Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AE9675

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-01-2003
Datum publicatie
14-01-2003
Zaaknummer
02565/01 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AE9675
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 5
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 23
JM 2003/57 met annotatie van Koopmans
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02565/01 E

Mr Jörg

Zitting 29 oktober 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 7 maart 2001 ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een geldboete van f 1600, subsidiair 32 dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr F.G.L. van Aardenne, advocaat te Barendrecht, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel betoogt dat het hof ten onrechte dan wel op ontoereikende gronden de toelatingsbesluiten van de door verzoeker gebruikte bestrijdingsmiddelen verbindend heeft geoordeeld.

4. Het door het hof verworpen en in cassatie opnieuw ingenomen standpunt komt erop neer dat de onderwerpelijke op grond van artikel 5, tweede lid, Bestrijdingsmiddelenwet 1962 genomen besluiten onverbindend zijn voor zover daarin is bepaald dat de desbetreffende bestrijdingsmiddelen niet door middel van een luchtvaartuig(1) mogen worden toegepast. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt aangevoerd dat de toelatingsbesluiten in strijd zijn met het Besluit luchtvaartuigtoepassingen bestrijdingsmiddelen (het Besluit), omdat dat Besluit niet zou toelaten dat in een toelatingsbesluit een voorschrift omtrent het gebruik door middel van een luchtvaartuig wordt opgenomen.

5. Het hof heeft dit standpunt verworpen en daartoe overwogen dat het Besluit ziet op bestrijdingsmiddelen waarvan volgens het toelatingsbesluit de toepassing met een luchtvaartuig is toegestaan. Dit oordeel is juist. Het op artikel 13 Bestrijdingswet 1962 gebaseerde Besluit geeft algemene regels omtrent het per luchtvaartuig verspreiden van bestrijdingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld voorschriften omtrent het plaatsen van waarschuwingstekens rondom het gebied dat bespoten wordt en omtrent de maximaal toegestane windsnelheden tijdens het spuiten. Deze regels zijn naar hun aard alleen van belang als het voor dat bestrijdingsmiddel genomen toelatingsbesluit de toepassing daarvan door middel van een luchtvaartuig toestaat. De kennelijk aan het standpunt ten grondslag liggende gedachte dat op grond van het Besluit dient te worden vastgesteld of een bepaald bestrijdingsmiddel per luchtvaartuig mag worden verspreid, is dus onjuist en ondervindt ook tegenspraak in de Nota van Toelichting op het Besluit (Stbl. 1984, 233, p. 6, eerste alinea). Het - ondeugdelijke - middel faalt dan ook.

6. Het tweede middel verdedigt een door het hof eveneens verworpen standpunt over het in de desbetreffende toelatingsbesluiten opgenomen voorschrift dat toepassing van het bestrijdingsmiddel door middel van een vliegtuig niet is toegestaan. Het middel betoogt dat dit voorschrift in dit geval niet toepasselijk is, omdat verzoeker de bestrijdingsmiddelen met een helikopter heeft verspreid en een helikopter niet als een vliegtuig in de zin van het voorschrift kan worden aangemerkt.

7. Vooropgesteld wordt dat het wettelijk regiem spreekt over luchtvaartuigen zodat de vraag of een helikopter een vliegtuig is in wezen irrelevant is: een luchtvaartuig is het in ieder geval. Nu evenwel in de tenlastelegging het woord vliegtuig voorkomt wil ik wel met enige tegenzin aandacht aan het opgeblazen meningsverschil besteden. Het hof heeft naar mijn mening terecht geoordeeld dat een redelijke uitleg van dit voorschrift meebrengt dat onder de term 'vliegtuig' mede wordt verstaan een hefschroefvliegtuig. Voor deze uitleg pleit allereerst het spraakgebruik, dat volgens Van Dale onder vliegtuig verstaat 'een toestel, zwaarder dan de lucht, waarmee men kan vliegen' en onder helikopter 'een vliegtuig met aangedreven wentelende draagvlakken, dat verticaal kan opstijgen en dalen'. Ook naar de strekking van het voorschrift - het beschermen van het milieu door beperking van zogenaamde drift van de bestrijdingsmiddelen naar de omgeving van het besproeide veld - ligt deze uitleg voor de hand, nu het hof het verweer dat helikopters minder drift veroorzaken dan andere luchtvaartuigen als niet aannemelijk heeft verworpen (zie het derde middel). Ook dit middel faalt.

8. Het derde middel klaagt erover dat het hof het verweer dat de materiële wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde ontbreekt op ontoereikende gronden heeft verworpen. Dit verweer hield in dat het besproeien van gewassen door middel van een helikopter veel minder belastend is voor het milieu dan wanneer dat met een ("gewoon") vliegtuig of met een wel toegestane veldspuit gebeurt.

9. Het hof heeft dit verweer verworpen op de grond dat de ter ondersteuning daarvan gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat van de lagere driftpercentages als in het verweer gesteld niet blijkt uit de overgelegde onderzoeksrapporten van het Instituut voor Milieu- en Agritechniek. Dit oordeel is, gelet op de inhoud van die rapporten, voldoende gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk. Voor het overige kan het in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht.

10. Het vierde middel voert aan dat het bewezenverklaarde niet een overtreding van artikel 10, tweede lid, Bestrijdingsmiddelenwet 1962 oplevert.

11. De bewezenverklaring luidt, voor zover hier van belang, dat verzoeker:

"() opzettelijk bestrijdingsmiddelen, te weten Solide (), Tattoo C (), Ridomil Delta 47 () en Brestan Super () heeft gebruikt in strijd met de krachtens artikel 5, tweede lid, van de Bestrijdingswet 1962 vastgestelde voorschriften, immers heeft hij, verdachte, bovengenoemd(e) bestrijdingsmiddel(en) toegepast door middel van een (hefschroef)vliegtuig".

Artikel 10, eerste lid, Bestrijdingsmiddelenwet 1962 bevat onder meer het verbod te handelen in strijd met de krachtens artikel 5, tweede lid, vastgesteld voorschriften.

12. Het lijkt mij evident dat het hof ten gevolge van een kennelijke misslag het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10, tweede lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962" in plaats van als "overtreding van het in artikel 10, eerste lid, Bestrijdingsmiddelenwet neergelegde verbod tot handelen in strijd met ingevolge artikel 5, tweede lid, Bestrijdingsmiddelenwet 1962 vastgesteld voorschriften." De Hoge Raad kan de uitspraak van het hof met verbetering van deze misslag lezen. Daarmee ontvalt de feitelijke grondslag aan het middel, zodat het faalt.

13. De middelen falen en kunnen alle worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ter vermijding van misverstand spreek ik over luchtvaartuig waar het cassatiemiddel en het hof over vliegtuig spreken. Alleen bij het tweede cassatiemiddel doe ik dat anders.