Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF0139

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-01-2003
Datum publicatie
03-01-2003
Zaaknummer
C01/128HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF0139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 2
JWB 2003/5
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C01/128HR

Zitting 25 oktober 2002

Mr. D.W.F. Verkade

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen

Tiel Utrecht Schadeverzekering NV

1. Inleiding

Wegens het uitblijven van premiebetaling door [eiseres] voor een auto-WA-verzekering, heeft Tiel Utrecht Schadeverzekering NV (hierna: Tiel Utrecht) gebruik gemaakt van haar opschortingsrecht, zoals neergelegd in haar polisvoorwaarden.

Tijdens de opschortingsperiode had een ongeval plaats. Voor de schade door dat ongeval (f4.514,50) heeft de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer (hierna: het Waarborgfonds) [eiseres] aangesproken. Er volgde een dienovereenkomstige veroordeling door de kantonrechter.

In de onderhavige vrijwaringszaak tegen Tiel Utrecht had [eiseres] bij de kantonrechter geen succes. In appel heeft de rechtbank haar in een thans bestreden tussenvonnis een - naar het lijkt niet gemakkelijke - bewijsopdracht opgelegd.

In cassatie is o.m. aan de orde de vraag of de polisvoorwaarde van Tiel Utrecht al dan niet in strijd is met de 'grijze lijst' van art. 6:237 BW, en de vraag of het beroep hierop al dan niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Ik zal concluderen tot verwerping van het beroep. Ik heb - bezien tegen de achtergrond van art. 81 Wet RO - in het cassatiemiddel geen onderdelen kunnen ontwaren die nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2. Feiten(1) en procesverloop

2.1. [Eiseres] heeft, via een door haar ingeschakelde zelfstandige assurantietussenpersoon, bij Tiel Utrecht met ingang van 1 februari 1995 een personenauto merk Honda Accord tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd. Op dat moment had [eiseres] reeds een auto van het merk Seat verzekerd bij Tiel Utrecht.

2.2. De polis voor de Honda is op 17 mei 1995 afgegeven, per post naar [eiseres] verstuurd en door haar ontvangen. Op deze polis zijn de algemene voorwaarden van de Polismantel 1994 van Tiel Utrecht van toepassing. Artikel 3.1 daarvan bepaalt:

'De premie voor de eerste betalingstermijn is verschuldigd bij het aanbieden van de polis.'

en

'De verzekeringnemer dient de premie, de kosten en de assurantiebelasting vooruit te betalen uiterlijk op de 30e dag nadat zij verschuldigd worden. Indien de verzekeringnemer het verschuldigde niet tijdig betaalt of weigert te betalen, wordt geen dekking verleend ten aanzien van daarna plaatsvindende gebeurtenissen. Een ingebrekestelling door de maatschappij is daarvoor niet vereist. De verzekeringnemer dient het verschuldigde alsnog te betalen. De dekking begint weer op de dag volgende op die, waarop het verschuldigde door de maatschappij is ontvangen.'

2.3. Op 25 juli 1995 was de Honda betrokken bij een verkeersongeval. Daarbij werd aan een derde schade toegebracht, waarvoor [eiseres] als kentekenhouder aansprakelijk werd gehouden.

2.4. Tiel Utrecht heeft eerst op 28 juli 1995 de volgens de polis op 17 mei, 17 juni en 17 juli 1995 vervallen premie ontvangen. Om die reden heeft zij met een beroep op het zojuist geciteerde artikel 3.1 uit de polisvoorwaarden geweigerd om aan [eiseres] dekking te verlenen.

2.5. [Eiseres] is terzake van het ongeval door het Waarborgfonds aangesproken en bij vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 29 juli 1999 veroordeeld tot betaling van f. 4.514,50 met rente en kosten.

2.6. [Eiseres] had Tiel Utrecht op 14 juli 1998 opgeroepen in vrijwaring voor de kantonrechter te Amsterdam. Zij heeft gevorderd dat, mocht zij in de hoofdzaak worden veroordeeld tot betaling van enig bedrag, Tiel Utrecht gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot betaling van hetgeen [eiseres] aan de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer dient te voldoen.

2.7. Bij het onder 2.5 genoemde vonnis van 29 juli 1999 heeft de kantonrechter de eis in vrijwaring afgewezen.

2.8. [Eiseres] is tegen dit vonnis in de vrijwaringszaak in hoger beroep gegaan bij de rechtbank te Amsterdam. Zij vorderde het aangevallen vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Tiel Utrecht te veroordelen tot betaling van al hetgeen waartoe de kantonrechter [eiseres] heeft veroordeeld te betalen aan het Waarborgfonds, met rente en kosten.

2.9. [Eiseres] legde aan deze vordering ten grondslag, samengevat

(i) de stelling dat artikel 3.1. uit de polisvoorwaarden een onredelijk bezwarend beding is, en

(ii) de stelling dat, nu zij niet voldoende tijdig en voldoende duidelijk is geïnformeerd door Tiel Utrecht over de opschorting van de dekking, er geen sprake was van verzuim, zodat Tiel Utrecht niet te goeder trouw de dekking kan opschorten. (2)

2.10. Ten aanzien van de eerste stelling heeft de rechtbank in r.o. 10 geoordeeld:

'10. De rechtbank is van oordeel dat het beding niet onredelijk bezwarend is. Daarbij staat voorop dat de belangrijkste verplichting van de verzekerde is de betaling van de overeengekomen premie. Aan een verzekeringsovereenkomst is eigen dat zonder premiebetaling in beginsel geen aanspraak op dekking bestaat. Daarom mag van de verzekeraar niet worden verlangd dat deze de dekking langer dan de 30 dagen van het beding laat voortduren wanneer de verzekerde gedurende die termijn niet betaalt. Die betalingstermijn is redelijk.

Niet onredelijk is dat bij opschorting van de dekking wegens wanbetaling de betalingsverplichting blijft bestaan, omdat de verzekerde zich nu eenmaal voor een bepaalde periode tot betaling heeft verplicht.

Evenmin is onredelijk dat Tiel Utrecht zonder ingebrekestelling tot opschorting bevoegd is, nu zij in de praktijk -zo moet uit haar stellingen worden afgeleid- het beding niet in volle hardheid toepast. Zij pleegt immers van haar bevoegdheid slechts gebruik te maken nadat zij de verzekerde voor de gevolgen van wanbetaling heeft gewaarschuwd, terwijl partijen verdeeld houdt of zij dat ook in dit geval heeft gedaan en haar waarschuwing [eiseres] heeft bereikt. Slechts dan zou een ingebrekestelling tevens zijn vereist, indien de verzekerde in redelijkheid zou hebben kunnen twijfelen wanneer hij welk bedrag moest voldoen, maar daarvan was in het onderhavige geval, gelet op hetgeen hierna zal volgen, geen sprake.

Voor vernietiging van het beding is dus geen plaats.'

2.11. Over de stelling dat Tiel Utrecht niet te goeder trouw de verzekering heeft kunnen opschorten nu [eiseres] niet tijdig, noch duidelijk zou zijn geïnformeerd, oordeelde de rechtbank in r.ovv. 11 t/m 15, voor zover in cassatie van belang en deels samengevat, als volgt. [Eiseres] erkent weliswaar dat zij niet tijdig premie heeft betaald, maar stelt zich op het standpunt dat die vertraging haar niet kan worden toegerekend nu in verband met de aankoop van de Honda en de (geplande) verkoop van de Seat de polisbedragen nog wijzigingen zouden ondergaan zodat zij ter vermijding van administratieve rompslomp even heeft gewacht met betaling. Zij heeft echter niet weersproken dat toen na drie maanden nog niet duidelijk was of de Seat verzekerd moest blijven, afgesproken is dat een tweede polis voor de Honda zou worden opgemaakt en dat de oude polis (voor de Seat) zou doorlopen. Er kon derhalve geen onduidelijkheid bestaan dat [eiseres] voor de verzekering van de tweede auto gewoon moest betalen. Voor zover er bij [eiseres] niettemin nog twijfel heeft kunnen bestaan of zij het overeengekomen bedrag op de overeengekomen tijdstippen moest betalen, had het op haar weg gelegen hiernaar bij Tiel Utrecht te informeren (r.o. 11). In r.o. 12 e.v. gaat het over de waarschuwingsplicht van Tiel Utrecht alvorens tot opschorting van de dekking over te gaan. Dat zo'n waarschuwingsplicht bestaat, is door Tiel Utrecht niet bestreden, en op deze maatschappij rust in beginsel de bewijslast dat de waarschuwing [eiseres] heeft bereikt (r.o. 12). Tiel Utrecht heeft de verzending aannemelijk gemaakt aan de hand van een verklaring van de chef van haar afdeling incasso over de werking van haar incasso- incl. waarschuwingssysteem. [Eiseres] heeft niet weersproken dat het systeem ook in haar geval naar behoren heeft gefunctioneerd, maar heeft gesteld dat zij noch de acceptgirokaart, noch de aanmaningsbrieven heeft ontvangen (r.o. 13). In r.o. 14 overweegt de rechtbank vervolgens:

14. Nu niet is weersproken dat Tiel Utrecht over het juiste adres van [eiseres] beschikte houdt de rechtbank het met de kantonrechter en behoudens tegenbewijs voor juist dat de door Tiel Utrecht genoemde acceptgiro en aanmaningen omstreeks de door Tiel Utrecht genoemde data per post naar [eiseres] zijn verstuurd. Nu [eiseres] in hoger beroep wel gespecificeerd tegenbewijs heeft aangeboden, zal de rechtbank haar daartoe toelaten. Daarbij wordt opgemerkt dat het gaat om tegenbewijs van de stelling dat de acceptgiro en aanmaningen zijn verzonden.

Indien [eiseres] in dit tegenbewijs niet slaagt - en er dus van uitgegaan moet worden dat verzending per post heeft plaatsgevonden - acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat deze stukken vervolgens tot drie keer toe niet door de post zouden zijn bezorgd en gaat zij er dus vanuit dat een of meer van deze waarschuwingen ook door [eiseres] zijn ontvangen. Daarbij is van belang dat [eiseres] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd ten aanzien van het falen van de postbezorging in die periode op haar adres, behalve dan omstandigheden die aan haar zijn toe te rekenen, waar het de situatie achter haar eigen voordeur betreft.'

Wat de inhoud van de brieven betreft - door [eiseres] bij gebrek aan wetenschap ontkend - gaat de rechtbank ervan uit dat gestandaardiseerde clausules zijn gebruikt, die voldoende duidelijk waren.(3) 'Indien deze acceptgiro/aanmaningen derhalve verzonden zijn, is [eiseres] in voldoende mate gewaarschuwd en heeft Tiel Utrecht te goeder trouw een beroep op opschorting van de dekking kunnen doen.' (r.o. 15).

2.12. Tegen dit interlocutoire vonnis(4) heeft [eiseres] tijdig beroep in cassatie ingesteld.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen.

3.2. Onderdeel I klaagt erover dat uit het vonnis niet duidelijk valt te lezen wanneer het is gedateerd (waarmee volgens het onderdeel ook de vraag wordt opgeroepen of het in het openbaar is uitgesproken).

3.3. Hoewel inderdaad twee verschillende data in het vonnis zijn vermeld, voorop: 31 januari 2001, en onder het dictum: 17 januari 2001, kan deze klacht niet slagen bij gebrek aan belang. Weliswaar is voor het bepalen van de cassatietermijn essentieel dat duidelijk is wanneer deze aanvangt, maar in casu is de cassatiedagvaarding reeds op 12 april 2001 uitgebracht, ruim binnen de termijn van drie maanden na 17 januari 2001.(5)

Overigens zou ook art. 399 Rv. aan het slagen van deze klacht in de weg staan.(6)

3.4. Ambtshalve constateer ik dat de onderdelen II-IV zich steeds richten tegen kennelijke eindbeslissingen van de rechtbank, zodat de klachten in zoverre ontvankelijk zijn (art. 399 Rv.).

3.5. Onderdeel II richt zich tegen r.o. 10 van het vonnis. Het betoogt dat het eerder geciteerde artikel 3.1. uit de polisvoorwaarden onredelijk bezwarend is of moet worden vermoed te zijn en om die reden door de rechtbank vernietigd had moeten worden.

Het onderdeel stelt dat artikel 3.1 van de polisvoorwaarden, waarin Tiel Utrecht de mogelijkheid wordt gegeven zonder ingebrekestelling de dekking op te schorten bij het niet (tijdig) betalen van de verschuldigde premie, op grond van art. 6: 237, aanhef en sub h BW vermoed moet worden onredelijk bezwarend te zijn. Het andersluidende oordeel van de rechtbank geeft, aldus het onderdeel, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.6. Art. 6:237 betreft de zgn. 'grijze lijst' van de BW-afdeling over algemene voorwaarden. Art. 6:237, aanhef en sub h BW luidt:

'Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in algemene voorwaarden voorkomend beding

[...]

h. dat als sanctie op bepaalde gedragingen van de wederpartij, nalaten daaronder begrepen, verval stelt van haar toekomende rechten of van de bevoegdheid bepaalde verweren te voeren, behoudens voor zover deze gedragingen het verval van die rechten of verweren rechtvaardigen;'.

De bepaling beoogt de consument bescherming te bieden tegen een te snel verlies van contractuele rechten als gevolg van een contractuele vervaltermijn of rechtsverwerking. Een contractuele vervaltermijn wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn als deze tot een volkomen onverwacht en daarmee ongerechtvaardigd verlies van rechten van de wederpartij leidt. Hiervan zal sprake kunnen zijn als er een onredelijk korte termijn wordt gesteld om een bepaalde handeling te verrichten. Naast een contractueel vervalbeding kan een bepaalde gedraging als gevolg hebben dat het vragen om nakoming van contractuele rechten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (rechtsverwerking), bijvoorbeeld het nalaten zich tijdig tot de andere partij te wenden. Daarbij is dan wel van belang dat het doen of nalaten van de betreffende gedraging voldoende verband heeft met het recht waarop aanspraak gemaakt had kunnen worden. Dit laatste wordt bedoeld met de zinsnede 'behoudens voor zover deze gedragingen het verval van die rechten of verweren rechtvaardigen'.(7)

3.7. De rechtbank heeft in haar overwegingen de verschillende hierboven weergegeven, aan de MvT ontleende, aspecten betrokken. Zij achtte de betalingstermijn van 30 dagen redelijk en de opschorting van de dekking voldoende verband houdend met het uitblijven van betaling nu de belangrijkste verplichting van de verzekerde is: betaling van de overeengekomen premie, en nu aan een verzekeringsovereenkomst eigen is dat zonder premiebetaling in beginsel geen aanspraak op dekking bestaat.(8) De opschorting vindt in de praktijk pas plaats nadat de verzekerde voor de gevolgen van wanbetaling is gewaarschuwd, zo stelt de rechtbank vast, een voorwaarde die door de rechtspraak en literatuur wordt gesteld.(9) De rechtbank komt op grond van deze, verkort weergegeven, motivering tot de conclusie dat het beding zoals neergelegd in artikel 3.1 van de polisvoorwaarden niet onredelijk bezwarend is.

3.8. Het onderdeel - dat r.o. 10, waarover het klaagt, niet volledig citeert, maar slechts de eerste twee alinea's en de eerste anderhalve regel van de derde alinea daarvan - gaat aan de hierboven bedoelde overwegingen van de rechtbank voorbij. Ik zou daarom menen dat de klacht reeds faalt wegens onjuiste lezing van het vonnis. Er is m.i. óók geen sprake van dat aan de rechtbank bij haar feitelijke (immers op uitleg van een algemene voorwaarde gebaseerde) oordeel is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, of dat haar oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou zijn. De klacht faalt.

3.9. Onderdeel III richt zich tegen de r.ovv. 11 en 12 van het vonnis. Het betoogt kennelijk dat de rechtbank het beroep op toepassing van artikel 3.1 uit de polisvoorwaarden in strijd met de eisen van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW en 6:248 BW) had moeten oordelen.

Ter onderbouwing van deze stelling wordt de reeds jarenlange bestaande relatie tussen [eiseres] en Tiel Utrecht aangevoerd, alsmede de onduidelijkheid die bestond over een premieverrekening als de oude Seat alsnog verkocht zou worden en de nieuwe Honda in de plaats van de oude Seat zou worden verzekerd.

3.10. De rechtbank heeft niet miskend dat onder omstandigheden de redelijkheid en de billijkheid er aan in de weg kunnen staan dat een verzekeraar als Tiel Utrecht gebruik maakt van het recht tot opschorting van de dekking bij het uitblijven van premiebetaling: r.ovv. 11 en 12 van het vonnis gaan daar nu juist van uit. Voor zover het onderdeel erover wil klagen dat de rechtbank dit uit het oog verloren zou hebben, berust het op onjuiste lezing van het vonnis.

3.11. De deelklacht dat de rechtbank acht had moeten slaan op de jarenlange relatie tussen partijen wordt voor het eerst in cassatie naar voren gebracht. Zij moet als een ongeoorloofd novum buiten beoordeling blijven. Overigens valt niet in te zien dat het bestaan van een jarenlange relatie tussen een verzekeringnemer en een verzekerde aan de opschortingsbevoegdheid van de verzekeraar in de weg kan staan in geval van wanbetaling, uiteraard onverminderd de - tussen partijen op zichzelf niet omstreden - verplichting van de verzekeraar tot voorafgaande waarschuwing.

3.12. De deelklacht die betrekking heeft op het onvoldoende rekening houden door de rechtbank met de beweerdelijke onduidelijkheid over premieverrekening stuit wederom af op het ontbreken van feitelijke grondslag. De rechtbank heeft daarover in r.o. 11 uitdrukkelijk overwogen:

'[...] [eiseres] weerspreekt echter niet dat bij het afsluiten van de verzekering voor de Honda aanvankelijk was afgesproken dat de Seat meeverzekerd diende te worden, maar dat toen na drie maanden nog steeds niet duidelijk was of de Seat verzekerd moest blijven, door Tiel Utrecht met de door [eiseres] ingeschakelde tussenpersoon -wiens wetenschap aan haar moet worden toegerekend- is afgesproken dat een tweede polis voor de nieuwe auto (de Honda) zou worden opgemaakt [...] en de oude polis (voor de Seat) door zou lopen. Er kon derhalve geen onduidelijkheid bestaan dat [eiseres] voor de verzekering van de tweede auto gewoon moest betalen. Voor zover er bij [eiseres] niettemin nog twijfel heeft kunnen bestaan of zij het overeengekomen bedrag op de overeengekomen tijdstippen moest betalen, lag het op haar weg hiernaar bij Tiel Utrecht te informeren. Niet is gesteld of gebleken dat zij zich op dit punt voldoende heeft ingespannen.'

Voor zover het middel mede een motiveringsklacht tegen deze deeloverweging zou bedoelen in te houden, voldoet het niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv. Het gaat overigens om een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van de rechtbank, dat geen nadere motivering behoefde.

3.13. Onderdeel IV ten slotte klaagt over de r.ovv. 13-15. De klacht in het onderdeel komt erop neer dat de rechtbank de vaststelling dat Tiel Utrecht een geautomatiseerd computersysteem gebruikt dat acceptgiro's en aanmaningen produceert, en dat dit systeem in de betreffende periode goed zou hebben gewerkt, niet voldoende had mogen oordelen om tot het rechterlijk vermoeden te komen dat Tiel Utrecht de acceptgiro en de twee aanmaningen inderdaad per post aan [eiseres] heeft verstuurd en dat deze door haar, behoudens tegenbewijs, ontvangen zijn.

3.14. Voor zover het middel een rechtsklacht behelst, miskent het dat het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op de ingevolge art. 179 lid 2 Rv. (oud) aan haar als feitenrechter overgelaten bewijswaardering.

3.15. In het feitelijk oordeel van de rechtbank (dat overigens niet enkel gebaseerd is op de in de klacht gereleveerde omstandigheden, maar ook op het onweersproken gegeven dat Tiel Utrecht over het juiste adres van [eiseres] beschikte) ligt kennelijk besloten dat tot het naar tevredenheid functionerende systeem ook de enveloppering en terpostbezorging behoorde. Dit oordeel is allerminst onbegrijpelijk. Het behoefde geen nadere motivering. Onbegrijpelijk is het te minder in het licht van het door de rechtbank kennelijk en terecht algemeen bekend veronderstelde notoire belang van crediteuren (hier: Tiel Utrecht) dat aangemaakte facturen resp. aanmaningen ook inderdaad aan de debiteuren verzonden worden. De klacht faalt. Overigens heeft de rechtbank [eiseres] wat dit thema betreft, tot bewijslevering omtrent het niet versturen van de acceptgiro en de aanmaningen toegelaten (r.o. 14).

3.16. In het middelonderdeel is geen klacht te lezen, laat staan een klacht die voldoet aan de toets van art. 407 lid 2 Rv., tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 14, tweede alinea, kort gezegd het oordeel van de rechtbank dat uitgaande van verzending, een of meer van de waarschuwingen ook door [eiseres] zijn ontvangen. Hetgeen daarover in de s.t. zijdens [eiseres] te berde is gebracht, acht ik tardief. Overigens geldt ook voor dit oordeel van de rechtbank dat het van feitelijke aard is, niet onbegrijpelijk is, en geen nadere motivering behoefde.

4. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis waarvan cassatieberoep, r.ovv. 5.1 t/m 5.5 en 6.

2 Vgl. het vonnis, r.o. 7, aanhef en r.o. 12, aanhef.

3 Bij CvA in vrijwaring heeft Tiel Utrecht de modellen in het geding gebracht.

4 Het huidige art. 401a, lid 2 Rv. sluit tussentijds cassatieberoep uit, tenzij de rechter anders heeft bepaald of art. 75, lid 1 Rv. van toepassing is. Ingevolge art. VII, lid 2 van het overgangsrecht is in deze zaak art. 401a, lid 2 Rv. oud nog van toepassing.

5 Art. 402, lid 1 Rv.

6 Het betreft hier een kennelijke, ook voor partijen kenbare verschrijving. Partijen zijn op de hoogte, of kunnen op de hoogte zijn, van de roldatum waarop vonnis wordt gewezen. Blijkt geen vonnis te zijn gewezen, dan wordt de zaak aangehouden. De verschrijving is voor eenvoudig herstel vatbaar. Het inmiddels in werking getreden art. 31 Rv., waarin de mogelijkheid van verbetering van een kennelijke verschrijving is neergelegd, is gezien art. VII Overgangsrecht in deze zaak niet van toepassing, maar de jurisprudentie waarin de regel van het huidige art. 31 ontwikkeld is leidt tot dezelfde uitkomst (vgl. HR 29 april 1994, NJ 1994, 497; HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672; HR 12 september 1997, NJ 1998, 145).

7 Het in deze alinea gestelde is (deels woordelijk) ontleend aan de MvT, Parl. Gesch. InvW BW 6, pp. 1738-1739.

8 Asser-Clausing-Wansink 5-VI, De verzekeringsovereenkomst (1998), p. 119, nr. 123; Scheltema-Mijnssen, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, vierde druk 1998, p. 89, nr 3.33.

9 Asser-Clausing-Wansink a.w., pp. 120-121, nr. 125.