Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AE8849

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
01674/01 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AE8849
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 407
Wetboek van Strafvordering 511g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01674/01 P

Mr Wortel

Zitting: 17 september 2002

Conclusie inzake:

[Verzoeker=betrokkene]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft een vonnis van de Arrondissementsrechtbank aldaar, waarbij verzoeker ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd aan de Staat een bedrag van fl 109.000,= te betalen, bij gebreke aan betaling en verhaal te vervangen door 360 dagen hechtenis, bevestigd (met wijziging van een motivering) voor zover het Hof dat vonnis aan zijn oordeel onderworpen achtte.

2. Namens verzoeker heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Opmerking verdient dat het Hof na gelijktijdige behandeling vier uitspraken omtrent ontnemingsmaatregelen heeft gedaan, waartegen cassatie is ingesteld. Twee uitspraken zijn tegen verzoeker gewezen. Die zaken zijn bij de Hoge Raad bekend onder de griffienummers 01673/01 en 01674/01. Twee andere ontnemingsuitspraken zijn gewezen tegen [persoon 1]. Aan die zaken zijn bij de Hoge Raad de griffienummers 01675/01 en 01676/01 toegekend. In de zaken 01673/01 en 01675/01 zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. In al deze zaken wordt heden geconcludeerd.

3. Ambtshalve vraag ik, alvorens de cassatiemiddelen te bespreken, aandacht voor het volgende. Ter terechtzitting van 26 oktober 2000 heeft het Hof, klaarblijkelijk op de voet van art. 511g, tweede lid onder b Sv, een schriftelijke voorbereiding gelast. De verdediging werd in staat gesteld haar formele en materiële verweren schriftelijk aan de advocaat-generaal te doen toekomen, terwijl de advocaat-generaal de gelegenheid kreeg schriftelijk op die verweren te reageren.

Aan het proces-verbaal van de op 30 november 2000 gehouden terechtzitting zijn gehecht een door de verdediging geproduceerde memorie van grieven, per fax verzonden op 8 november 2000, en een geschrift, gedateerd 22 november 2000, houdende de reactie van het openbaar ministerie op die grieven.

4. In de bestreden uitspraak is vastgesteld dat het (door verzoeker ingestelde) hoger beroep blijkens het gestelde in de memorie van grieven onder II.4 en het verhandelde ter terechtzitting van 30 november 2000 moet worden geacht beperkt te zijn tot de beslissing van de Rechtbank aangaande de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Vervolgens is in de bestreden uitspraak overwogen dat al hetgeen daarin is overwogen en beslist uitsluitend betrekking heeft op "het deel van het hoger beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen".

5. De vraag rijst of deze procedurele benadering - die aansluit bij de civiele procesvoering - bij de behandeling van een hoger beroep dat is ingesteld tegen een ontnemingsuitspraak toelaatbaar is.

6. Bij de parlementaire behandeling van wetsvoorstel 21 504, dat heeft geleid tot de huidige wettelijke bepalingen ten aanzien van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is onder ogen gezien dat de behandeling van een ontnemingsvordering onmiskenbaar civielrechtelijke trekken heeft, aangezien de maatregel is gericht op rechtsherstel, en niet op leedtoevoeging. De Minister sprak van een hybride regeling. Niettemin kenschetste de minister - naar aanleiding van de vraag of er wel reden is het 'nemo tenetur-beginsel' in de ontnemingsprocedure tot gelding te brengen - de ontnemingsprocedure als "een onderdeel van het strafproces, waarin de veroordeelde door de staat, vertegenwoordigende het openbaar belang, wordt betrokken naar aanleiding van onderzoek dat van overheidswege, met toepassing van overheidsmacht, tegen hem is ingesteld".

Voorts noemde de Minister de ontnemingsprocedure, voorzien in de art. 511b Sv en volgende, "in hoofdzaak een strafvorderlijke". Het instellen en voeren van deze procedure zijn, aldus de Minister, daden van vervolging in de zin van art. 72 Sr. Niettemin zijn er enkele afwijkingen van de wijze waarop het strafproces wordt gevoerd, waarbij de Minister onder meer wees op de mogelijkheid van een schikking, de aan de rechter geboden mogelijkheid een schriftelijke voorbereiding in te lassen en de regeling van het bewijsrecht, in welke opzichten de procedure overeenkomst met de burgerlijke rechtsvordering vertoont.

Dit alles is te vinden in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, Kamerstukken II, 1989-1990, 21 504, nr 3, p. 52 - 58.

7. Naar luid van art. 511d, eerste lid, Sv is op de behandeling van een ontnemingsvordering in eerste aanleg het bepaalde in de eerste afdeling van Titel VI van het tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering toepasselijk, met dien verstande dat gebruik gemaakt kan worden van enkele regelingen, opgenomen in de art. 511d, tweede en derde lid, 511e en 511f Sv, die afwijken van hetgeen bij de behandeling ter terechtzitting van een strafzaak heeft te gelden.

Ten aanzien van de behandeling van een ontnemingsvordering in hoger beroep is in art. 511g, tweede lid Sv evenzo bepaald dat Titel II van het derde Boek van het Wetboek van Strafvordering toepasselijk is, met de mogelijkheid gebruik te maken van enkele, in het tweede lid van art. 511g Sv omschreven, afwijkende voorzieningen.

8. Deze bepalingen dienen naar mijn inzicht, mede gelet op de zo-even genoemde elementen uit de toelichting op het wetsvoorstel dat tot de invoering van die bepalingen heeft geleid, aldus uitgelegd te worden dat bij de behandeling ter terechtzitting van een ontnemingsvordering alleen afgeweken mag worden van hetgeen bij het eindonderzoek in een strafzaak heeft te gelden voor zover de art. 511d tot en met 511f Sv (in eerste aanleg) en art. 511g Sv (in hoger beroep) daarvoor een grondslag bieden. Aan de civiele procesvoering ontleende afwijkingen die in deze bepalingen niet zijn voorzien laten zich in beginsel niet goed verenigen met het strafvorderlijke karakter van de ontnemingsprocedure, en zijn daarom niet toelaatbaar.

9. Tot de in Titel II van het derde Boek van het Wetboek van Strafvordering opgenomen bepalingen die naar luid van art. 511g, tweede lid Sv van overeenkomstige toepassing zijn op de behandeling van ontnemingszaken in hoger beroep, behoort art. 407 Sv, inhoudende dat hoger beroep slechts tegen een vonnis in zijn geheel kan worden ingesteld. Behoudens het geval waarin het appèl zich richt tegen een uitspraak betreffende op zichzelf staande feiten die cumulatief zijn tenlastegelegd, heeft het instellen van hoger beroep tot gevolg dat de zaak in volle omvang aan het oordeel van de appèlrechter wordt voorgelegd, vgl HR NJ 1996, 584. Aan die regel is tot dusverre strikt de hand gehouden: de verdachte die deze regel miskent en zijn hoger beroep beperkt tot een deel van de door de eerste rechter genomen beslissingen zal in dat appèl niet-ontvankelijk worden verklaard, vgl HR NJ 1990, 655.

10. De ratio achter art. 407 Sv is dat zonder een volledig, de hele zaak omvattend, onderzoek niet op verantwoorde wijze de diverse beslissingen genomen kunnen worden waarop uiteindelijk de straf of maatregel moet berusten, vgl Melai, het Wetboek van Strafvordering, aant. 4 bij art. 407 (suppl. 36). Nu de ontnemingsprocedure niet op zichzelf staat, doch is aan te merken als een afzonderlijk deel van het strafproces waarin gevolgen moeten worden verbonden aan het in de strafzaak bereikte oordeel dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan één of meer strafbare feiten, zal de appèlrechter zich, naar mij voorkomt, niet mogen onttrekken aan beoordeling van alle voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om een ontnemingsmaatregel te kunnen opleggen. In dit verband acht ik in het bijzonder van belang dat het opleggen van die maatregel niet slechts het schattenderwijs vaststellen van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel inhoudt, maar daarnaast vergt dat de rechter nagaat of er redenen zijn de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen, terwijl ook moet worden beslist over het toepassen van de vervangende hechtenis.

11. De middelen roeren dit processuele punt niet aan. Daaruit zou afgeleid kunnen worden dat verzoeker zich door de beperkte beoordeling in hoger beroep niet benadeeld voelt. Niettemin meen ik dat de bestreden uitspraak door die beperkte beoordeling een zodanige tekortkoming vertoont, dat de bestreden uitspraak niet in stand zal kunnen blijven.

12. In het eerste middel wordt er over geklaagd dat het vastgestelde wederrechtelijk voordeel niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Er wordt op gewezen dat het bewijs bestaat uit een aantal bladzijden van een SFO-rapport, waarin het voordeel is berekend.

Tegen dit bewijsmiddel worden twee bezwaren aangevoerd.

Het eerste bezwaar is dat de tot bewijs gebezigde bladzijden van het SFO-rapport niet door een verbalisant zijn ondertekend.

Daarnaast wordt aangevoerd dat het tot bewijs gebezigde deel van het SFO-rapport ontoelaatbare aannames, gissingen en meningen van de verbalisant bevat.

13. Dit middel maakt een nadeel van de beperkte behandeling in hoger beroep zichtbaar. Aangezien dit cassatieberoep is ingesteld tegen 's Hofs arrest zal alleen geklaagd kunnen worden over beslissingen die het Hof genomen heeft. Over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof zich niet uitgelaten. Het middel bevat derhalve klachten over een beslissing die geen deel uitmaakt van de bestreden uitspraak, zodat verzoeker in zoverre niet in dit cassatieberoep ontvangen kan worden.

14. Overigens zou het middel, zo het in cassatie wèl aan de orde gesteld zou kunnen worden, naar mijn inzicht in geen van beide onderdelen doel kunnen treffen.

15. In haar uitspraak heeft de Rechtbank vermeld dat het gaat om een SFO-dossier dat is opgesteld door de politie Brabant Zuid-Oost, interregionaal rechercheteam, afdeling georganiseerde criminaliteit. Voorts is op de eerste als bewijsmiddel in het vonnis opgenomen bladzijde van het SFO-rapport (met de doorgenummerde pagina-aanduiding 599) vermeld:

"In het kader van vorenbedoeld onderzoek heb ik, Petrus Theodorus Johannes Huybers, als financieel deskundige en tevens als buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van de Politie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Georganiseerde Criminaliteit, een onderzoek ingesteld naar het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel."

Een en ander geeft voldoende zekerheid dat het tot bewijs gebezigde deel van het SFO-rapport is opgesteld door een bevoegde opsporingsambtenaar, en een weergave van diens bevindingen bevat.

16. De andere klacht steunt op het betoog dat de rechter het op geld waardeerbare voordeel weliswaar mag schatten, maar dat de bewijsmiddelen waarop die schatting steunt zelf niet een gissing of schatting mogen inhouden.

17. Juist is dat een getuigeverklaring slechts aan het bewijs kan meewerken voor zover die verklaring weergeeft hetgeen de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Eigen afleidingen of gissingen van een getuige zijn voor bewijsdoeleiden van onwaarde. Er moet echter niet uit het oog worden verloren dat een opsporingsambtenaar zich als getuige onderscheidt van een omstander of andere waarnemer voor zover aangenomen kan worden dat de opsporingsambtenaar uit hoofde van zijn aanstelling en ervaring over een zekere deskundigheid beschikt. Die deskundigheid brengt, dunkt mij, mee dat in het relaas van een door de opsporingsambtenaar ingesteld onderzoek melding gemaakt mag worden van hetgeen de verbalisant heeft afgeleid uit de door hem achterhaalde gegevens.

18. Vermits in het relaas van de verbalisant in voldoende mate naar voren komt dat zijn oordeel kan worden gedragen door de deskundigheid waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt, en met de nodige nauwkeurigheid is omschreven op welke wijze de ter beschikking van de verbalisant gekomen feiten tot diens gevolgtrekking hebben gevoerd, staat het, naar mij voorkomt, de rechter vrij een door de opsporingsambtenaar bereikt oordeel tot het zijne te maken.

In de uitspraak van de Rechtbank is nadrukkelijk vermeld dat zij de berekening in het tot bewijs gebezigde deel van het SFO-rapport tot de hare heeft gemaakt.

19. De berekening van het door verzoeker wederrechtelijk behaalde voordeel in het tot bewijs gebezigde deel van het SFO-rapport komt samengevat op het volgende neer.

- De verbalisant heeft waarnemingen en verklaringen weergegeven waaruit afgeleid kan worden dat verzoeker bij drie gelegenheden hoeveelheden Benzylmethylketon geleverd heeft gekregen, telkens met vermelding dat ook in het vonnis dat in de onderliggende strafzaak ten laste van verzoeker is gewezen is aangenomen dat verzoeker deze hoeveelheden Benzylmethylketon geleverd heeft gekregen.

Opmerking verdient overigens dat dit laatste in de onderliggende strafzaak ook in hoger beroep bewezen is verklaard, getuige het afschrift van het arrest dat is gevoegd bij de uitspraak die de Rechtbank op de ontnemingsvordering heeft gedaan.

- Vervolgens heeft de verbalisant verklaringen aangehaald waaruit blijkt welke bedragen voor de geleverde Benzylmethylketon zijn betaald. Die bedragen heeft hij als kosten in mindering gebracht op het wederrechtelijk behaalde voordeel.

- Daarop heeft de verbalisant gerelateerd dat uit het onderzoek niet is gebleken dat verzoeker, danwel de organisatie waarvan hij deel heeft uitgemaakt, van de ingekochte Benzylmethylketon zelf synthetische drugs heeft vervaardigd. Daarom is de rapporteur er vanuit gegaan dat deze stof door verzoeker weer is verkocht.

Ook deze aanname vindt steun in hetgeen in de onderliggende strafzaak is bewezenverklaard. Blijkens het bij het onderhavige vonnis gevoegde exemplaar van het ten laste van verzoeker gewezen arrest in de strafzaak is het aankopen en geleverd krijgen van de drie hoeveelheden Benzylmethylketon bewezenverklaard als handelingen die zijn verricht om feiten als bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10 Ow voor te bereiden of te bevorderen (feit 3).

- In het rapport is vermeld dat uit gegevens van de Centrale Recherche Informatiedienst bleek dat de opbrengst van Benzylmethylketon in de desbetreffende periode varieerde van fl 200,= per liter in de legale handel, tot fl 1.000,= in het illegale circuit. De rapporteur heeft aangenomen dat de Benzylmethylketon voor dat laatste bedrag is verkocht, aangezien uit het onderzoek was gebleken dat de ingekochte stof binnen het illegale circuit weer was verkocht.

- Ten slotte heeft de rapporteur vermeld dat uit het vonnis in de strafzaak volgt dat de levering (te begrijpen valt: het geleverd krijgen) van de hoeveelheden Benzylmethylketon alleen ten laste van verzoeker bewezen is verklaard, waarin de rapporteur aanleiding heeft gevonden om het voordeel dat met de geleverde Benzylmethylketon is behaald geheel aan verzoeker toe te rekenen.

20. Nu uit het tot bewijs gebezigde deel van het rapport blijkt dat het is opgesteld door een buitengewoon opsporingsambtenaar die financieel deskundige is, en de opsteller van het rapport duidelijk heeft vermeld, voor zover er in zijn relaas aannames voorkomen, hoe die aannames voortkomen uit de feiten die de verbalisant bekend zijn geworden, stond het de Rechtbank naar mijn inzicht vrij om de berekening van de verbalisant tot de hare te maken.

21. Het tweede middel houdt in dat het Hof ten onrechte heeft afgezien van het horen van de getuige [getuige 1].

22. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de advocaat-generaal bij het Hof ter terechtzitting van 26 oktober 2000 medegedeeld:

"Met betrekking tot het verzoek van de raadsman om [getuige 1] als getuige te horen, kan ik zeggen dat voor de zitting van 13 januari 2000 geprobeerd is een oproeping aan [getuige 1] te betekenen, maar bij navraag bleek deze op 31 december 1999 niet te zijn teruggekeerd van verlof en op de telex te zijn geplaatst als zijnde voortvluchtig. Voor de zitting van 20 juli 2000 was dat ook nog steeds het geval. Deze informatie is recentelijk nog gecontroleerd. [Getuige 1] is nog steeds op de telex geplaatst als zijnde voortvluchtig."

Daarop gaf de raadsman te kennen dat hij zich met betrekking tot het oproepen van [getuige 1] als getuige aan het oordeel van het Hof refereerde, doch dat hij, indien het Hof zou besluiten de zaak aan te houden teneinde een andere persoon als getuige op te roepen, verzocht dan ook [getuige 1] als getuige op te roepen.

23. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 november 2000 volgt dat de getuige [getuige 1] niet is verschenen, en dat de verdediging niet van diens verhoor heeft afgezien. Verzoeker merkte op dat [getuige 1] een neef van hem is, die iedere dag op bezoek kwam, en dat [getuige 1] bereid zou zijn een verklaring als getuige af te leggen. Verzoeker stelde voorts niet te weten waar [getuige 1] zich op dat moment bevond, maar voegde daar aan toe dat hij wist dat [getuige 1] woonde aan de [a-straat] te [plaats B], waar hij iedere dag te vinden zou zijn.

Het Hof heeft vervolgens de behandeling van de zaak onderbroken tot later die dag, de oproeping van de getuige tegen dat nadere tijdstip bevolen, en ook diens medebrenging bevolen.

24. Na hervatting van het onderzoek was de getuige [getuige 1] blijkens dit proces-verbaal wederom niet verschenen. De advocaat-generaal deelde mee dat [getuige 1] niet was aangetroffen op het door de verdachte opgegeven adres, maar dat [getuige 1] op dat adres wel was gezien. Voorts deelde de advocaat-generaal mee dat [getuige 1] (nog altijd) als ontvlucht gesignaleerd stond, en dat [getuige 1], indien hij zou verschijnen, na het afleggen van diens verklaring terstond zou worden aangehouden.

De raadsman deelde daarop mede dat [persoon 1] (verzoeker in de zaak met griffienummer 01676/01 P) nog die dag telefonisch contact had gehad met de zoon van [getuige 1]. Die zou gezegd hebben dat "men er vanuit ging" dat zijn vader de daarop volgende dag als getuige bij het Hof diende te verschijnen. [Getuige 1] zelf was, aldus de raadsman, niet bereikbaar geweest, maar de raadsman leidde uit de mededeling van diens zoon af dat het niet-verschijnen van [getuige 1] niet op onwil berustte.

25. In het proces-verbaal van deze terechtzitting is voorts vermeld dat de voorzitter, nadat het Hof zich had beraden, als beslissing van het Hof heeft medegedeeld:

"Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van dit hof van 26 oktober j.l. heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat [getuige 1] op 31 december 1999 niet is teruggekeerd van verlof en toen is hij op de telex is geplaatst als zijnde voortvluchtig.

Deze informatie is recentelijk nog gecontroleerd en [getuige 1] is nog steeds op de telex geplaatst als zijnde voortvluchtig.

De getuige is tegen de zitting van heden opgeroepen door uitreiking van de oproeping aan een huisgenoot op het adres waar hij woonachtig is. Een heden uitgebrachte hernieuwde oproeping voor vandaag, 13.30 uur met bevel medebrenging, heeft geen resultaat gehad. Pas na het constateren hiervan is door de veroordeelde meegedeeld dat de zoon van de getuige telefonisch heeft laten weten dat zijn vader ervan uitging dat hij was opgeroepen tegen 1 december 2000.

In het licht van de omstandigheid dat deze getuige reeds sedert 31 december 1999 voortvluchtig is, komt het hof tot het oordeel dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.

Derhalve ziet het hof af van het verhoor van deze getuige."

26. Door te overwegen dat niet aannemelijk is dat de getuige [getuige 1] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, heeft het Hof bij zijn beslissing af te zien van het horen van deze getuige de juiste maatstaf toegepast. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat deze beslissing evenwel een motiveringsgebrek vertoont, aangezien uit de omstandigheid dat [getuige 1] was gezien op het van hem bekende adres, in samenhang met de opmerking van [persoon 1] betreffende de telefonische mededeling van de zoon van [getuige 1], slechts kon worden begrepen dat [getuige 1] wel degelijk ter terechtzitting wilde verschijnen doch zich in de datum had vergist.

27. Naar mijn inzicht behoefde het Hof aan verzoekers mededeling dat de zoon van [getuige 1] telefonisch had laten weten dat zijn vader in de veronderstelling verkeerde voor de volgende dag te zijn opgeroepen niet de betekenis toe te kennen dat [getuige 1] voornemens was daadwerkelijk te verschijnen. Die betekenis behoefde het Hof aan die mededeling niet te hechten, aangezien op de terechtzitting van 26 oktober 2000 reeds ter sprake is geweest dat na een eerdere poging een oproeping aan [getuige 1] te betekenen was gebleken dat deze persoon al geruime tijd als voortvluchtig gesignaleerd stond; die voortvluchtigheid blijkens het verhandelde ter terechtzitting van 30 november 2000 nog steeds voortduurde, en de oproeping van [getuige 1] voor laatstbedoelde terechtzitting (tegen het aanvankelijke tijdstip) aan een huisgenoot is uitgereikt, waarin besloten ligt dat [getuige 1] op de hoogte kon zijn van de juiste datum waarop hij ter terechtzitting werd verwacht.

28. Gelet op deze laatste omstandigheid kon het Hof uit de mededeling van de advocaat-generaal dat [getuige 1], ofschoon het niet mogelijk bleek hem de tweede oproeping voor de terechtzitting van 30 november 2000 uit te reiken en het bevel tot medebrenging te effectueren, wèl bij diens woonplaats was waargenomen, afleiden dat [getuige 1] zich onttrok aan zijn verplichting tot verschijnen. Voorts is niet onbegrijpelijk dat het Hof in aanmerking heeft genomen dat pas nadat duidelijk was geworden dat de tweede oproeping van [getuige 1] voor de terechtzitting van 30 november 2000, ditmaal met bevel tot medebrenging, geen effect had gesorteerd, melding is gemaakt van hetgeen [persoon 1] telefonisch van de zoon van [getuige 1] zou hebben vernomen.

De beslissing af te zien van verdere pogingen de getuige te doen verschijnen is op toereikende en begrijpelijke wijze gemotiveerd. Het middel kan geen doel treffen.

29. Het derde middel keert zich tegen 's Hofs oordeel inzake het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

30. In de bestreden uitspraak is overwogen:

"Appellant is van oordeel dat het Openbaar Ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk is omdat:

A. In deze zaak sprake is van een zeer grote overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen deze zaak behandeld had moeten worden;

(...)

Het hof verwerpt dit verweer (...)

Ad A.

Op 25 oktober 1994 heeft in het kader van het SFO huiszoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden. De dagvaardingen in de onderliggende strafzaken tegen appellant en zijn mede-appellant werden uitgebracht tegen 18 januari 1995. De vonnissen van de Rechtbank in deze strafzaken tegen appellant en zijn mede-appellant dateren van 29 februari 1996. Beiden gingen in hoger beroep bij dit Gerechtshof. Dit Gerechtshof heeft in de strafzaken tegen appellant en zijn mede-appellant uitspraak gedaan bij arresten van 21 februari 1997. Nadat op 15 februari 1996 reeds door de Officier van Justitie was aangekondigd dat ontnemingsvorderingen tegen appellant en zijn mede-appellant zouden worden ingesteld, zijn beiden bij oproeping d.d. 15 januari 1997 opgeroepen tegen 22 mei 1997. Op verzoek van de verdediging werd de behandeling van de zaken voor onbepaalde tijd aangehouden, onder meer in afwachting van de uitgewerkte arresten van dit Hof in de onderliggende strafzaken. Nadat op 6 november 1997 de behandeling ter terechtzitting wederom was aangehouden, vond op 12 februari 1998 de inhoudelijke behandeling van de vorderingen, na een schriftelijke voorbereiding, plaats, waarna de Rechtbank op 26 maart 1998 uitspraak deed in de ontnemingszaken. Appellant en zijn mede-appellant gingen in hoger beroep.

Het Hof heeft in hoger beroep de ontnemingsvorderingen voor het eerst behandeld ter terechtzitting van 27 november 1998. De behandeling werd geschorst tot 9 maart 1999 teneinde op verzoek van de verdediging enige getuigen te horen en voorts omdat op verzoek van de verdediging de zaak werd verwezen naar de Rechter-Commissaris teneinde in rogatoire commissie een getuige in het buitenland te doen horen. Op 9 maart 1999 vond verdere aanhouding plaats omdat de getuige in het buitenland nog niet gehoord was. Dit verhoor heeft op 25 maart 1999 plaatsgevonden. Na verdere aanhoudingen vonden tenslotte op 26 oktober 2000 de eerder geplande getuigenverhoren plaats, waarna, na schriftelijke voorbereiding, op 30 november 2000 de slotbehandeling bij het Hof plaatsvond.

Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat de aanvang van de redelijke termijn gesteld moet worden op 15 februari 1996, zijnde de datum waarop het het instellen van de ontnemingsvordering aankondigde. Van de zijde van appelanten wordt betoogd dat de datum van de huiszoekingen in het kader van het SFO, zijnde 25 oktober 1994, de aanvang van de redelijke termijn markeert.

Noch indien men uitgaat van de eerstgenoemde datum noch indien wordt uitgegaan van de tweede datum is in eerste aanleg sprake van overschrijding van de redelijke termijn. In alle gevallen kon pas verdere behandeling van de ontnemingsvorderingen plaatsvinden nadat het uitgewerkte arrest van het Hof ter beschikking was gekomen, zoals verzocht zijdens de verdediging, en dat was op zijn vroegst eind juni 1997, zoals het Hof uit eigen wetenschap bekend is. Daarna is in eerste aanleg voortvarend de behandeling voortgezet met de beslissingen van de Rechtbank als sluitstuk. De ontnemingsvorderingen hebben in eerste aanleg de onderlinge strafzaken zonder verwijl gevolgd en op geen enkel moment is een aan Justitie te verwijten onredelijke vertraging ontstaan. Hetzelfde geldt voor de behandeling in hoger beroep. Nadat de behandeling op 27 november 1998 een aanvang had genomen is deze aangehouden op verzoek van de verdediging voor het horen van getuigen en voor rogatoire commissie. Verder uitstel heeft steeds plaatsgevonden op grond van van de kant van appellant en/of zijn medeappellant gedane verzoeken wegens aan hun zijde opgekomen verhinderingen of andere hen moverende redenen. Het verwijt van een aan justitie te wijten overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep mist dan ook elke grond indien zulk een overschrijding al heeft plaatsgevonden, hetgeen naar de mening van het Hof niet het geval is. De behandeling in totaal van de ontnemingsvorderingen tegen appellant en zijn mede-appellant heeft lang geduurd, maar het belang, de omvang en de zwaarte van de onderlinge strafzaken rechtvaardigde deze duur en noch in zijn geheel noch in onderdelen heeft deze onredelijk lang geduurd."

31. Blijkens de toelichting op het middel wordt er over geklaagd dat het Hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of het aanvangstijdstip van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn al dan niet gelegen is in de huiszoeking die in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek heeft plaatsgevonden.

32. De zo-even weergegeven overwegingen laten zich evenwel slechts aldus verstaan dat het Hof heeft onderzocht of er sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, zowel uitgaande van de datum waarop het openbaar ministerie heeft aangekondigd dat de ontnemingsvorderingen zouden worden ingesteld als uitgaande van de dag waarop in het kader van het SFO huiszoeking is ingesteld, en heeft bevonden dat met geen van die beide data als beginpunt een overschrijding van de redelijke termijn is vast te stellen.

33. Ook overigens is 's Hofs oordeel niet onbegrijpelijk, in aanmerking nemende dat bij ontnemingsprocedures, evenals bij strafzaken, weliswaar als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling per instantie binnen een tijdsbestek van twee jaren afgerond dient te worden, maar een langere behandelingsduur gerechtvaardigd kan zijn door de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed die partijen op de procedure uitoefenen, terwijl zich bij ontnemingszaken nog de bijzondere omstandigheid voordoet dat de behandelingsduur afhankelijk kan zijn van het verloop van de onderliggende strafzaak, vgl HR NJ 2001, 307.

Het middel berust op een verkeerde lezing van 's Hofs overwegingen en faalt derhalve bij gebreke aan feitelijke grondslag.

34. Ten aanzien van het eerste middel zal verzoeker in dit cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, daar het middel zich niet richt tegen een beslissing die deel uitmaakt van de bestreden uitspraak. Het tweede en het derde middel falen en lenen zich naar mijn inzicht voor toepassing van art. 81 RO.

35. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak niettemin zal worden vernietigd en de zaak zal worden verwezen naar een aangrenzend Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,