Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AE9669

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
21-01-2003
Zaaknummer
02417/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AE9669
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 40
NJ 2003, 215
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02417/01

Mr Jörg

Zitting 29 oktober 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 11 oktober 2001 ter zake 3. subsidiair "mishandeling" en "mishandeling, gepleegd tegen zijn kind" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. S.F.M. Oomen, advocaat te Apeldoorn, tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. In het eerste middel wordt geklaagd over de beslissing van het hof de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] buiten tegenwoordigheid van verzoeker te horen.

4. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 27 september 2001 houdt in dit verband het volgende in:

"Mr Timmer (de advocaat van beide getuigen, NJ) verklaart - zakelijk weergegeven -:

Namens de getuigen verzoek ik de deuren te sluiten bij gelegenheid van hun verhoor; ik ben van mening dat dit de waarde van hun verklaringen zal verhogen. Voorts verzoek ik het adres van de getuigen geheim te houden. De getuigen staan erg onder druk. Ik leg een verklaring van hun huisarts over.

De advocaat-generaal verzoekt het hof de getuigen te horen buiten tegenwoordigheid van de verdachte omdat zij bang voor hem zijn.

De advocaat-generaal verklaart voorts sluiting van de deuren niet noodzakelijk te achten.

De raadsman van verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

Ik zie de noodzaak van het sluiten van de deuren niet in. Ik ben van mening dat de getuigen ook in een eerder stadium gehoord hadden kunnen worden. Ik verzet mij tegen het verzoek om de getuigen te horen buiten tegenwoordigheid van mijn cliënt; hij dient ook in de gelegenheid te worden gesteld de getuigen vragen te stellen.

Verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

Ik sluit mij aan bij hetgeen mijn raadsman naar voren heeft gebracht. Bij de rechter-commissaris is door [getuige 1] de opmerking dat ze bang voor mij zou zijn teruggenomen. Het verhaal over angst is dus onzin.

Het hof trekt zich hierop terug in raadkamer, teneinde te beraadslagen.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat - het verzoek tot sluiting van de deuren wordt afgewezen, gelet op het belang van de openbaarheid van de strafrechtspleging; - de getuigen zullen worden gehoord buiten tegenwoordigheid van verdachte, aangezien het hof zulks in het belang van de waarheidsvinding noodzakelijk acht."

5. In de toelichting op het middel wordt in een voetnoot met recht opgemerkt dat in casu sprake is van een beslissing van het hof, terwijl het horen van een getuige buiten tegenwoordigheid van de verdachte op grond van art. 297 derde lid Sv een voorzittersbeslissing en -bevel is. Kennelijk heeft het hof, nu het toch in raadkamer diende te beraadslagen over een verzoek tot sluiting van de deuren, ook meteen het verzoek om de getuigen te horen buiten aanwezigheid van verzoeker behandeld. Strikt genomen zou deze beslissing door de voorzitter alleen genomen kunnen (en behoren te) worden. Een beslissing van het hof impliceert evenwel dat dit mede een beslissing van de voorzitter betreft, terwijl het dossier geen aanwijzingen bevat dat deze beslissing niet gedragen werd door de voorzitter. Nu de beslissing bovendien door de voorzitter zal zijn medegedeeld, kan de beslissing om de getuigen in afwezigheid van verzoeker te horen aldus kunnen worden verstaan dat de voorzitter aan verzoeker het bevel heeft gegeven de zittingszaal te verlaten voor de duur van dit verhoor. Dit, wat betreft de voetnoot.

6. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, behoeft een bevel dat de verdachte de zittingszaal verlaat, opdat een getuige buiten tegenwoordigheid van de verdachte zal worden ondervraagd niet nader te worden gemotiveerd. Zie HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 443; HR 10 december 1991, NJ 1992, 340. Het hof heeft derhalve de beslissing om de beide getuigen - die beiden slachtoffer zijn in deze zaak - buiten tegenwoordigheid van verzoeker te horen onverplicht nader gemotiveerd. Een middel dat zich tegen een dergelijke motivering richt, is tevergeefs voorgesteld. Vergelijk de situatie waarin een raadsman die niet op grond van art. 279, eerste lid, Sv door zijn cliënt is gemachtigd, ter terechtzitting niettemin verweer voert. Blijkens HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77 is het hof niet gehouden op een dergelijk verweer te responderen, nu de raadsman niet gerechtigd was tot het voeren van verweer. Indien het hof zo'n verweer desondanks gemotiveerd verwerpt, dient die verwerping als een verwerping ten overvloede te worden beschouwd. Een middel dat tegen een dergelijke verwerping op komt dient buiten bespreking te blijven (zie HR 23 april 2002, NJ 2002, 338. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e, p. 83: een middel mag zich niet keren tegen een overweging ten overvloede).

7. Overigens merk ik nog op dat ik mij niet zonder meer kan vinden in de stelling die in het middel wordt ingenomen dat de waarheidsvinding "ernstig onder druk" komt te staan wanneer een getuige buiten aanwezigheid van de verdachte wordt gehoord. De praktijk wijst uit dat een dergelijke constructie de waarheidsvinding in bepaalde gevallen juist ten goede kan komen. Een bedreigde of angstige getuige zal nu eenmaal eerder geneigd zijn een verklaring af te leggen wanneer de oorzaak van die angst niet op twee meter afstand van hem (of haar) in de zittingszaal zit. Vgl. HR 19 maart 2002, nr. 01338/01, LJN AD8700, waarin een getuige buiten aanwezigheid van de verdachte werd gehoord omdat de getuige had aangegeven dat hij door de verdachte was bedreigd. Nadat de verdachte de zittingszaal had verlaten, bleek het geheugen van de getuige die voordien had verklaard niets meer te weten aanmerkelijk verbeterd. Deze gang van zaken levert geen strijd op met art. 6 EVRM. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2001 werd verzoeker, zoals de wet eist (art. 297, vierde lid, Sv) direct na afloop van het verhoor een samenvatting van de afgelegde verklaring voorgehouden, terwijl de raadsman van verzoeker tijdens het verhoor van de getuigen aanwezig was en aan hen vragen kon stellen. Verzoeker heeft na de korte samenvatting van de inhoud van de getuigenverklaringen door de voorzitter, tegen de verklaring van de getuigen ingebracht wat tot zijn verdediging kon dienen (zie HR 19 maart 2002, nr. 01338/01, LJN AD8700, rov. 3.8).

8. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

9. Het tweede middel bevat de klacht dat de voorzitter van het hof in strijd met art. 290 Sv heeft toegestaan dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij het afleggen van hun verklaring ter terechtzitting domicilie hebben gekozen op het kantoor van hun advocaat.

10. Het komt mij voor dat dit een tardieve klacht is. De goede procesorde vereist mijns inziens dat de raadsman meteen bezwaar maakt indien naar zijn mening ten onrechte bij het onderzoek naar de identiteit van een getuige door de hoogste feitenrechter, enig identiteitsgegeven achterwege blijft (art. 290, eerste lid, Sv). Of sprake is van een in dit wetsartikel bedoeld gegrond vermoeden dat een getuige overlast zal ondervinden in verband met het afleggen van zijn verklaring, kan immers aanleiding tot discussie vormen en vaststelling van omstandigheden vergen, iets waarvoor de Hoge Raad niet is toegerust. In aanmerking genomen dat door de verdediging ter terechtzitting geen bezwaar is gemaakt tegen het toelaten van een domiciliekeuze door de getuigen en evenmin is aangevoerd dat de ter terechtzitting verschenen personen niet de opgeroepen getuigen [getuige 1] en [getuige 2] waren, meen ik dat reeds op zijn tardiviteit het middel afstuit. Een alternatieve verwerping beproef ik daarom ook niet.

11. Beide middelen kunnen naar mijn smaak worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG