Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF0219

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2003
Datum publicatie
10-01-2003
Zaaknummer
R02/044HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF0219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 8
JWB 2003/11
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R02/044HR

Mr L. Strikwerda

Parket 8 nov. 2002

Conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

Modus Vivendi B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Ten aanzien van thans verzoeker van cassatie, hierna: de schuldenaar, heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage bij vonnis van 6 februari 2002 de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken met benoeming van mr J.M.J. Keltjens tot rechter-commissaris en thans verweerster in cassatie tot bewindvoerder.

2. De bewindvoerder heeft op 27 maart 2002 de Rechtbank verzocht de schuldsaneringsregeling te beëindigen op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3 sub c Fw: de schuldenaar komt een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren na. De rechter-commissaris heeft het verzoek van de bewindvoerder ondersteund.

3. In eerste aanleg heeft de bewindvoerder ter ondersteuning van zijn verzoek aangevoerd dat de schuldenaar in de periode van 14 maart 2002 tot en met 4 april 2002 enkele malen bij de bewindvoerder op het kantoor is verschenen in verband met de deblokkering van zijn girorekeningen en het betaalbaar stellen van telecheques en dat de schuldenaar zich daarbij intimiderend en bedreigend heeft opgesteld tegenover de bewindvoerder en het overige personeel.

4. Tot zijn verweer heeft de schuldenaar aangevoerd dat hij zich onheus bejegend achtte door de bewindvoerder en dat hij onvoldoende geld van de bewindvoerder kreeg.

5. Bij vonnis van 25 april 2002 heeft de Rechtbank het gedrag van de schuldenaar als "ongehoord" aangemerkt en geoordeeld dat een rechtvaardiging voor dit gedrag heeft ontbroken. De Rechtbank heeft het verzoek van de bewindvoerder toegewezen en op de voet van art. 350 lid 3 sub c Fw de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd.

6. De schuldenaar is van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Op 4 juni 2002 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is van de zijde van de bewindvoerder onder meer het volgende medegedeeld:

"Er zijn nieuwe huurschulden ontstaan bij de woningbouwvereniging, 3 maanden huur is niet betaald.

[De schuldenaar] gaat zijn eigen weg. Dat is moeilijk werken voor een bewindvoerder. [De schuldenaar] moet aantoonbaar inspanningen verrichten. De bedragen waartoe hij via zijn uitkering recht op heeft, heeft hij ook ontvangen. Voor een hogere maandelijkse bijdrage dan het minimum van Euro 26,16 was waarschijnlijk geen ruimte.

[De schuldenaar] is per 3 februari 2002 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Op 20 februari 2002 zou het eerste huisbezoek plaatsvinden. Op het opgegeven adres was echter niemand thuis. Ik heb dan ook geen normale inventarisatie kunnen opmaken."

7. Bij arrest van 11 juni 2002 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof Heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

"4. De bewindvoerder heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij niet verwacht dat [de schuldenaar] aantoonbare inspanningen zal verrichten uit hoofde van de schuldsaneringsregeling. Voorts heeft hij verklaard dat er tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling een nieuwe huurschuld is ontstaan en dat hij hierover ook niet is geïnformeerd.

5. Het hof is van oordeel dat [de schuldenaar] zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat er sprake is geweest van onbehoorlijk gedrag jegens de bewindvoerder en een niet coöperatieve opstelling en dat van een voldoende rechtvaardiging hiervoor niet is gebleken. [De schuldenaar] had moeten weten of behoren te begrijpen dat zijn gedragingen en opstelling niet in het belang waren van een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het hof heeft tevens bij haar beoordeling in aanmerking genomen dat tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling een nieuwe huurschuld is ontstaan en dat de bewindvoerder hierover niet naar behoren is geïnformeerd. Dat een en ander is te wijten aan aanloopproblemen en dat voor de toekomst geen herhaling is te vrezen is ter zitting in hoger beroep overigens onvoldoende komen vast te staan."

8. De schuldenaar is tegen het arrest van het Hof (tijdig; zie art. 351 jo. 342 lid 3 Fw) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel. De bewindvoerder heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het middel bestreden met conclusie tot afwijzing van het verzoek van de schuldenaar.

9. het middel strekt ten betoge dat het Hof art. 350 Fw niet juist heeft toegepast; het Hof zou ten onrechte de schuldsaneringsregeling hebben beëindigd en ten onrechte hebben geoordeeld dat de schuldenaar zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen. Deze algemene klacht wordt nader uitgewerkt in een aantal deelklachten.

10. Allereerst wordt als klacht aangevoerd dat de schuldenaar weliswaar emotioneel heeft gehandeld jegens zijn bewindvoerder, maar dat dit slechts een incident betrof, terwijl het Hof het doet voorkomen dat sprake zou zijn van een reeks van incidenten en bedreigingen jegens de bewindvoerder.

11. Deze klacht faalt wegens gebrek aan aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet overwogen - ook niet impliciet - dat sprake is van een reeks van incidenten en bedreigingen. Het Hof heeft - in navolging van de Rechtbank en in appèl onbestreden - slechts overwogen dat de schuldenaar in de periode van 14 maart 2002 tot en met 4 april 2002 bij de bewindvoerder op kantoor is verschenen en zich bij die bezoeken intimiderend en bedreigend heeft opgesteld tegenover de bewindvoerder en het overige personeel (r.o. 2).

12. Voorts wordt geklaagd dat de bewindvoerder ter zitting bij het Hof niet heeft verklaard dat hij niet verwacht dat de schuldenaar aantoonbare inspanningen zal verrichten om in de toekomst wel te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling.

13. Ook deze klacht faalt. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof uit de mededelingen van de bewindvoerder tijdens de zitting van 4 juni 2002 afgeleid dat de bewindvoerder niet verwacht dat de schuldenaar in de toekomst zal voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling.

14. Volgens het cassatiemiddel is onjuist 's Hofs overweging dat de bewindvoerder heeft verklaard dat hij niet door de schuldenaar is geïnformeerd over de nieuwe huurschuld. Aangevoerd wordt dat de bewindvoerder naar aanleiding van informatie van de schuldenaar aan het hof heeft medegedeeld dat er een huurschuld is ontstaan.

15. Deze klacht, die erop neerkomt dat het Hof de feiten onjuist heeft vastgesteld, zal niet tot cassatie kunnen leiden. 's Hofs oordeel is van feitelijke aard en kan in cassatie op juistheid niet worden getoetst. Een zodanig oordeel laat zich in cassatie slechts bestrijden met motiveringsklachten. Voor zover het onderdeel 's Hofs oordeel (ook) wegens motiveringsgebreken beoogt aan te vechten, faalt het evenzeer; er worden geen vindplaatsen in de gedingstukken vermeld waaruit zou blijken dat de schuldenaar zelf de informatie over de huurachterstand aan de bewindvoerder heeft medegedeeld. Het onderdeel voldoet dan ook niet aan de aan een cassatieklacht ingevolge art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen.

16. Voorts klaagt het middel dat er geen sprake is van het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden in de zin van art. 350 lid 3 sub d Fw en dat dit in feitelijke instanties ook niet is aangevoerd. Kennelijk wordt met deze klacht bedoeld dat onjuist althans onbegrijpelijk is dat het Hof de beëindiging van de schuldsaneringsregeling (mede) heeft gebaseerd op sub d. Aldus opgevat mist zij feitelijke grondslag. Het Hof heeft slechts de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3 sub c Fw aan zijn beslissing ten grondslag gelegd.

17. Tot slot is er volgens het cassatiemiddel geen sprake van gedragingen van de schuldenaar die zouden moeten leiden tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 sub c Fw.; het incident met de deblokkering van de girorekening en het betaalbaar stellen van telecheques kan niet worden aangemerkt als een zodanige gedraging.

18. De vraag of tot de verplichtingen van de schuldenaar voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling in de zin van art. 350 lid 3 sub c Fw. ook behoort de verplichting om zich jegens de bewindvoerder niet intimiderend en bedreigend op te stellen, behoeft wegens gebrek aan belang geen bespreking. Het Hof heeft de schuldsaneringsregeling immers niet enkel op grond van het in het cassatiemiddel bedoelde incident beëindigd, maar heeft aan de beëindiging mede ten grondslag gelegd dat er nieuwe huurschulden zijn ontstaan waarover de bewindvoerder onvoldoende was geïnformeerd. Deze grond kan 's Hofs oordeel zelfstandig dragen. Het niet naar behoren informeren over schulden kàn immers een reden vormen voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 sub c Fw. (vgl. HR 19 januari 2001, NJ 2001, 232 en HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259 nt. prof. mr B. Wessels). Het middel betoogt niet dat het achterhouden van informatie over de huurachterstand in onderhavige geval niet als een schending van de verplichtingen ex art. 350 lid 3 sub c Fw. mag worden opgevat.

19. Overigens getuigt het oordeel van het Hof dat intimiderend en bedreigend gedrag van de schuldenaar jegens de bewindvoerder kan leiden tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet van een onjuiste rechtsopvatting: zodanig gedrag kan erop duiden dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt, hetgeen afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval grond voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3 sub c Fw kan opleveren.

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,