Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF0131

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
C01/112HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF0131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2003-02-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 122
NJ 2003, 272
RvdW 2003, 42
Belastingblad 2003/1067
JWB 2003/84

Conclusie

Rolnummer C01/112HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 8 november 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

1. [Verweerster 1]

2. [Verweerder 2]

Inleiding

1. Inzet van dit geding is de steiger die ligt naast het aan de Vecht grenzende perceel van thans eiser tot cassatie (verder: [eiser]) en die wordt gebruikt door thans verweerders in cassatie (verder: [verweerder] c.s.). [Eiser] claimt de eigendom van de steiger, daartoe stellende dat deze steiger moet worden beschouwd als een bestanddeel in de zin van art. 3:4 BW van het aan hem in eigendom toebehorende perceel; hij vordert - in conventie - een verklaring voor recht en ontruiming. [verweerder] c.s. betwisten de eigendomspretenties van [eiser] en claimen het recht van gebruik van de steiger op grond van een daartoe door Rijkswaterstaat verleende vergunning d.d. 24 september 1979; zij vorderen in dat verband - in reconventie - een verklaring voor recht met betrekking tot het door hen gewenste hek op de steiger. In cassatie wordt opgekomen tegen 's Hofs oordeel dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de steiger geen bestanddeel is van de onroerende zaak van [eiser] en dat het gebruik van de steiger door [verweerder] c.s. zijn grondslag vindt in het gebruiksrecht van [verweerder] c.s. jegens de waterbeheerder waarvoor vergunning is verleend.

2. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

i) [Eiser] is sedert 2 juli 1993 eigenaar van het pand aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Dit pand wordt gehuurd en bewoond door [betrokkene 1].

ii) [Verweerster 1], buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [verweerder 2], is sedert 8 februari 1974 eigenaar van het pand [a-straat 2] en is sedert 6 september 1976 tevens eigenaar van het pand [a-straat 3] te [woonplaats].

iii) Het erf van [a-straat 2]/[3] grenst aan het erf van [eiser]. Het erf van [eiser] grenst aan de Vecht. [verweerder] c.s. kunnen vanaf hun erf de Vecht bereiken via het erf van [eiser], waarop ten gunste van hun erf een erfdienstbaarheid van overpad is gevestigd.

iv) Vanuit de [a-straat] loopt een pad dat uitkomt op de Vecht en waaraan thans onder meer zijn gelegen de woonhuizen genummerd [2], [3], [1] en [4]. Dit pad behoort tot de denkbeeldige middenas daarvan over de breedte van ieders perceel, toe aan de eigenaar van die percelen. Genoemde erfdienstbaarheid rust op het aan [eiser] toebehorende deel van het pad.

v) Aan het eind van het pad is in ieder geval vanaf 1974 een steiger gelegen. De steiger wordt sindsdien gebruikt door - onder anderen - [verweerder] c.s. De huidige afmetingen van de steiger zijn 3.10 x 2.26 meter.

vi) Op 24 september 1979 heeft [verweerder 2] van Rijkswaterstaat een vergunning verkregen "(...) behoudens ieders recht, (...) voor het gebruik maken van de Vecht te [woonplaats] voor het behouden van een beschoeiing en een steiger(...)".

3. [Eiser] heeft in eerste aanleg gevorderd te verklaren voor recht dat hij eigenaar is van de steiger en voorts [verweerder] c.s. te bevelen de steiger te ontruimen en ontruimd aan hem ter beschikking te stellen. [Eiser] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de steiger naar verkeersopvattingen als een bestanddeel van zijn erf dient te worden beschouwd zodat hij door horizontale natrekking eigenaar is geworden van de steiger. Hij heeft in dat verband betoogd dat een steiger naar verkeersopvatting behoort bij de grond waaraan de steiger ligt, dat een steiger "los" van enige oever geen steiger is maar een vlonder en dat er in die zin wel degelijk sprake is van horizontale natrekking ongeacht het antwoord op de vraag of tussen de steiger en de betreffende oever wellicht enige centimeters ligt. [Eiser] heeft voorts betoogd dat [verweerder] c.s. aan de vergunning van Rijkswaterstaat jegens [eiser] geen rechten kunnen ontlenen aangezien die vergunning is verleend "behoudens ieders recht" en destijds kennelijk niet is onderzocht of de aanvrager rechthebbende was op de oever waaraan de steiger mocht worden geplaatst.

4. [Verweerder] c.s. hebben betoogd dat van horizontale natrekking geen sprake kan zijn; zij hebben daartoe aangevoerd dat de Staat door verticale natrekking eigenaar is geworden van de steiger omdat deze "geheel op eigen benen" met vier poten in de Vecht staat en op geen enkele wijze is verbonden met de beschoeiing. Met een beroep op de aan hen door Rijkswaterstaat verstrekte vergunning hebben zij betoogd dat aan hen een gebruiksrecht met betrekking tot de steiger toekomt. Zich op dat gebruiksrecht beroepend hebben zij in reconventie - in verband met de onenigheid die tussen partijen was ontstaan met betrekking tot een door [verweerder] c.s. op de steiger geplaatst hek - gevorderd te verklaren voor recht dat zij gerechtigd zijn om "het hek op de steiger te plaatsen en daar te houden". De overige in reconventie door [verweerder] c.s. ingestelde vorderingen spelen in cassatie geen rol en blijven hierna dan ook buiten beschouwing, zij het dat zij in verband met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep nog - kort - aan de orde komen.

5. De Rechtbank te Amsterdam heeft het door [eiser] in conventie gevorderde afgewezen. De Rechtbank overwoog daartoe het volgende:

"5. Het beroep van [eiser] op eigendomsverkrijging door horizontale natrekking wordt verworpen. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 5:3 BW en 3:4 lid 1 BW is de eigenaar van een zaak eigenaar van al haar bestanddelen en is al hetgeen krachtens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Niet gezegd kan worden dat de steiger een bestanddeel is van de onroerende zaak van [eiser]. De steiger vormt immers geen wezenlijk onderdeel van de grond in die zin dat de grond zonder de steiger incompleet is en zij kunnen dan ook niet als één geheel worden gezien. Evenmin kan worden gezegd dat de steiger bestanddeel van de hoofdzaak wordt als bedoeld in artikel 3:4 lid 2 BW. De steiger is immers niet zodanig verbonden met de grond dat zij niet zonder beschadiging van betekenis van de grond kan worden verwijderd. Het voorgaande brengt mee dat [eiser] geen eigenaar is geworden van de steiger. De gevorderde verklaring voor recht op dit punt wordt dan ook afgewezen.

6. Andere argumenten op grond waarvan hij rechthebbende op de steiger zou zijn heeft [eiser] niet aangevoerd. Andere argumenten op grond waarvan de gevorderde ontruiming toewijsbaar zou zijn heeft [eiser] evenmin aangevoerd."

De Rechtbank heeft in reconventie ter zake van de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot "het hek" overwogen dat het gebruik dat [verweerder] c.s. van de steiger mogen maken ook in hun eigen visie niet exclusief is en dat het antwoord op de vraag of [verweerder] c.s. gerechtigd zijn een hek op de steiger te plaatsen onder meer afhangt van het soort hek dat hun voor ogen staat en van de gerechtvaardigde belangen van andere gerechtigden. De Rechtbank heeft - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - een door haar noodzakelijk geachte gerechtelijke plaatsopneming bepaald. Ook met betrekking tot de overige vorderingen in reconventie werd iedere verdere beslissing aangehouden.

6. [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof onderscheidt twee grieven: een grief (grief 1) gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in conventie dat [eiser] geen eigenaar is geworden van de steiger en een grief (grief 2) gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in reconventie.

Het Hof heeft de grieven verworpen. Met betrekking tot de eerste grief overwoog het Hof dat de Rechtbank terecht en op goede gronden, die het Hof integraal overneemt en tot de zijne maakt, het beroep op horizontale natrekking heeft verworpen en heeft geoordeeld dat de steiger geen bestanddeel is van de onroerende zaak van [eiser] in de zin van art. 3:4 BW. Het Hof tekende daarbij aan dat hetgeen [eiser] daarover in hoger beroep nog te berde heeft gebracht, daarop geen nieuw of ander licht heeft geworpen en niet kan leiden tot een ander oordeel. Met betrekking tot de tweede grief overwoog het Hof - voorzover in cassatie van belang - dat deze grief de vraag naar de grondslag van het gebruik van de steiger door [verweerder] c.s. aan de orde stelt en dat deze grondslag kan worden gevonden in het reeds tientallen jaren bestaande gebruiksrecht van [verweerder] c.s. jegens de waterbeheerder waarvoor op 24 september 1979 vergunning is verleend.

Het Hof heeft vervolgens het vonnis van de Rechtbank in conventie en in reconventie bekrachtigd; het Hof heeft de zaak in reconventie naar de Rechtbank verwezen teneinde op de hoofdzaak te worden beslist en voorts verklaard dat het cassatieberoep van deze uitspraak voorzover de zaak in reconventie betreffende niet dan tegelijk met het eindarrest zal kunnen worden ingesteld.

7. [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

8. Het Hof bepaalde dat cassatieberoep van zijn uitspraak voorzover de zaak in reconventie betreffende niet dan tegelijk met het eindarrest zal kunnen worden ingesteld. Daarbij heeft het Hof gebruik gemaakt van de in art. 401a (oud) Rv. aan de rechter gegeven bevoegdheid tussentijds beroep ten aanzien van interlocutoire uitspraken uit te sluiten: 's Hofs arrest is voorzover de zaak in reconventie betreffende een interlocutoir arrest nu het Hof in reconventie het in eerste aanleg gewezen vonnis waarbij onder aanhouding van iedere verdere beslissing een gerechtelijke plaatsopneming werd gelast, bekrachtigde met verwijzing van de zaak naar de Rechtbank ten einde op de hoofdzaak te worden beslist. Zie HR 14 december 1973, NJ 1974, 347, m.nt. WLH en HR 10 september 1993, NJ 1994, 272, m.nt. Ma. Het arrest van het Hof is evenwel voorzover de zaak in conventie betreffende een eindarrest (ook wel genoemd deelarrest) waarvan terstond cassatieberoep moest worden ingesteld: in zijn dictum bekrachtigde het Hof immers het in eerste aanleg in conventie gewezen vonnis waarbij aan het geding in conventie een einde werd gemaakt door afwijzing van het gevorderde, terwijl het Hof tevens het in appel in conventie meer of anders gevorderde afwees. In een zodanig geval wordt het verbod van tussentijds cassatieberoep doorbroken in dier voege dat niettegenstaande bedoeld verbod terstond cassatieberoep kan worden ingesteld van het gehele arrest; het cassatieberoep is niet-ontvankelijk ingeval alleen cassatieklachten zijn gericht tegen het interlocutoire gedeelte van het arrest terwijl bovendien voor het cassatieberoep tegen het interlocutoire deel geldt dat in verband met art. 399 (oud) Rv. (art. 399 Rv.) uitsluitend beroep kan worden ingesteld tegen eindbeslissingen. In casu zijn niet uitsluitend klachten gericht tegen het interlocutoire gedeelte van 's Hofs arrest terwijl de tegen het interlocutoire gedeelte gerichte klachten een eindbeslissing betreffen. Geconcludeerd kan dan ook worden dat [eiser] ondanks het verbod van tussentijds cassatieberoep ook ontvankelijk is in zijn beroep voorzover de zaak in reconventie betreffende.

Zie voor doorbreking van het verbod van tussentijds cassatieberoep (ook ingeval in conventie sprake is van een eindarrest en in reconventie van een interlocutoir) en van doorbreking van het verbod van tussentijds appel HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482 resp. HR 7 december 1990, NJ 1992, 85, m.nt. HJS en met uitvoerige conclusie van mijn oud-ambtgenoot Asser met veel verwijzingen, waaronder die naar de dissertatie van Heemskerk, en verdere informatie. De doorbreking van het verbod van tussentijds beroep vindt haar grond hierin dat een stelsel erop neerkomend dat wel van het deelvonnis/deelarrest doch niet - terstond - van het interlocutoir in beroep kan worden gekomen, ten gevolge kan hebben dat de berechting van met elkaar samenhangende onderdelen van het gevorderde wordt gesplitst, hetgeen onwenselijk is. In het voetspoor van zijn A-G Asser oordeelde de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest dat het niet doelmatig is om voor het hier te volgen regime onderscheid te maken tussen gevallen waarin sprake is van met elkaar samenhangende onderdelen van het gevorderde en gevallen waarin zich een zodanige samenhang niet voordoet aangezien een dergelijk onderscheid wegens de daaraan verbonden onzekerheden niet geschikt is om als criterium te dienen voor het te dezen geldende regime. Snijders en Asser wijzen erop dat de onderhavige ontvankelijkheidskwestie ambtshalve moet worden beoordeeld nu het cassatieverbod van openbare orde is.

De cassatiemiddelen

9. Middel 1 bestrijdt, zoals gezegd, 's Hofs oordeel dat de steiger geen bestanddeel is van de onroerende zaak van [eiser] in de zin van art. 3:4 BW. De middelonderdelen 1a en 1b komen op tegen 's Hofs oordeel dat de steiger niet volgens verkeersopvattingen onderdeel uitmaakt van de naastgelegen grond (art. 3:4 lid 1). Middelonderdeel 1c richt zich tegen 's Hofs oordeel dat de steiger geen bestanddeel van de hoofdzaak is als bedoeld in artikel 3:4 lid 2 BW omdat de vereiste fysieke verbinding ontbreekt.

10. Middelonderdeel 1a strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte voor het antwoord op de vraag of de steiger een bestanddeel van de oever is in de zin van art. 3:4 lid 1 BW slechts de "onvoltooidheid" als enige maatstaf heeft gehanteerd. Daarbij verwijst dit middelonderdeel naar HR 15 november 1991, NJ 1993, 316 en HR 27 november 1992, NJ 1993, 317 m.nt. WMK. Het Hof wordt verweten zich niet te hebben afgevraagd of de steiger en de oever, in het bijzonder de beschoeiing daarvan, naar verkeersopvatting in constructief opzicht als één zaak moeten worden beschouwd; betoogd wordt dat het Hof de stellingen van [eiser] dat steiger en aanliggende oever met beschoeiing in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, niet ter zijde had mogen laten en voorts dat de steiger reeds eigendom van [eiser] was geworden door de constructieve afstemming van steiger en aanliggende oever.

11. Art. 3:4 lid 1 BW bepaalt dat "al hetgeen volgens verkeersopvatting deel uitmaakt van een zaak" bestanddeel is van die zaak, een regel die ook reeds gold naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht. Beekhuis, Asser-Beekhuis I, 1985, nr. 79, heeft erop gewezen dat deze regel weinig houvast biedt ingeval niet ook de verkeersopvattingen nader worden gesubstantieerd. In dat verband heeft hij het volgende betoogd, een betoog dat ook is geciteerd door de A-G Hartkamp in zijn conclusie voor HR 15 november 1991, NJ 1993, 316 (Depex/Van Ratingen), m.nt. WMK onder NJ 1993, 317 en door de A-G Mok in zijn conclusie voor HR 27 november 1992, NJ 1993, 317 (Ontvanger/Rabobank), m.nt. WMK: "O.i. is beslissend of het betrokken voorwerp een zo essentieel deel van de hoofdzaak vormt, dat laatstgenoemde zonder dit deel niet aan haar economische of maatschappelijke bestemming kan beantwoorden, dan wel - enigszins anders gezegd - of de zaak zonder het bestanddeel, mede gelet op het gebruik waarvoor zij bestemd is, in het verkeer als een incompleet geheel beschouwd zou worden (...)". Hartkamp heeft in zijn zojuist genoemde conclusie erop gewezen dat in deze zin reeds werd geconcludeerd door de A-G Eggens voor HR 11 december 1953, NJ 1954, 115 (Schaap/Stafmateriaal), m.nt. JD. In de veertiende druk (2001) van genoemd handboek (te citeren als Asser-Mijnssen-De Haan) wordt erop gewezen (onder nr. 62) dat de Hoge Raad in zijn zojuist genoemde arrest van 15 november 1991 (Depex/Van Ratingen) belangrijke aanwijzingen heeft gegeven voor de beoordeling van de vraag of apparatuur naar verkeersopvatting bestanddeel is geworden van een fabrieksgebouw waarin deze apparatuur is aangebracht; de Hoge Raad overwoog dat wanneer gebouw en apparatuur in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, hierin een aanwijzing ligt besloten dat apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting tezamen als een zaak moeten worden gezien en dat hetzelfde geldt wanneer het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw bij ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. In zijn arrest van 27 november 1992, NJ 1993, 317 (Ontvanger/Rabobank), m.nt. WMK, herhaalde de Hoge Raad dat een aanwijzing voor bevestigende beantwoording van de vraag of apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting tezamen als een zaak moeten worden gezien, kan worden geput uit de omstandigheid dat het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als bedrijfsgebouw bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Ik onderschrijf de in meergenoemd handboek getrokken conclusie dat uit de overwegingen van de Hoge Raad meer in het algemeen kan worden afgeleid dat naar verkeersopvattingen een zaak bestanddeel is geworden indien de hoofdzaak zonder dat bestanddeel als incompleet moet worden beschouwd en niet aan haar economische of maatschappelijke bestemming kan beantwoorden.

12. Het Hof heeft in zijn arrest het oordeel van de Rechtbank onderschreven dat niet gezegd kan worden dat de steiger een bestanddeel is van de onroerende zaak van [eiser] in de zin van art. 3:4 lid 1 BW nu de steiger geen wezenlijk onderdeel van de grond vormt in die zin dat de grond zonder de steiger incompleet is. Het hiervoor betoogde in aanmerking nemend, concludeer ik dat het Hof aldus niet heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de te dezen te hanteren maatstaf. Het Hof kan niet worden verweten dat het niet heeft onderzocht of in casu de steiger en het perceel van [eiser] in constructief opzicht op elkaar waren afgestemd. Al zou een dergelijke omstandigheid ook van belang zijn wanneer het niet zoals in de hiervoor genoemde arresten gaat om een gebouw en de zich daarin bevindende apparatuur, dan geldt nog steeds dat degene die zich op eigendomsverkrijging door natrekking beroept, in casu [eiser], dient te stellen - en zonodig te bewijzen - dat sprake was van "een in constructief opzicht specifiek op elkaar afgestemd zijn". De in het middel vervatte veronderstelling dat [eiser] op dit punt aan zijn stelplicht heeft voldaan, mist naar mijn oordeel feitelijke grondslag. De enkele stelling in de memorie van grieven dat de steiger is uit zijn aard op de oever is ingericht, volstaat niet. Het middel geeft ook niet aan in welke passages van de gedingstukken door [eiser] is betoogd dat de onderhavige steiger in constructief opzicht specifiek op de oever is afgestemd.

13. Middelonderdeel 1b klaagt dat het Hof ook zijn oordeel dat de steiger geen wezenlijk onderdeel van de onroerende zaak van [eiser] vormt onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze klacht wordt geadstrueerd met het betoog dat het naar de Vecht leidende voetpad waarop de litigieuze erfdienstbaarheid betrekking heeft en welk voetpad tot het perceel van [eiser] behoort, onmiskenbaar als "onvoltooid" zou kunnen worden beschouwd indien dit van en naar de rivier voerende pad niet zou aansluiten op een steiger.

14. Het in dit middelonderdeel vervatte betoog miskent dat het Hof niet de vraag diende te beantwoorden of de ten behoeve van [verweerder] c.s. gevestigde erfdienstbaarheid enig nuttig doel diende of aan zijn doel kon beantwoorden, doch of de aan [eiser] toebehorende grond zonder de steiger als incompleet moet worden beschouwd en niet aan zijn economische of maatschappelijke bestemming kan beantwoorden.

15. Middelonderdeel 1c richt zich, zoals gezegd, tegen 's Hofs oordeel, een oordeel dat het Hof van de Rechtbank overnam, dat de steiger geen bestanddeel van de hoofdzaak is als bedoeld in artikel 3:4 lid 2 BW omdat zij niet zodanig met de grond is verbonden dat zij niet zonder beschadiging van betekenis van de grond kan worden verwijderd. Geklaagd wordt dat niet duidelijk is waarop het Hof zijn oordeel grondde dat de steiger niet zodanig met de grond was verbonden dat hij niet zonder beschadiging van betekenis van de grond zou kunnen worden verwijderd.

16. Dit middelonderdeel ziet eraan voorbij dat [eiser], die zich op eigendomsverkrijging door natrekking beriep, diende te stellen - en zonodig te bewijzen - dat sprake was van de door art. 3:4 lid 2 vereiste fysieke verbinding. De Rechtbank heeft vastgesteld dat [verweerder] c.s. aanvoeren dat de steiger geheel in de Vecht ligt en door verticale natrekking eigendom van de Staat is geworden (zij hebben in dat verband betoogd dat de steiger met 4 poten stond op de bodem van de aan de Staat toebehorende Vecht); de Rechtbank heeft voorts vastgesteld dat [verweerder] c.s. betwisten dat de steiger is verbonden met de beschoeiing of met de aan [eiser] toebehorende grond. [eiser] heeft de door [verweerder] c.s. aan bedoelde juridische kwalificatie ten grondslag gelegde feiten niet bestreden. [eiser] heeft zijnerzijds ook niet gesteld dat de steiger verbonden was met de oever, laat staan dat [eiser] heeft betoogd dat de steiger zodanig met de grond was verbonden dat zij niet zonder beschadiging van betekenis van de grond kan worden verwijderd. Het Hof kon dan ook, evenals de Rechtbank, ervan uitgaan dat niet kan worden aangenomen dat de steiger een bestanddeel is van de naastgelegen grond als bedoeld in artikel 3:4 lid 2 BW; nadere motivering behoefde dit oordeel niet.

17. Middel 2 is gericht tegen rechtsoverweging 6.3 van 's Hofs arrest waarin het Hof ingaat op de tweede appelgrief voorzover deze de vraag naar de grondslag van het gebruik van de steiger door [verweerder] c.s. aan de orde stelt; zoals gezegd, is deze grief aldus gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in de zaak in reconventie waarin [verweerder] c.s. een verklaring voor recht vorderden met betrekking tot het hek op de steiger. Het Hof overwoog dat deze grondslag kan worden gevonden in het reeds tientallen jaren bestaande gebruiksrecht van [verweerder] c.s. jegens de waterbeheerder waarvoor op 24 september 1979 vergunning is verleend. Het Hof overwoog voorts dat in dat licht aan het beroep van [eiser] op privacy geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend en voorts dat bijzondere omstandigheden die tot een andersluidend oordeel leiden, niet zijn gesteld en ook niet anderszins gebleken.

Middelonderdeel 2a klaagt dat het Hof zich heeft bediend van een onjuiste rechtsopvatting aangaande het in de litigieuze vergunning genoemde gebruik nu het door die vergunning verleende gebruik uitsluitend is gestoeld op het "openbaar rivier- of stroombelang" en het Hof heeft miskend dat het met die belangen gemoeide gebruik een ander gebruik is dan het recreatieve gebruik dat [verweerder] c.s. blijkens het op die steiger geplaatste meubilair wensen te maken. Middelonderdeel 2b klaagt dat voorzover het Hof zich van een juiste rechtsopvatting omtrent het in de litigieuze vergunning genoemde gebruik heeft bediend, het Hof niet heeft gemotiveerd "waarom de door een derde verleende vergunning, welke op onrechtmatige wijze verkregen werd, jegens [eiser] zou moeten gelden om [eiser] te verplichten tot het gedogen van het door verweerders in cassatie gemaakte en beoogde gebruik van de steiger als recreatieruimte".

18. Deze middelonderdelen falen reeds omdat zij eraan voorbij zien dat het in de zaak in reconventie wat betreft de steiger slechts ging om de door [verweerder] c.s. gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot het hek op de steiger en niet om het door [verweerder] c.s. overigens van de steiger gemaakte gebruik.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden