toepassing: er is geen wetsbepaling die voor beslissingen ten aanzien van de rechtspositie van het personeel van een instelling van wetenschappelijk onderwijs - zoals hier klaarblijkelijk aan de orde is - alsnog de mogelijkheid van cassatieberoep openstelt.

7) De Hoge Raad kan daarom aan de wet geen bevoegdheid ontlenen om van het onderhavige cassatieberoep kennis te nemen - integendeel, de wet bepaalt expliciet dat de Hoge Raad ten aanzien van een beslissing als de onderhavige geen bevoegdheid heeft. Dat leidt er volgens mij toe dat de Hoge Raad zich onbevoegd zou moeten verklaren. Aan de vraag of [verzoeker] in zijn verzoek zou kunnen worden ontvangen komt de Hoge Raad m.i. niet toe.

8) Art. 70 Rv komt in een geval als het onderhavige niet voor toepassing in aanmerking. Ik zou menen dat het geval eerder in het bereik van art. 72 en 73 Rv valt(4). Ik veroorloof mij, om de in de volgende alinea's te bespreken redenen, om niet dieper op dit punt in te gaan.

9) Ofschoon de beschikbare stukken slechts een minimum aan informatie bevatten over het materiele geschil waar het in deze zaak om gaat, wordt daaruit wel duidelijk dat het een geschil betreft tussen een in het wetenschappelijke onderwijs werkzame (of voorheen werkzame) ambtenaar of daarmee vergelijkbare functionaris, en zijn werkgever. Er is dus zeer waarschijnlijk sprake van een geschil waarop art. 18 van de Beroepswet betrekking heeft, zie de Bijlage A onder 6 bij die wet. Dat betekent dat de door de wet aangewezen beroepsinstantie de CRvB is.

10) De CRvB heeft echter geoordeeld dat uitspraken op een verzoek om herziening (op de voet van art. 8:88 Awb) niet vatbaar zijn voor hoger beroep (maar dat de uitspraak ten gronde die volgt na toewijzing van een verzoek om herziening dat wel is)(5).

11) Het is daarom aannemelijk dat [verzoeker] ook bij de CRvB, de in dit geval in aanmerking komende beroepsinstantie, in een eventueel beroep niet ontvankelijk zou worden verklaard (of niet ontvankelijk zou zijn verklaard, als tijdig beroep was ingesteld). Het zal met het oog hierop zijn, dat in de thans bestreden beslissing van de rechtbank wordt aangegeven dat daartegen geen beroep (op grond van art. 18 Beroepswet) openstaat.

Ik zie geen aanleiding om de Hoge Raad in overweging te geven zich thans nader in de uitleg van de Awb op dit punt te begeven, en al helemaal niet om een van dat van de CRvB afwijkend standpunt in overweging te nemen.

Conclusie

Ik concludeer dat de Hoge Raad niet bevoegd is van het onderhavige cassatieberoep kennis te nemen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 In de brief waarbij cassatieberoep wordt ingesteld is niet vermeld tegen wie het cassatieberoep gericht is.

2 Te weten: een brief van mr. Oomen namens [verzoeker] van 13 mei 2002 gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden, per adres de rechtbank Dordrecht; een aan die brief gehechte copie van een uitspraak van 19 april 2002 van de rechtbank te Dordrecht; en een brief van de rechtbank te Dordrecht van 5 juni 2002, waarbij het cassatieberoep aan de Hoge Raad is meegedeeld.

3 De beslissing van de rechtbank is gegeven toen deze wetsbepaling al in werking was getreden, zodat ik ervan uit ga dat die op het geval toepasselijk is. Overigens golden onder vigeur van het tot 1 januari jl. bestaande art. 95 RO dezelfde regels.

4 Zie bijvoorbeeld Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, nr. 42.

5 CRvB 29 mei 1998, JB 1998, 186 m.nt. Red; CRvB 31 december 1999, AB kort 2000, 198; T&C Algemene wet bestuursrecht, Borman, 2001, art. 8:88 Awb, aant. 6 en art. 18 Beroepswet, aant. 8; zie ook art. 37 Wet RvS, aant. 8. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State neemt in dit opzicht een ruimer standpunt in, zie naast de zojuist aangehaalde literatuur ABRS 26 maart 1998, JB 1998, 97 m.nt. Red.; ABRS 1 september 1998, JB 1998, 238. De Afdeling kwam daarmee terug op ABRS 25 september 1997, JB 1997, 282 m.nt. Schreuder-Vlasblom.

In de (schaarse) literatuur over het onderwerp wordt de (huidige) opvatting van de ABRS ondersteund (en die van de CRvB dus als minder juist beoordeeld), zie Schreuder -Vlasblom, De Awb; het bestuursprocesrecht, 2001, p. 241 - 242; T&C Algemene wet bestuursrecht, Borman, 2001, art. 8:88 Awb, aant. 4; en Kamerstukken II 1997 - 1998, 25 175, nr. 5, p. 30. Wat de verdere literatuur betreft: ik heb geen commentaar op deze kwestie aangetroffen in: Algemene Wet Bestuursrecht (losbl.); Allewijn c.s., Bestuursprocesrecht, 1999; Van Wijk - Konijnenbelt - Van Male, Hoofdstukken Bestuursrecht, 1999; Nicolaï c.s., Bestuursrecht, 1997.