Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AF0102

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
C01/001HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF0102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 76
JWB 2003/51
JBPR 2003/40
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C01/001HR

Mr Huydecoper

Zitting van 15 november 2002

Conclusie inzake

1. De besloten vennootschap Interplex B.V.

en

2. [eiser sub 2],

eisers tot cassatie

tegen

Het rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam Streekgewest Westelijke Mijnstreek,

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop

1. De belangrijkste feiten zijn weergegeven in rov. 4.2 van het in cassatie bestreden arrest. Zij komen erop neer dat de verweerder in cassatie, het Streekgewest, de eisers tot cassatie, Interplex c.s., verwijt dat die (opzettelijk) zijn tekortgeschoten in de nakoming van een mondeling gesloten overeenkomst. Die overeenkomst hield in dat Interplex c.s. op de afvalberging van het Streekgewest partijen geshredderd hout zouden leveren, tegen een vergoeding (ten gunste van Interplex c.s.) van f 1,- per ton. Interplex c.s. zouden echter, in plaats van geshredderd hout, aanzienlijke hoeveelheden ander - en zoals voor de hand ligt: volgens het Streekgewest minderwaardig - materiaal hebben geleverd.

2. Het Streekgewest heeft op de zojuist sterk verkort weergegeven gronden schadevergoeding van Interplex c.s. gevorderd. Interplex c.s. hebben deze vordering bestreden, en reconventioneel eveneens schadevergoeding gevorderd.

3. In eerste aanleg wees de rechtbank de vorderingen van het Streekgewest grotendeels toe, en de reconventionele vordering van Interplex c.s. af. Op het hoger beroep van - uiteraard - Interplex c.s. besliste het hof, inhoudelijk, dat de bezwaren van Interplex c.s. tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen, voorzover in het arrest beoordeeld, ongegrond waren.

Omdat het hof van mening was dat de schade van het Streekgewest in het kader van de onderhavige procedure kon worden begroot en dat een schadestaatprocedure (waartoe de rechtbank in eerste aanleg had besloten) niet nodig was, heeft het hof in het dictum van zijn arrest slechts aangegeven dat het Streekgewest (nadere) gegevens omtrent zijn schade mocht aanvoeren, en dat Interplex c.s. daarop zouden mogen reageren. Alle verdere beslissingen werden aangehouden.

4. Interplex c.s. zijn tijdig in cassatie gekomen. Het cassatiemiddel klaagt over twee dingen: voorbijgaan aan een namens Interplex c.s. gedaan bewijsaanbod, en voorbijgaan aan verweren m.b.t. de aansprakelijkheid van de tweede eiser tot cassatie, [eiser sub 2]. Het Streekgewest houdt deze als bestuurder van Interplex voor de aan Interplex verweten tekortkoming(en) aansprakelijk. De hier bedoelde verweren strekten ertoe dat er in dit geval geen voldoende grondslag voor "bestuurders-aansprakelijkheid" bestaat.

Het Streekgewest heeft in cassatie verstek laten gaan. Namens Interplex c.s. is de zaak schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

5. Zowel het bestreden arrest als de cassatiedagvaarding zijn van vóór 1 januari jl; en reeds het eerste van die twee feiten is voldoende om mee te brengen dat deze zaak moet worden beoordeeld naar het vóór 1 januari jl. geldende procesrecht. Dat betekent onder andere, dat cassatieberoep tegen het interlocutoire arrest van het hof, anders dan onder vigeur van het "nieuwe" procesrecht het geval zou zijn, hier toegestaan is.

6. De eerste cassatieklacht, in alinea 4 hiervóór zéér summier weergegeven, betreft het oordeel van het hof dat aan het namens Interplex c.s. in appel gedane bewijsaanbod voorbij moest worden gegaan omdat dat bewijsaanbod te vaag was (rov. 4.6.3).

Het middel bestrijdt niet dat het hof het desbetreffende bewijsaanbod als (te) vaag kon aanmerken, maar werpt tegen dat het bewijsaanbod (mede) zag op het leveren van tegenbewijs. Aan een aanbod van tegenbewijs mag, aldus het middel, niet de eis van specificatie en precisering worden gesteld die overigens voor een bewijsaanbod (wil de rechter verplicht zijn om daarop in te gaan) wel geldt.

7. De regel die het middel hier inroept kan inderdaad worden gevonden in de (vele) bronnen die daarvoor in de schriftelijke toelichting (in alinea 1) worden aangehaald. In zoverre berust het middel op een deugdelijke grondslag. Als zou blijken dat het namens Interplex c.s. gedane bewijsaanbod inderdaad tegenbewijs (door getuigen) betrof, zou daarom moeten worden aangenomen dat het hof de op dit geval toepasselijke rechtsregel heeft veronachtzaamd.

8. Intussen is het niet zo makkelijk om vast te stellen of het zojuist aangegeven geval zich voordoet - dus of het bewijsaanbod van Interplex c.s. mede zag op het leveren van tegenbewijs tegen door het Streekgewest geleverd bewijs. De raadsvrouwe van Interplex c.s. wijst er in de schriftelijke toelichting op dat het hof in rov. 4.6.1. de aannemelijkheid van (een deel van) de stellingen van het Streekgewest heeft beoordeeld aan de hand van door het Streekgewest overgelegde processen-verbaal, en verbindt daaraan de conclusie dat Interplex c.s. overeenkomstig het in cassatie bedoelde bewijsaanbod de gelegenheid moesten krijgen om tegenbewijs tegen het aldus gewogen bewijsmateriaal in te brengen.

9. De reden dat ik deze op het eerste gezicht plausibele gedachtegang niet dadelijk onderschrijf bestaat hierin, dat ik in het namens Interplex c.s. in appel aangevoerde geen duidelijke stelling aantref waaruit blijkt dat Interplex c.s. het hier door het hof beoordeelde betoog van het Streekgewest (ook in appel) hebben bestreden. Het gaat dan om het betoog dat Interplex c.s., in plaats van geshredderd hout zoals in de (in zoverre niet betwiste) overeenkomst bedoeld, op aanzienlijke schaal ander (afval)materiaal hebben aangeleverd.

10. Wat Interplex c.s. hierover in appel vooral hebben aangevoerd, komt er op neer dat het materiaal dat zij hebben geleverd (hoewel dat misschien niet het overeengekomen geshredderd hout was) beantwoordde aan de kwalificatie "afdekmateriaal"; en dat, omdat het het Streekgewest om afdekmateriaal te doen zou zijn geweest en het Streekgewest het geleverde materiaal ook als afdekmateriaal heeft gebruikt, de gestelde schade niet zou zijn geleden. Men ziet dat - als gezegd: vooral - in al. 2 van de Memorie van Grieven (opgenomen in de appeldagvaarding); en het wordt nog eens expliciet herhaald in de pleitnota in appel namens Interplex c.s., op p. 2(1).

Tegen de vaststelling uit de eerste aanleg dat Interplex c.s. niet (slechts) geshredderd hout maar (veel) andere materialen hebben geleverd, is dan ook door Interplex c.s. geen specifieke grief ingebracht, zoals ook in de Memorie van Antwoord namens het Streekgewest, alinea's 6 en 8, wordt geconstateerd (en zoals in de latere stukken, en met name in de zoeven genoemde pleitnota namens Interplex c.s., in het geheel niet wordt weersproken).

11. Daar staat tegenover dat Interplex c.s. bij Memorie van Antwoord in incidenteel appel, alinea 5, wèl te bewijzen hebben aangeboden, onder andere, dat niet bewezen zou zijn dat 3200 althans 3000 ton compostachtig materiaal door Interplex zou zijn geleverd(2). Ondanks de opeenstapeling van negaties in dit bewijsaanbod, kan ik het niet anders verstaan dan in die zin, dat Interplex c.s. (toch) betwistten dat het door hen geleverde materiaal voor een groot deel uit iets anders dan het overeengekomen geshredderd hout zou hebben bestaan.

12. Deze met elkaar botsende aanwijzingen brengen mij ertoe, het middel - toch - als gegrond aan te merken. De niet voor één uitleg vatbare opstelling van Interplex c.s. in de appelinstantie bood weliswaar aanknopingspunten voor die lezing van het standpunt van Interplex c.s., dat niet (tijdig) bezwaar was gemaakt tegen de vaststelling (van de rechtbank) dat er op grote schaal ander afval dan het overeengekomen geshredderde hout was geleverd - maar per saldo meen ik toch dat het hof de stellingen van Interplex c.s. zo niet heeft gelezen. Daartoe draagt natuurlijk bij dat het hof, zoals in de schriftelijke toelichting namens Interplex c.s. wordt benadrukt, in rov. 4.6.1. de aannemelijkheid van het van de kant van het Streekgewest bijgebrachte bewijs over dit gegeven heeft beoordeeld. Mede in het licht van het zojuist in alinea 11 genoemde bewijsaanbod van Interplex c.s. moet rov. 4.6.3 dan toch waarschijnlijk zo worden begrepen dat het hof de stellingen van Interplex c.s. niet eng heeft opgevat, en heeft aangenomen dat die stellingen er (ook) toe strekten, te betwisten dat er in de door het Streekgewest gestelde (ruime) mate ander materiaal dan geshredderd hout was geleverd.

13. In dezelfde rov. 4.6.3 tref ik vervolgens wel aan dat het bewijsaanbod van Interplex c.s. als te vaag wordt beoordeeld, maar niet - wat in dit verband op zichzelf wel denkbaar ware geweest - dat de door Interplex c.s. ingebrachte betwisting als onvoldoende gemotiveerd wordt beoordeeld. Ik sluit niet uit dat het hof zich in feite wèl (mede) door die gedachte heeft laten leiden (en zoals uit het eerder besprokene blijkt, geeft de niet bij uitstek consistente opstelling van Interplex c.s. in appel aan die gedachte misschien wel voedsel); maar in het bestreden arrest komt nu eenmaal dat oordeel niet (voldoende) duidelijk tot uiting, en lijkt het hof zich toch uiteindelijk door de door het middel bestreden gedachte (namelijk: dat het bewijsaanbod als te vaag werd beoordeeld) te hebben laten leiden. Die laatste gedachte geeft inderdaad van een onjuiste rechtsopvatting blijk; en zo is deze wat moeizaam getrokken cirkel dan rond.

14. De tweede klacht van het middel merk ik daarentegen als ongegrond aan. Het hof heeft inderdaad de argumenten die met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheid van [eiser sub 2] waren aangevoerd (nog) niet beoordeeld; maar het ligt in de rede dat dat in het vervolg van de procedure (waarin het hof nu nog maar een zuiver interlocutoire beslissing heeft gegeven) nog zou gebeuren. In elk geval geldt dat Interplex c.s. hun onderhavige bezwaren, zoals art. 399 Rv het uitdrukt, kunnen doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend(3).

Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Het door Interplex c.s. aangeboden bewijs zag ook, in elk geval mede, op dit gegeven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit p. 6 van de Memorie van Grieven, en wordt bevestigd door alinea 6 van de Memorie van Antwoord in incidenteel appel en door de pleitnota in appel. Het middel strekt er, mede blijkens de schriftelijke toelichting, niet toe dat aan Interplex c.s. in dit opzicht ten onrechte de mogelijkheid van (tegen)bewijs zou zijn onthouden. Daarom ga ik voorbij aan de (talrijke) vragen die een betoog van die strekking zou hebben opgeroepen.

2 Namens Interplex c.s. is in cassatie op dit nadere bewijsaanbod geen beroep gedaan; maar dat belet niet dat dat in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de (strekking van de) overwegingen van het hof m.b.t. het bewijsaanbod waarop Interplex c.s. zich in cassatie wèl beroepen.

3 Zie bijvoorbeeld Burgerlijke Rechtsvordering (losbl., "oud"), Korthals Altes, art. 399, aant. 1; Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken, 1989, p. 111 (bij voetnoot 2).