Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2003:AE5149

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
C01/313HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AE5149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet 68
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 20 met annotatie van T. Zwart
JOL 2003, 188
NJ 2004, 71 met annotatie van T.M. Schalken
RvdW 2003, 65
Gst. 2003, 129 met annotatie van J.A.E. van der Does
JWB 2003/152
JB 2003/134 met annotatie van LV
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C 01/313 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 12 juli 2002

Conclusie inzake:

[eiser]

tegen

de Staat der Nederlanden

Dit geding betreft een overeenkomst tussen een informant en het Openbaar Ministerie waarin een geheimhoudingsbepaling is opgenomen. In cassatie is de vraag aan de orde hoe deze geheimhoudingsbepaling zich verdraagt tot de verplichting van de minister van Justitie om inlichtingen te verschaffen aan de Staten-Generaal (art. 68 Grondwet), respectievelijk tot de verplichting van het Openbaar Ministerie om inlichtingen te verschaffen aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst (art. 22 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten).

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie zijn m.i. de volgende feiten van belang(1):

1.1.1. Eiser tot cassatie (hierna kortweg: eiser) is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 29 oktober 1996 veroordeeld tot gevangenisstraf. Bij arrest van de Hoge Raad van 30 juni 1998, NJ 1999, 88 m.nt. JR, is de gevangenisstraf bepaald op 6 jaar en 6 maanden. Eiser heeft vervolgens een klacht bij het EHRM ingediend.

1.1.2. In of omstreeks september 1998 is een overeenkomst gesloten tussen eiser, bijgestaan door zijn raadsman, en het Openbaar Ministerie (de officier van justitie te Amsterdam). In art. 1 van deze overeenkomst staat dat het arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 29 oktober 1996 niet ten uitvoer zal worden gelegd voordat het EHRM definitief heeft beslist over de door eiser ingediende klacht. De artikelen 5 e.v. van de overeenkomst houden in:

"artikel 5

1. Indien en voor zover [lees: eiser] in het kader van deze overeenkomst informatie aan het O.M. verstrekt, zal deze informatie op geen enkele wijze ter beschikking worden gesteld van derden, waaronder begrepen politiefunctionarissen, FIOD etc. Het O.M. zal deze informatie doen verifiëren door de officier van justitie Teeven. Het O.M. garandeert [eiser] terzake volledige en absolute geheimhouding.

2. Voorts zal de hiervoor bedoelde informatie op geen enkele wijze ten nadele van [eiser] mogen worden gebruikt in het kader van strafvervolging of anderszins, noch zal deze informatie mogen worden gebruikt in het kader van de opsporing en vervolging van mogelijk door derden gepleegde strafbare feiten, ook niet als uit anonieme bron of anderszins verkregen CID-informatie, e.e.a. met uitzondering van informatie betreffende levensdelicten."

artikel 6

[Eiser] is bereid verder te onderhandelen met het O.M. teneinde, na verificatie van de informatie als bedoeld in art. 5, te bezien of en in hoeverre bedoelde informatie door het O.M. kan worden gebruikt, zulks in ruil voor eventuele strafvermindering van de in art. 1 bedoelde gevangenisstraf.

artikel 7

Aan deze overeenkomst zal door geen van partijen op welke wijze dan ook enige openbaarheid worden gegeven."

1.1.3. In juni 1999 heeft de Tijdelijke Commissie evaluatie opsporingsmethoden (de commissie Kalsbeek(2)) rapport uitgebracht over, kort gezegd, de vraag of na het onderzoek van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (de commissie Van Traa) ongeoorloofde opsporingsmethoden zijn toegepast. In het rapport van de commissie Kalsbeek wordt melding gemaakt van het bestaan van een overeenkomst tussen het O.M. en "een topcrimineel" met wie gesprekken zijn gevoerd door het O.M.(3) Het rapport is op 29 juni 1999 in de Tweede Kamer besproken(4).

1.1.4. De vermelding in het rapport van de commissie Kalsbeek heeft de aandacht van de media getrokken. In de media is verband gelegd tussen de in het rapport bedoelde overeenkomst en de persoon van eiser(5). In antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer heeft de minister van Justitie heeft op 7 oktober 1999 medegedeeld: "In opdracht van het College van procureurs-generaal zijn, na het kamerdebat, geen gesprekken meer gevoerd tussen het Openbaar Ministerie en betrokkene" (6).

1.1.5. Op 1 september 1999 is op een plaats in Nederland een grote hoeveelheid wapens aangetroffen. Eiser is aangehouden en ter zake van handelen in strijd met de Wet wapens en munitie strafrechtelijk vervolgd voor de rechtbank te Amsterdam(7). Op 13 maart 2000 is tijdens de behandeling met gesloten deuren van een gedeelte van deze strafzaak een microfoon blijven openstaan. Niet daartoe gerechtigden, waaronder de pers, hebben daardoor kunnen horen wat tijdens de besloten behandeling werd gezegd, onder meer over de in 1.1.2 bedoelde overeenkomst. Bij vonnis van 30 maart 2000 heeft de rechtbank eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf.

1.1.6. In hoger beroep heeft het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 17 april 2001 het strafvonnis van de rechtbank vernietigd en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging(8). Het hof heeft daartoe onder meer overwogen:

"Het door het openbaar ministerie naar buiten brengen van de overeenkomst via de commissie Kalsbeek, de onzorgvuldigheid in de berichtgeving rond het stopzetten van de gesprekken van het openbaar ministerie met verdachte(9), het doelbewust doorspelen van de inhoud van de gesprekken met verdachte, ondanks de absolute garantie van geheimhouding, aan derden en het - door het openstaan van microfoons - openbaar worden van hetgeen verdachte en zijn raadslieden hebben verklaard tijdens de terechtzitting met gesloten deuren in eerste aanleg bijeen genomen, leveren een zodanige schending op van de belangen van de verdachte en zijn recht op een eerlijk en behoorlijk strafproces, dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. (...) Tot de beslissing van het hof draagt tenslotte bij het belang van het vertrouwen dat iedere informant moet kunnen stellen in het openbaar ministerie" (rov. 6; de verwijzingen naar eerdere rechtsoverwegingen zijn hier weggelaten).

1.1.7. In een uitzending van het televisieprogramma Buitenhof op 22 april 2001 heeft de voorzitter van het College van procureurs-generaal bevestigd dat hij opdracht had gegeven (d.w.z. aan de officier van justitie te Amsterdam) om vertrouwelijke informatie aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst te verstrekken(10). Hij heeft daarbij opgemerkt dat dit zijn wettelijke plicht is.

1.1.8. Bij brief aan de Tweede Kamer van 23 april 2001 heeft de minister zijn onder 1.1.4 bedoelde antwoord gecorrigeerd in die zin dat het laatste gesprek van het O.M. met eiser op 2 juli 1999 heeft plaatsgevonden, zij het dat dit gesprek naar de stellige herinnering van de betrokken officier van justitie niet inhoudelijk van aard is geweest(11).

1.2. Kort nadien, op 2 mei 2001, heeft eiser de Staat gedagvaard in kort geding(12). Eiser heeft, voor zover in de cassatiefase nog van belang, onder meer gevorderd:

(3) de Staat te gebieden zich ervan te onthouden om tegenover derden enige mededeling te doen over de inhoud van de op basis van bovenvermelde overeenkomst gevoerde gesprekken tussen eiser en officier van justitie Teeven, behoudens indien en voor zover eiser voor het doen van dergelijke mededelingen schriftelijk toestemming heeft gegeven;

(4.a) de Staat te gebieden ervoor zorg te dragen dat binnen een week na betekening van het vonnis in kort geding alle aantekeningen, gespreksverslagen, documenten, kopieën van een en ander, digitale gegevens etc., in het bezit van en/of (op)gemaakt en/of ingevoerd door functionarissen van de BVD naar aanleiding van hun bemoeienis met de bovenvermelde overeenkomst en/of met de op basis daarvan gevoerde gesprekken tussen eiser en officier van justitie Teeven zullen worden vernietigd respectievelijk gewist zonder dat van enig onderdeel daarvan een kopie in welke vorm dan ook zal worden behouden.

1.3. Aan deze vorderingen heeft eiser samengevat ten grondslag gelegd dat hem volledige en absolute geheimhouding is toegezegd en dat van de zijde van de Staat onrechtmatig jegens hem is gehandeld door het bestaan van de overeenkomst publiek bekend te maken en door aan derden inlichtingen te verstrekken over de inhoud van de gesprekken die eiser met de officier van justitie heeft gevoerd. Door het doorbreken van de bedongen geheimhouding en het risico van wraakacties is de veiligheid van eiser zodanig in gevaar gebracht dat zelfs voor zijn leven moet worden gevreesd. Eiser stelt belang te hebben bij het gevorderde verbod, omdat iedere verdere mededeling die over de inhoud van de gesprekken aan derden wordt gedaan de situatie waarin eiser verkeert verergert.

1.4. De president van de rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 9 mei 2001 de vorderingen onder 3 en 4.a toegewezen. Na het beginsel pacta servanda sunt voorop te hebben gesteld, overwoog de president:

"Gelet op de ruime formulering (...) en de kennelijke achterliggende bedoeling van artikel 5 van de overeenkomst - geheimhouding ter bescherming van de veiligheid van eiser - diende de kring van hen die met de overeenkomst bekend zijn zo klein mogelijk te worden gehouden. Het begrip "derden" dient daarom ruim te worden opgevat. Anders dan gedaagde betoogt, zijn zowel de BVD als de Tweede Kamer als derden in de zin van de overeenkomst aan te merken."

De president overwoog dat sinds juli 1999 geen gesprekken meer worden gevoerd tussen eiser en de officier van justitie, dat naar verwachting van de zijde van de Staat geen Kamervragen zullen worden gesteld over de inhoud van de gesprekken en dat de minister van Justitie tegenover de Tweede Kamer heeft aangegeven terughoudend te zullen zijn met het doen van mededelingen zolang de (straf-)zaak tegen eiser nog onder de rechter is(13). Volgens de president staat art. 68 Grondwet daarom niet in de weg aan het nakomen van de overeenkomst met eiser, in die zin dat geen mededelingen worden gedaan over de inhoud van de gesprekken die eiser met de officier van justitie heeft gehad. Tenslotte verwierp de president het verweer van de Staat dat art. 22 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) het O.M. verplicht tot het doen van mededelingen aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst over de overeenkomst met eiser en de gesprekken die daaruit zijn voortgevloeid. Het O.M. heeft volgens de president enige beleidsvrijheid ten aanzien van het wel of niet verschaffen van inlichtingen aan de B.V.D. De bedongen verplichting tot geheimhouding staat volgens de president eraan in de weg dat het O.M. de inhoud van de gesprekken aan de B.V.D. doorgeeft.

1.5. De Staat heeft hoger beroep ingesteld. Bij incidenteel arrest d.d. 23 mei 2001, NJ 2001, 414, heeft het hof de tenuitvoerlegging van het bevel van de president tot vernietiging van de gegevens geschorst. Bij eindarrest van 6 september 2001 heeft het hof het vonnis van de president vernietigd v.w.b. het daarin opgenomen eerste bevel (het verbod tot het verschaffen van informatie aan derden), voor zover dit bevel betrekking heeft op het doen van mededelingen als bedoeld in art. 22 lid 1 Wiv alsmede het geven van inlichtingen als bedoeld in art. 68 Grondwet, mits die inlichtingen geheel vertrouwelijk worden verstrekt; in zoverre wees het hof de vordering van eiser af. Voor wat betreft het tweede bevel (tot vernietiging van de gegevens) vernietigde het hof het vonnis van de president en wees dit gedeelte van de vordering alsnog af.

1.6. Eiser heeft tijdig (art. 295 lid 4 oud Rv) beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten met re- en dupliek. De onderdelen a en b van het middel zien op de uitzondering die het hof heeft gemaakt voor inlichtingen als bedoeld in art. 68 Grondwet; de onderdelen c en d hebben betrekking op de uitzondering die het hof heeft gemaakt voor inlichtingen als bedoeld in art. 22 lid 1 Wiv.

2. Bespreking van het cassatiemiddel onder a en b (art. 68 Grondwet)

2.1. De rechtsklacht onder a houdt in dat - anders dan het hof in rov. 4.2 overweegt - art. 68 Grondwet zich niet ertegen verzet dat de Staat zich op voorhand bindt in die zin dat de minister aan de Staten-Generaal de informatie zal onthouden. De Staat had reeds bij het sluiten van de overeenkomst dienen te beseffen dat het opnemen van een verplichting tot absolute geheimhouding tot gevolg heeft dat informatieverstrekking aan de Staten-Generaal niet is toegestaan. De omstandigheid dat een minister eerst kan beslissen over het wel of niet verstrekken van informatie aan de Staten-Generaal wanneer hij over voldoende gegevens beschikt, zoals het hof in rov. 4.2 overweegt, neemt volgens het middel niet weg dat de Staat zich jegens een burger rechtsgeldig kan verbinden tot geheimhouding. Voor zover zulk een afspraak de minister in een probleem brengt in zijn verhouding tot de Staten-Generaal, mag dit gevolg niet op de betrokken burger worden afgewenteld.

De rechtsklacht onder b voegt hieraan toe dat dit niet anders wordt door de omstandigheid dat de betrokken informatie "geheel vertrouwelijk naar de Staten-Generaal kan worden doorgeleid", zoals het hof in rov. 4.3 overweegt. Volgens eiser is zijn veiligheid daarmee onvoldoende gewaarborgd.

2.2. Art. 68 Grondwet bepaalt:

"De ministers en staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat."

De bepaling strekt ertoe dat het parlement mondeling of schriftelijk inlichtingen van de regering verkrijgt, opdat het parlement zijn controlefunctie kan uitoefenen(14). Een verplichting van ministers tot het verschaffen van inlichtingen aan de Staten-Generaal maakt sedert 1848 deel uit van de Grondwet(15). Uit de wetsgeschiedenis blijkt een ruimere betekenis dan uitsluitend de landsverdediging en de buitenlandse betrekkingen(16). In het verleden heeft discussie bestaan over de vraag of de verplichting van ministers tot het verschaffen van inlichtingen uitsluitend bestaat jegens de Kamer als geheel of ook jegens individuele Kamerleden. Bij de Grondwetswijziging van 1987 (Stb. 1987, 271) is vastgelegd dat de verplichting geldt wanneer "een of meer leden" inlichtingen verlangen.

2.3. De verplichting tot het verschaffen van inlichtingen vloeit voort uit de ministeriële verantwoordelijkheid tegenover het parlement (art. 42 lid 2 Grondwet) en houdt verband met de zgn. ongeschreven vertrouwensregel: ministers kunnen in functie blijven zolang zij het vertrouwen van de Staten-Generaal genieten. Weigert een minister de gevraagde inlichtingen te geven, dan kan de Kamer verklaren dat dit vertrouwen niet langer bestaat. Deze sanctie is echter alleen effectief indien een meerderheid van de Kamer de motie van wantrouwen ondersteunt(17). De verplichting tot het verschaffen van inlichtingen is niet hetzelfde als de ministeriële verantwoordelijkheid: een Kamerlid kan inlichtingen vragen over gebeurtenissen waarvoor de minister niet verantwoordelijk is (bijv. vragen aan de minister van Economische Zaken over ontwikkelingen in het buitenland of in de private sector); omgekeerd kan de Kamer bewindslieden ter verantwoording roepen zonder dat (nadere) inlichtingen nodig zijn(18).

2.4. Tussen de Staten-Generaal en een minister kunnen zich problemen voordoen wanneer de Kamer of een Kamerlid om inlichtingen vraagt en de minister zich op het standpunt stelt dat de gevraagde informatie niet voorhanden is of dat beantwoording nog niet mogelijk is (bijv. omdat het onderwerp nog in studie is) of om enige reden niet opportuun wordt geacht (bijv. wanneer daarvoor een tijdrovend onderzoek opgestart moet worden, na afloop waarvan de gevraagde informatie als mosterd na de maaltijd zou komen). Van zo'n aanvankelijke weigering worden in de vakliteratuur verscheidene voorbeelden genoemd. Wanneer de Kamer met de weigering geen genoegen neemt en geen overeenstemming kan worden bereikt, staat de minister voor de keuze om de gevraagde informatie alsnog te verschaffen dan wel zich te beroepen op de clausule "waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat".

2.5. In het kader van de Grondwetsherzieningen van 1983 en 1987 is aan de betekenis van de term "belang van de staat" aandacht besteed. In de toelichting op een eerste voorstel tot wijziging van art. 68 Grondwet werd de volgende uitleg gegeven(19):

"Het criterium "belang van de staat" heeft onvermijdelijk een zekere vaagheid. Enerzijds is het ruimer dan alleen de veiligheid van de staat. Ook andere staatsbelangen kunnen in het geding zijn. Het weigeren van inlichtingen over personen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan er mede onder begrepen zijn.

Anderzijds zou een lichtvaardig beroep op het staatsbelang in strijd zijn met de strekking van het artikel. Vereist is dat het staatsbelang om de inlichtingen te weigeren zo zwaar weegt dat het eveneens zwaar wegende belang de Staten-Generaal te informeren daarvoor niettemin moet wijken. De betekenis van de clausule bestaat niet in de laatste plaats hierin, dat de regering erdoor genoopt wordt daarop uitdrukkelijk een beroep te doen en voor dat beroep argumenten aan te voeren."

Tijdens de behandeling van een tweede voorstel van wet, waarvan de huidige Grondwettekst de vrucht is, werd door de regering opgemerkt(20):

"Wij menen dat bij het verstrekken van verlangde inlichtingen als uitgangspunt geldt dat de inlichtingen als regel in openbare vorm verstrekt dienen te worden. Indien openbare verstrekking niet verantwoord is, zal bij het verschaffen van de gevraagde inlichtingen naar een modaliteit gezocht moeten worden die toch zoveel mogelijk recht doet aan het belang het parlement te informeren. Zoals wij reeds eerder opmerkten (...) kan het vertrouwelijk verschaffen van inlichtingen aan een kamercommissie zo'n modaliteit zijn."

2.6. In de vakliteratuur wordt de term "belang van de staat" in art. 68 Grondwet een "nogal onbestemd begrip" genoemd. Zo wordt aanvaard dat inlichtingen ook geweigerd mogen worden indien door het verstrekken daarvan een ongerechtvaardigde inbreuk op privacybelangen zou worden gemaakt. Taalkundig doet de aanduiding daarvan als "het belang van de staat" wat wonderlijk aan(21). In de vakliteratuur wordt veel aandacht besteed aan de verhouding tussen art. 68 Grondwet en de weigeringsgronden van de Wet openbaarheid van bestuur. Dit houdt verband met een gebeurtenis in 1986, toen het Tweede Kamerlid W. Kok aan de toenmalige minister-president vragen stelde over documenten die betrekking hadden op de toenmalige kabinetsformatie. Nadat de minister-president had geweigerd deze documenten aan de Kamer te verstrekken, wist een journalist via de Wet openbaarheid van bestuur wél de beschikking over deze documenten te verkrijgen(22). Thans wordt veelal aangenomen dat documenten waarvan de inzage op grond van (art. 10 van) de Wet openbaarheid van bestuur niet mag worden geweigerd, ook niet aan de Kamer kunnen worden onthouden(23). Daaruit mag niet het omgekeerde worden afgeleid: het is mogelijk dat een document waarvan de inzage op grond van de Wet openbaarheid van bestuur mag worden geweigerd, toch aan de Kamer ter inzage wordt gegeven. De reden hiervan is dat een document vertrouwelijk aan een Kamercommissie ter beschikking kan worden gesteld. De Wet openbaarheid van bestuur voorziet niet in de mogelijkheid van selectieve openbaarmaking (wel openbaar voor de een, niet voor de ander), noch in de mogelijkheid van inzage onder voorbehoud van geheimhouding(24). De naleving van de Wet openbaarheid van bestuur kan via de rechter worden afgedwongen. De Staten-Generaal beschikken uitsluitend over politieke sancties: wanneer een minister zou worden gedwongen tot aftreden naar aanleiding van zijn weigering inlichtingen te verschaffen, komt zijn opvolger opnieuw te staan voor de keuze of hij de gevraagde inlichtingen aan de Kamer zal verschaffen.

2.7. De voorzitter van de Tweede Kamer heeft in 2001 aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een notitie verzocht over art. 68 Grondwet. Deze notitie is op 21 januari 2002 aan de voorzitter van de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken II 2001/02, 28 362, nr. 2) en is thans bij een Tweede Kamercommissie in behandeling. In deze notitie worden enkele groepen van gevallen onderscheiden:

a. De aard van de gevraagde gegevens verzet zich tegen (openbare) verstrekking aan de Kamer. De notitie noemt als voorbeelden:

- gegevens waarvan de verstrekking de vertrouwelijkheid van de gedachtenwisseling tussen het Staatshoofd en bewindslieden zou schenden;

- gegevens waarvan de verstrekking de veiligheid van de Staat zou schaden;

- vertrouwelijk verstrekte bedrijfsinformatie(25);

- bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

- gegevens over lopende of afgesloten strafrechtelijke onderzoeken, waarbij (naast de bescherming van de persoonlijke levenssfeer) het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten kan zijn betrokken;

b. gevallen waarin de gevraagde gegevens vallen onder een wettelijke geheimhoudingsplicht. Een bijzondere subcategorie vormen de gevallen waarin de verplichting tot geheimhouding voortvloeit uit internationale bepalingen of communautaire regels.

c. gevallen waarin afspraken omtrent de behandeling van de gegevens zijn gemaakt met degene van wie de gegevens oorspronkelijk afkomstig zijn(26).

De notitie besluit met de constatering dat niet in abstracto valt aan te geven wat onder "het belang van de staat" in art. 68 Grondwet moet worden verstaan. Volledigheidshalve merk ik nog op dat de term "belang van de staat" eveneens wordt gebruikt in de art. 20 en 21 van de Wet op de Parlementaire Enquête.

2.8. Ook in de parlementaire geschiedenis van de hieronder nader te bespreken Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002, is de betekenis van art. 68 Grondwet aan de orde gekomen. De huidige parlementaire praktijk is dat informatie over de activiteiten van de inlichtingendiensten vertrouwelijk worden verstrekt aan de Tweede Kamercommissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die in haar rapportage aan de plenaire Kamer de nodige discretie in acht neemt. De minister behoudt evenwel de mogelijkheid een beroep te doen op art. 68 Grondwet(27). In art. 55 Wiv 2002 is de weigering van verstrekking van gegevens voorgeschreven, onder meer, indien deze de nationale veiligheid zou kunnen schaden. De term "nationale veiligheid" is ontleend aan het tweede lid van art. 8 EVRM. Tijdens de behandeling door de Eerste Kamer werd gevraagd hoe het begrip "belang van de staat" in art. 68 Grondwet zich verhoudt tot het begrip "nationale veiligheid". De regering antwoordde:

"In dit artikel [bedoeld is: art. 68 Grondwet, noot A-G] omvat "het belang van de Staat", het belang van de "nationale veiligheid", maar ook verschillende andere belangen als de eenheid van de Kroon, vertrouwelijk aan de overheid medegedeelde bedrijfsgegevens, betrekkingen van Nederland met andere landen, financiële belangen van de staat en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Een zo ruime interpretatie is ten aanzien van de taakopdracht van de veiligheidsdiensten niet beoogd."(28)

2.9. De Staat heeft zich in dit geding beroepen op een aan hem uitgebracht advies van prof. mr. H.R.B.M. Kummeling d.d. 29 juni 2001(29). Kummeling besteedt aandacht aan de verhouding tussen wettelijke geheimhoudingsbepalingen en de verplichting van art. 68 Grondwet tot het geven van inlichtingen. Ook in zijn advies wordt gewezen op de mogelijkheid informatie vertrouwelijk, d.w.z. onder verplichting tot geheimhouding, aan de Kamer of een Kamercommissie bekend te maken. Het advies gaat ervan uit dat een wettelijke verplichting tot geheimhouding ertoe strekt dat de informatie niet aan derden bekend wordt gemaakt. Kummelings betoog, naar de kern genomen, houdt in dat wanneer de informatie binnen een gesloten circuit van geheimhouders blijft, de informatie niet bij "derden" bekend wordt. In zijn redenering is dus essentieel wie voor de toepassing van de desbetreffende wettelijke regeling als "derden" worden aangemerkt. Kummeling ziet slechts beperkte mogelijkheden voor algehele geheimhouding tegenover de Staten-Generaal. Hij noemt het geheim van de Kroon, dwingende verdragsbepalingen (in welk geval de minister geen beroep behoeft te doen op het belang van de staat maar zich rechtstreeks op die verdragsbepaling kan beroepen) en gevallen waarin het parlement "willens en wetens afstand doet van zijn inlichtingenrecht". De verplichting van art. 68 Grondwet kan naar de mening van Kummeling niet worden weggecontracteerd(30).

2.10. In het voorgaande is de mogelijkheid ter sprake gekomen om vertrouwelijk inlichtingen aan de Kamer te verschaffen. Het Reglement van Orde van de Tweede Kamer voorziet in de mogelijkheid van een beraadslaging met gesloten deuren (art. 88-89), ook van Kamercommissies (art. 37); zie ook art. 66 Grondwet. Ten aanzien van de inhoud van vertrouwelijke stukken en de gedachtenwisseling in een besloten commissievergadering wordt geheimhouding in acht genomen, met uitzondering van hetgeen de commissie in haar verslag vermeldt (art. 38 lid 1). De Kamer kan besluiten dat een commissie over in haar handen gestelde stukken, die naar het oordeel van de commissie niet in het openbaar kunnen worden behandeld, geen verslag behoeft uit te brengen (art. 32 lid 2)(31). Een vertrouwelijke behandeling ziet op de situatie waarbij de minister de Kamer of Kamercommissie volledig informeert en de verschafte informatie niet buiten de Kamer of Kamercommissie komt. Daarnaast bestaat vanzelfsprekend de mogelijkheid dat in een openbare of in een besloten vergadering bepaalde informatie verhuld wordt verstrekt, d.w.z. in zodanig algemene bewoordingen dat zij niet kan worden herleid tot afzonderlijke personen, ondernemingen of gebeurtenissen.

2.10. Het cassatiemiddel gaat zonder meer ervan uit dat de Staat partij is bij een met eiser gesloten overeenkomst. Dit uitgangspunt behoeft n.m.m. enig commentaar. Blijkens de vaststelling van de feitenrechters is de overeenkomst waar het thans om gaat gesloten tussen eiser en "het Openbaar Ministerie". Het valt niet te ontkennen dat het O.M. een orgaan van de Staat is, maar dat is een andere vraag dan die of het O.M. bevoegd is namens de Staat een overeenkomst als de onderhavige te sluiten. Het ligt m.i. niet voor de hand dat het Openbaar Ministerie, laat staan een individuele officier van justitie, bevoegd is namens de Staat een overeenkomst te sluiten over de wijze waarop de minister van Justitie de hem toekomende bevoegdheid uitoefent om, wanneer de Kamer inlichtingen verlangt, zich wel of niet tegenover de Kamer te beroepen op "het belang van de staat" in de zin van art. 68 Grondwet. De bevoegdheid van het O.M. tot het sluiten van de overeenkomst is in dit geding geen voorwerp van discussie geweest. De bevoegdheid moet dus ergens anders een basis hebben gevonden.

2.11. Mogelijk hebben partijen een overeenkomstige toepassing van de Richtlijn afspraken met criminelen(32) voor ogen gehad. Volgens deze richtlijn kan een officier van justitie met toestemming van de hoofdofficier van justitie afspraken met "een crimineel" maken teneinde een toetsbare getuigenverklaring in een strafzaak te verkrijgen in ruil voor een tegenprestatie. De richtlijn schrijft voor welke tegenprestaties zijn toegestaan. Daartoe behoort o.m. verzachting van de strafexecutie, mits de afspraak niet in strijd komt met de Gratiewet. Ook de Hoge Raad heeft inmiddels beslist dat een toezegging zijdens het O.M. inhoudende dat een vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd in strijd met de wet is(33). De onderhavige overeenkomst houdt echter geen kwijtschelding in, maar een opschorting van de tenuitvoerlegging in afwachting van de beslissing uit Straatsburg. De Richtlijn afspraken met criminelen gaat ervan uit dat wanneer de op deze wijze verkregen getuigenverklaring als bewijsmiddel tegen een (andere) verdachte wordt gebruikt, de afspraak op de openbare terechtzitting door de rechter moet kunnen worden getoetst. Dat laat geen ruimte voor het bedingen van een "volledige en absolute" geheimhouding; wel voor maatregelen om represailles zoveel mogelijk te voorkomen.

2.12. Wanneer de onderhavige geheimhoudingsbepaling zou worden beschouwd als een verplichting van de Staat om de inhoud van de gesprekken geheim te houden tegenover "derden", in de zin van: anderen dan de Staat en zijn organen, wordt de overeenkomst niet geschonden door kennisgeving van de inhoud van de gesprekken aan de Tweede Kamer. Dat is in feitelijke instanties het standpunt van de Staat geweest, maar dit standpunt is door president en hof verworpen. Naar de - in cassatie niet bestreden - feitelijke vaststelling van het hof in rov. 3.6, is het onmiskenbaar de bedoeling van de overeenkomst geweest te garanderen dat de door eiser te verstrekken informatie niet naar personen of instanties buiten het O.M. wordt doorgeleid. Ingevolge art. 129 lid 1 R.O. verstrekt het College van procureurs-generaal aan de minister van Justitie de inlichtingen die deze nodig heeft. Ingevolge art. 129 lid 2 R.O. verstrekken de leden van het Openbaar Ministerie aan het College de inlichtingen die het College nodig heeft. De hier gemaakte afspraak vormt dus niet rechtstreeks een inbreuk op art. 68 Grondwet, maar hoogstens indirect. Wel wordt een inbreuk gemaakt op het voorschrift van art. 129 R.O. Wanneer de afspraak tot absolute geheimhouding door het O.M. wordt nageleefd, is de minister van Justitie eenvoudigweg niet in staat de Kamer te informeren over de inhoud van de gesprekken, al dan niet vertrouwelijk. De minister van Justitie zou de impasse kunnen doorbreken door opdracht te geven aan het College van Procureurs-Generaal en via het College aan de officier van justitie te Amsterdam om de inhoud van de gesprekken aan hem bekend te maken opdat hij de Staten-Generaal desverzocht kan informeren. De onderhavige vordering in kort geding beoogt kennelijk te beletten dat aan zo'n opdracht gevolg wordt gegeven.

2.13. Het verweer van de Staat, zoals het hof dit in rov. 4.1 heeft begrepen, houdt in dat de gemaakte afspraak niet kan leiden tot het opzij zetten van de wettelijke informatieplichten van het O.M., m.a.w. dat de afspraak nietig is omdat zij in strijd is met de wet (art. 3:40 BW)(34). Het hof heeft in rov. 4.2 en 4.3 dit verweer gedeeltelijk gehonoreerd.

2.14. Wanneer een overheidslichaam zich beroept op de nietigheid van een door hem gesloten overeenkomst wegens strijd met de wet, wekt dat weerstand op: ook het pacta servanda sunt van de president wijst daarop. Mede naar aanleiding van commentaar op de beslissing in HR 7 april 2000, NJ 2000, 652 m.nt. JH(35), heb ik mij afgevraagd wat hiervan de oorzaak is. Het komt mij voor dat deze weerstand samenhangt met een gedachte die elders in de rechtspraak reeds is aanvaard. Ik bedoel de regel dat bij onrechtmatige overheidsdaad de gevolgen van een onjuiste wetsuitleg aan het desbetreffende overheidslichaam worden toegerekend in de zin van art. 6:162 lid 3 BW(36). De overheid, a fortiori het Openbaar Ministerie, wordt geacht de wet te kennen; de burger mag daarvan uitgaan. Dezelfde gedachte spreekt uit het cassatiemiddel onder a: het O.M. had zich van tevoren moeten realiseren welke gevolgen de afspraak zou hebben voor de (on)mogelijkheid voor de minister van Justitie om de Staten-Generaal desgevraagd in te lichten.

2.15. Wanneer dit de achter het middel liggende gedachte is, blijft de vraag naar de consequenties van een dergelijke afspraak open. Een eiser kan bezwaarlijk verlangen dat de rechter de Staat veroordeelt om een overeenkomst uit te voeren die in strijd is met de wet (in casu: wanneer de overeenkomst naar inhoud of strekking in strijd komt met de openbare orde, waarbij ik aanneem dat de mogelijkheid het Parlement te informeren tot de openbare orde kan worden gerekend). In het onrechtmatige daadsrecht wordt dit dilemma opgelost door art. 6:168 BW: de rechter kan een vordering, strekkende tot verbod van een onrechtmatige gedraging, afwijzen op de grond dat deze gedraging op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen behoort te worden geduld. De benadeelde behoudt dan zijn recht op vergoeding van de schade overeenkomstig titel 3 van boek 6 BW. Indien deze regel zou mogen worden overgenomen in het overeenkomstenrecht, zou de consequentie kunnen zijn dat de teleurgestelde schuldeiser geen nakoming kan vorderen, maar bijv. wel schadevergoeding. Men spreekt dan van: de relativering van de nietigheidssanctie. Voor de onderhavige zaak biedt de mogelijkheid van schadevergoeding echter geen soelaas: eiser is niet gebaat met een schadevergoeding wanneer hij, zoals hij in dit geding telkens heeft gesteld, een ernstig risico loopt zijn leven te verliezen door wraakacties wanneer de inhoud van de gesprekken die hij met de officier van justitie heeft gehad "op straat komt te liggen". Het hof heeft in dit geval de nietigheid in rov. 4.3 op een andere wijze gerelativeerd.

2.16. Na deze inleidende beschouwingen kom ik nu toe aan de klachten zelf. Volgens het middel onder a is van een inbreuk op art. 68 Grondwet geen sprake, omdat de minister zich jegens de Staten-Generaal steeds kan beroepen op het belang van de staat en zich op die wijze kan onttrekken aan het beantwoorden van Kamervragen over de inhoud van de gesprekken die eiser met de officier van justitie heeft gehad. Dat argument treft m.i. geen doel. Met het hof (rov. 4.3) ben ik van oordeel dat die afweging aan de minister en niet op voorhand aan de rechter toekomt.

2.17. Het aanvaarden door de rechter van het beroep op de nietigheid van het beding heeft tot gevolg dat de bedongen verplichting tot geheimhouding niet langer kan worden afgedwongen. Het hof heeft de nietigheid evenwel gerelativeerd. Het hof heeft eerst een rechtsplicht van de Staat vastgesteld om, waar het de doorgeleiding van de door eiser verstrekte informatie betreft, diens veiligheid zoveel mogelijk te beschermen(37). Deze rechtsplicht, die niet alleen het O.M. maar de Staat als geheel en dus ook de minister bindt, in samenhang met "de bijzondere omstandigheden waaronder de overeenkomst tot stand is gekomen", heeft het hof gebracht tot zijn oordeel dat het beroep van de Staat op de nietigheid van het geheimhoudingsbeding slechts gedeeltelijk opgaat. Het beroep op de nietigheid gaat volgens het hof uitsluitend op voor zover het beding in de weg zou staan aan het vertrouwelijk inlichten van de Staten-Generaal nadat eerst een afweging door de minister van Justitie heeft plaatsgevonden. Dit oordeel geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht onder a gaat niet op.

2.18. In de s.t. namens eiser onder 29-43 worden diverse buitenlandse regelingen voor getuigenbescherming besproken, culminerend in de stelling dat bedreigde getuigen en informanten in de ons omringende landen beter worden beschermd dan in Nederland het geval is(38). De strekking van onderdeel b van het cassatiemiddel, gelezen in samenhang met dit betoog, is dat de veiligheid van eiser onvoldoende is gewaarborgd wanneer de afweging wordt overgelaten aan de minister van Justitie; eiser meent dat zijn veiligheid uitsluitend gegarandeerd is door een absoluut verbod om de inhoud van zijn gesprekken met de officier van justitie door te geleiden. De beoordeling van deze stelling vereist evenwel een waardering van de feiten. Deze waardering is voorbehouden aan het hof en kan daarom in cassatie niet worden onderzocht. Het hof heeft als maatstaf voor de afweging door de minister genoemd: de inhoud van de informatie en de mate waarin doorgeleiding daarvan een gevaar voor de veiligheid van eiser oplevert. Die maatstaf is de juiste. Mijn slotsom is dat ook de klacht onder b niet tot cassatie leidt.

3. Bespreking van het cassatiemiddel onder c en d (art. 22 Wiv)

3.1. Artikel 22 lid 1 van de wet van 3 december 1987, Stb. 635 (Wiv) luidde:

"De leden van het openbaar ministerie doen, door tussenkomst van het College van procureurs-generaal, mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens, die zij voor een dienst van belang achten, aan die dienst."

Het begrip "dienst" in deze wet omvat een inlichtingen- of veiligheidsdienst (zie art. 1). De memorie van toelichting op de Wiv(39) gaat uitsluitend in op de noodzaak van de tussenkomst van de procureur-generaal teneinde het verschaffen van informatie door het O.M. aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te kanaliseren(40). De bepaling is imperatief geformuleerd ("doen"), maar laat tegelijkertijd ruimte voor een afweging door het O.M. ("die zij voor een dienst van belang achten"). De vraag of, en zo ja, in hoeverre, in deze bepaling sprake is van een verplichting voor leden van het O.M. wordt in de memorie van toelichting niet beantwoord. Art. 22 Wiv is terug te voeren op art. VI,1 van het K.B. van 5 augustus 1972, Stb. 437, houdende regeling van de taak, de organisatie, de werkwijze en de samenwerking van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Laatstgenoemde bepaling luidde:

"De procureurs-generaal bij de gerechtshoven als fungerende directeuren van politie en de ambtenaren van Rijks- en Gemeentepolitie, benevens die van het Wapen der Koninklijke Marechaussee, doen onverwijld mededeling aan de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdiensten van alle te hunner kennis komende gegevens, welke voor die diensten, in verband met de daaraan opgedragen taak, van belang kunnen zijn."

De Nota van toelichting (blz. 5) duidt erop dat de Besluitgever een verplichting voor ogen heeft gehad:

"De in het artikel genoemde ambtenaren krijgen bij de uitoefening van hun ambt in veel gevallen kennis van feiten en gegevens die voor een inlichtingen- of veiligheidsdienst van belang kunnen zijn in verband met een goede uitoefening van de aan die dienst opgedragen taak. Het artikel verplicht die ambtenaren dergelijke gegevens aan de betrokken dienst mede te delen.(41)

3.2. Inmiddels is de wet van 3 december 1987 vervangen door de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002(42). In art. 61 van de nieuwe wet keert de bepaling van art. 22, eerste lid, van de Wiv (1987) ongewijzigd terug. In de memorie van toelichting wordt zonder nadere uitwerking vermeld dat in art. 22, eerste lid, Wiv (1987) geregeld is dat de leden van het O.M. van de te hunner kennis gekomen gegevens die zij voor een inlichtingen- of veiligheidsdienst van belang achten, mededeling aan die dienst moeten doen(43).

3.3. Onderdeel c herhaalt de klachten van de onderdelen a en b, ditmaal toegespitst op de doorgifte van de inhoud van de gesprekken van eiser met de officier van justitie aan de B.V.D. Volgens het onderdeel geeft art. 22 lid 1 Wiv de leden van het O.M. wel de mogelijkheid, maar niet de verplichting om informatie aan de B.V.D. door te geven. Die opvatting komt mij in haar algemeenheid onjuist voor. Art. 22 Wiv (1987) maakt deel uit van hoofdstuk V Wiv, welk hoofdstuk de samenwerking van het O.M. en de politie met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten regelt. Uit deze plaatsing in de wet, in samenhang met de aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, valt m.i. af te leiden dat de wetgever met dit voorschrift heeft beoogd te bewerkstelligen dat O.M. en politie alle informatie die voor een inlichtingen- of veiligheidsdienst van belang kan zijn met deze dienst delen. Wanneer het delen van informatie vrijblijvend zou zijn, d.w.z. afhankelijk zou zijn van de bereidheid van het betrokken lid van het O.M. of de betrokken politiefunctionaris, wordt de door de wetgever beoogde samenwerking met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet bereikt.

3.4. Daarmee is niet in tegenspraak dat op het niveau van het College van procureurs-generaal wel een afweging plaatsvindt. Evenals het geval kan zijn bij informatie-uitwisseling tussen politiekorpsen onderling of tussen inlichtingendiensten onderling, kan een ongecoördineerde uitwisseling van informatie op het niveau van de uitvoerende functionarissen ertoe leiden dat een lang lopend onderzoek in het ene arrondissement wordt doorkruist door de informatie die in een ander arrondissement aan een inlichtingendienst wordt verstrekt en de actie die naar aanleiding van die informatie door de ontvanger wordt ondernomen. In het voorgeschreven kanaliseren van de informatiestroom via het College van procureurs-generaal ligt besloten dat, zoals het hof het formuleert: zwaarder wegende belangen of plichten aanleiding kunnen geven om (evt. tijdelijk) van het doen van mededeling aan een inlichtingendienst af te zien. Deze afweging door het College van procureurs-generaal biedt - in de door mij onderschreven gedachtegang van het hof - ruimte om ook rekening te houden met de rechtsplicht van de Staat om de persoonlijke veiligheid van eiser te beschermen.

3.5. Vanuit dit uitgangspunt (gehoudenheid van het O.M. tot afweging) volgt de redengeving van het hof in rov. 4.4 twee sporen. Het hof overweegt - allereerst - dat, nu de inhoud van eisers gesprekken met de officier van justitie in dit geding niet op tafel is gebracht, niet ter beoordeling van het hof staat of het O.M. een juiste afweging heeft gemaakt. Daarnaast - tweede grond - is het hof van oordeel dat het gevaar voor verdere verspreiding van de informatie in voldoende mate wordt ingedamd door de bijzondere positie van de B.V.D. in het staatsbestel en de wettelijke geheimhoudingsverplichting van ambtenaren van de B.V.D.(44)

3.6. Met betrekking tot de eerste grond voert het middel onder d aan dat 's hofs redenering eiser in een onmogelijke positie brengt: om zich van geheimhouding te verzekeren zou eiser gedwongen worden in het kort geding te openbaren wat nu juist geheim had moeten blijven. Op dit punt komt de klacht mij gegrond voor. Eiser heeft in feitelijke instanties aangevoerd dat het doorgeleiden aan de B.V.D. van de inhoud van zijn gesprekken met de officier van justitie niet alleen in strijd is met de hem gedane toezegging van absolute en volledige geheimhouding, maar bovendien het risico meebrengt dat hij door wraakacties het leven zal verliezen. Die stelling - en daarmee de vraag of het O.M. een juiste afweging heeft gemaakt - stond in volle omvang ter beoordeling van het hof. De omstandigheid dat het hof niet bekend was met de inhoud van de gesprekken behoeft op zichzelf niet te verhinderen dat het hof het vertrouwelijk karakter van de inhoud van de gesprekken en het gestelde levensgevaar beoordeelt op basis van een hypothese ten aanzien van die inhoud. Het standpunt van eiser komt hierop neer dat het hof ten minste rekening had behoren te houden met de mogelijkheid dat de inhoud van de gesprekken een zó vertrouwelijk karakter had dat doorgeleiding aan de B.V.D. ontoelaatbaar moet worden geacht in verband met het daaraan verbonden levensgevaar voor eiser. Door zich van een oordeel hieromtrent te onthouden ("staat niet ter 's hofs beoordeling"; rov. 4.4) is het hof n.m.m. in zijn taak tekort geschoten. In het arrest lees ik niet, ook niet impliciet, dat het hof van oordeel is dat bovenbedoelde mogelijkheid als niet reëel ter zijde moet worden geschoven. Dat onderzoek zal dus alsnog moeten worden verricht.

3.7. Dat het hof, zij het met de nodige waarborgen, heeft toegestaan dat informatie aan de minister wordt verschaft opdat de minister in staat wordt gesteld eventuele vragen van de Staten-Generaal te beantwoorden, betekent niet dat het verstrekken van informatie aan de B.V.D. zonder meer geoorloofd is. Het ligt voor de hand dat elke informatieverstrekking op haar eigen merites moet worden beoordeeld: aannemelijk is m.i. dat de B.V.D. geïnteresseerd zal zijn in operationele details, terwijl de belangstelling van de Tweede Kamer zal uitgaan naar het functioneren van het O.M. en de opsporingsdiensten.

3.8. De tweede, hiervoor in alinea 3.5 genoemde grond kan de bestreden beslissing zelfstandig dragen en moet daarom afzonderlijk worden beoordeeld. De klacht onder d, inhoudende dat bij afgesproken geheimhouding uitgangspunt moet zijn dat doorgeleiding van informatie aan derden niet rechtmatig geschiedt, begrijp ik als volgt(45): reeds uit de omstandigheid dat in de litigieuze overeenkomst "volledige en absolute geheimhouding" is toegezegd moet volgens eiser de conclusie worden getrokken dat ook het O.M. bij het sluiten van de overeenkomst van oordeel was dat aan de door eiser te leveren informatie een zó vertrouwelijk karakter toekomt dat het doorgeleiden daarvan aan de B.V.D. niet toelaatbaar werd geacht. Met andere woorden: het O.M. zou de vereiste afweging reeds op voorhand hebben gemaakt en daarop niet terug mogen komen.

3.9. Uitgaand van de feitelijke uitleg die het hof in de eerste volzin van rov. 3.6 aan de overeenkomst heeft gegeven, is mij inderdaad niet duidelijk waarom de Staat, voor wat de doorgifte van de informatie aan de B.V.D. betreft, een beroep kan doen op de nietigheid van de overeenkomst wegens strijdigheid met art. 22 Wiv. Het hof heeft niet vastgesteld dat de afweging door het O.M. die volgens het hof moet plaatsvinden (tussen het belang van bescherming van eisers veiligheid en het belang dat de B.V.D. heeft bij het doorgeleiden van de informatie; zie rov. 4.4) niet op voorhand - d.w.z. voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met eiser - kan plaatsvinden en in de overeenkomst zijn beslag kan krijgen. Ook in dit opzicht vertoont 's hofs oordeel dus een lacune. Mijn slotsom is, dat het bestreden arrest v.w.b. de toelaatbaarheid van de doorgifte van de informatie aan de B.V.D. niet in stand kan blijven en dat de genoemde punten na verwijzing alsnog moeten worden onderzocht.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Rov. 1 verwijst naar de feitenvaststelling in het vonnis in eerste aanleg. Aangezien het geschil voortbouwt op beslissingen die het gerechtshof te Amsterdam op 17 april 2001 in de strafzaak heeft genomen en de vastgestelde feiten zonder deze contekst niet goed te begrijpen zijn, heb ik enkele aan de strafzaak ontleende feiten toegevoegd.

2 Kamerstukken II 1998/99, 26 269, nr. 5, blz. 197.

3 Uit het rapport van de commissie Kalsbeek blijkt dat de commissie (vertrouwelijk) kennis heeft genomen van de onder 1.1.2 bedoelde overeenkomst. Dit volgt ook uit de brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer d.d. 23 april 2001 (prod. 11 CvE). Eisers naam wordt in het rapport van de commissie Kalsbeek niet genoemd.

4 Handelingen II 29 juni 1999, blz. 94-5404-5456, i.h.b. blz. 3438-3441.

5 Zie rov. 2.6 van het arrest van 17 april 2001. Uit prod. 13 CvE blijkt dat eiser op 11 juni 1999 zelfs met name wordt genoemd in een landelijk dagblad.

6 Handelingen II 1999/2000, aanhangsel, blz. 180; Handelingen II 1999/2000, 26 269, nr. 16, blz. 2.

7 Blijkens het arrest van 17 april 2001 is in de strafzaak als verweer o.m. aangevoerd dat eiser in een val zou zijn gelopen die (mede) door de B.V.D. zou zijn opgezet.

8 Tegen dit arrest heeft de advocaat-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 2 juli 2002 (nr. 01439/01) heeft de Hoge Raad het arrest van 17 april 2001 vernietigd en de strafzaak verwezen naar het hof te Den Haag.

9 Het hof had in rov. 3.2 overwogen dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat op 2 juli 1999, dus ná het Kamerdebat van 29 juni 1999, nog een gesprek tussen OvJ Teeven en eiser had plaatsgevonden en een afspraak was gemaakt voor een volgend gesprek op 26 september 1999.

10 Een schriftelijke weergave van het interview is door de Staat in het geding gebracht bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg.

11 Prod. 11 CvE.

12 In eerste aanleg had eiser naast de Staat ook de minister van Justitie, de minister van Binnenlandse Zaken en de voorzitter van het College van procureurs-generaal gedagvaard. In zijn vordering tegen deze autoriteiten is eiser door de president niet-ontvankelijk verklaard. In hoger beroep en cassatie is uitsluitend de vordering tegen de Staat aan de orde.

13 Zie voor dit laatste de meergenoemde brief van 23 april 2001 (prod. 11 CvE), blz. 1.

14 NEV, Kamerstukken II 1979/80, 14 225, nr. 12, blz. 1-2.

15 De bepaling was destijds opgenomen in art. 89. De tekst sprak van "inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang en de zekerheid van het Rijk, de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddelen". Later is de bepaling neergelegd art. 104 lid 2 en zijn de woorden "belang en zekerheid van het Rijk" etc. vervangen door: "het belang van de staat".

16 J.T. Buys, De Grondwet, I (1883), blz. 477.

17 Met het wegzenden van de minister heeft de Kamer de verlangde informatie nog niet in handen. Een nieuw aangetreden bewindsman zal zelf moeten beoordelen of de gevraagde inlichtingen zullen worden verstrekt: MvA, Kamerstukken II 1985/86, 19 014 (R 1284), nr. 5, blz. 4.

18 Vgl. C.R. Niessen, Het (individuele) vragenrecht van de leden van de Staten-Generaal, in: J.B.J.M. ten Berge e.a. (red.), De Grondwet als voorwerp van aanhoudende zorg (Burkens-bundel), 1995, blz. 269 e.v., i.h.b. blz. 271-272.

19 Kamerstukken II 1976/77, 14 225 (R 1051), nr. 3, blz. 5. Zie ook de MvA I, Kamerstukken I 1979/80, 14 225, blz. 1 en 2. In tweede lezing is de hier voorgestelde Grondwetswijziging door de Eerste Kamer om thans niet ter zake doende redenen verworpen.

20 MvA, Kamerstukken II 1985/86, 19 014 (R 1284), nr. 5, blz. 3.

21 Aldus Van der Pot-Donner, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, bew. L. Prakke, J.L. de Reede en G.J.M. van Wissen (2001), blz. 648. Zie voorts: J.A. van Schagen, De Tweede Kamer der Staten-Generaal, diss. 1994, blz. 238-244; C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht (2001), blz. 306-309; A.K. Koekkoek (red.), de Grondwet (2000), blz. 371-373.

22 ARRvS 5 december 1986, AB 1987, 525 m.nt. Het voorval wordt o.m. beschreven door C.R. Niessen in de reeds aangehaalde Burkens-bundel, 1995, blz. 276-277, door A.A.L. Beers in Recht doen door Wetgeving (Hirsch Ballinbundel), 1990, blz. 377-379 en door J.A. van Schagen, diss. 1994, blz. 243-244.

23 O.m. in de MvA op de nieuwe Wet openbaarheid van bestuur, Kamerstukken II 1987/88, 19 859, nr. 6, blz. 12. Zonder motivering wordt in M.C. Burkens, H.R.B.M. Kummeling, B.P. Vermeulen en R.J.G.M. Widdershoven, Beginselen van de democratische rechtsstaat, 1997, blz. 226, noot 83, het criterium "belang van de staat" wel aan de weigeringsgronden van de Wob verbonden.

24 L.J.A. Damen, noot bij ABRS 12 september 2001, AA 2002, blz. 282 e.v.

25 Vgl. art. 18 Wet op de Parlementaire Enquête.

26 De notitie, blz. 11-12, noemt als enig voorbeeld het thans bestreden arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Dat vind ik een ongelukkig voorbeeld, niet alleen omdat dat arrest nog niet onherroepelijk is, maar vooral omdat de discussie dan wordt vertroebeld door de vraag of het parlement zich de handen moet laten binden door afspraken met "criminelen". Beter ware m.i. het voorbeeld dat de Nederlandse regering door tussenkomst van een buitenlandse regering over informatie beschikt die zó geheim is dat zij ingevolge afspraak met die buitenlandse regering zelfs niet vertrouwelijk (aan het parlement) mag worden bekendgemaakt. Een ander voorbeeld zijn de geheime processen-verbaal in de I.R.T.-affaire: zie Kamerstukken II 1993/94, 23 593, nr. 6, blz. 2.

27 Nota n.a.v. het nader verslag, Kamerstukken II 2000/01, 25 877, nr. 14, blz. 13.

28 Kamerstukken I, 2001/02, 25 877, nr. 58a, blz. 3; zie ook blz. 12. In de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer is door diverse sprekers hierop gereageerd (Handelingen I, 5 februari 2002, blz. 18/905 - 948. Voor de behandeling van dit cassatieberoep is het niet nodig op dit debat in te gaan.

29 Overgelegd bij pleidooi in hoger beroep. Zie ook: H.R.B.M. Kummeling, Relatieve geheimhoudingsplichten, inaugurele rede 1997, blz. 8-15.

30 Kummeling wijst in dit verband op HR 18 nov. 1988, AB 1989, 185 m.nt. FHvdB, dat betrekking heeft op een andere constitutionele bepaling.

31 Vgl. art. 42, 81 en 125 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer.

32 Vastgesteld door het College van procureurs-generaal op 13 maart 1997, i.w.tr. 1 april 1997, Stcrt. 1997 nr. 61. Inmiddels is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel aanhangig teneinde dit onderwerp wettelijk te regelen: Kamerstukken II 1998/99, 26 294, nr. 2.

33 HR 6 april 1999, NJ 1999, 565 m.nt. Sch, rov. 5.2.2.

34 In de MvGr blz. 5 is met zoveel woorden een beroep gedaan op art. 3:40 BW.

35 Zie de noot van Hijma punt 5; V. van den Brink, De rechtshandeling in strijd met de goede zeden, diss. 2002, blz. 24-27.

36 Zie o.m. HR 26 september 1986, NJ 1987, 253 m.nt. MS; HR 31 mei 1991, NJ 1993, 112 m.nt. CJHB en (speciaal m.b.t. het handelen van een officier van justitie) HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. CJHB en C.

37 In het debat is onderbelicht gebleven dat deze rechtsplicht van de Staat ook een mensenrechtelijke basis heeft: zie EHRM 28 oktober 1998, NJ 2000, 134 m.nt. EAA, rov. 115.

38 S.t. onder 43. Zie o.m. A. Beijer, Bedreigde getuigen in het strafproces, 1997; P.J.P. Tak, De kroongetuige, 1993; E. Manunza en B.J. Koops, DD 1998, blz. 768 e.v. Een bedreigde getuige (zie art. 136c en art. 226a e.v. Sv) is overigens niet hetzelfde als een tipgever of informant. Zie over de laatste categorie laatstelijk: M. van Stratum, Criminele inlichtingen en het recht op kennisneming, DD 2001 blz. 174-191.

39 Kamerstukken II 1981/82, 17 363, nr. 3, blz. 13 (art. 22 was toen nog genummerd 25).

40 Zie voor een korte introductie tot deze wet: A. Kors, AA 1988, blz. 555-561; W.J. van Eijkern in: Handhaving van de rechtsorde (Mulder-bundel), 1988, blz. 21-35. Zie ook het NJCM-commentaar, NJCM-bulletin 1985, blz. 494-509.

41 Zie ook de NEV op het voorstel van Wet politieregisters, Kamerstukken II 1988/89, 19 589, nr. 11, blz. 21, waarin wordt gesproken van een in art. 22, tweede lid, Wiv neergelegde verplichting van politieambtenaren om gegevens aan een inlichtingen- of veiligheidsdienst te verstrekken. Zie thans art. 15 lid 2 Wet politieregisters.

42 Wet van 7 februari 2002, Stb. 148; i.w.tr. 29 mei 2002, zie KB 9 april 2002, Stb. 196.

43 Kamerstukken II 1997/98, 25 877, nr. 3, blz. 75.

44 Het hof verwijst naar hoofdstuk VI van de Wiv (1987). Zie thans hoofdstuk 7 (art. 85 e.v.) van de Wiv 2002.

45 Zie de s.t. zijdens eiser onder 56.