Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AF0203

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
R01/081HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AF0203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 701
NJ 2003, 230
JWB 2002/477
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. R01/081 HR (Antillenzaak)

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 1 november 2002

Conclusie inzake:

[Eiser] en 213 anderen

tegen

De Nederlandse Antillen

1. Inleiding

1.1 Deze zaak betreft een vervolg op HR 24 november 2000, NJ 2001, 376 m.nt. PJB. Voor een beschrijving van het materiële geschil tussen partijen kan kortheidshalve worden verwezen naar dat arrest en de daarbij behorende conclusies van de plv. P-G Mok inzake het eerdere cassatieberoep van thans eisers tot cassatie, [eiser] c.s., onder nr. R99/035HR en het gelijktijdige cassatieberoep van thans verweerder in cassatie, het Land, onder nr. R99/040HR. Voorzover in de onderhavige zaak nog van belang, ging het om het volgende(1).

1.2 Artikel 5 van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen draagt de regeling van de toelating en uitzetting van Nederlanders als bedoeld in artikel 3, lid 1 aanhef en onder f, van het Statuut, op aan de wetgever. Hieraan is uitvoering gegeven in de Landsverordening houdende regeling van de toelating tot en uitzetting uit de Nederlandse Antillen (LTU) van 24 april 1962 (P.B. 1966, 17, zoals gewijzigd, laatstelijk P.B. 1997, 237).

1.3 Bij inleidend verzoekschrift op verkorte termijn van 5 november 1997 hebben [eiser] c.s. het Gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao, verzocht - na wijziging van eis - voor recht te verklaren dat artikel 1 LTU een ontoelaatbaar discriminatoir onderscheid maakt tussen in de Nederlandse Antillen geboren Nederlanders (en daarmee gelijkgestelden) enerzijds en andere Nederlanders anderzijds en dat bedoeld artikel derhalve op dit punt onverbindend is jegens hen, althans jegens eisers [appellant 2] en/of [appellante 1].

1.4 [Eiser] c.s. hebben zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de 'andere Nederlanders' ten onrechte worden achtergesteld ten opzichte van Antillianen en hebben daarbij toen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3-5 LTU, in het bijzonder aandacht gevraagd voor de volgende drie subgroepen:

a. "andere Nederlanders" die in Aruba zijn geboren;

b. "andere Nederlanders" die Nederlander zijn geworden door naturalisatie terwijl zij ingezetenen waren van de Nederlandse Antillen (althans geen banden met Nederland of Aruba hadden), zonder dat de naturalisatie geschiedde na onafgebroken verblijf in de Nederlandse Antillen van langer dan tien jaar (vgl. art. 3, eerste lid, onder h, LTU);

c. "andere Nederlanders" die langer dan tien jaar onafgebroken in de Nederlandse Antillen zijn toegelaten geweest, maar vervolgens tenminste drie jaar onafgebroken daarbuiten hebben verbleven, anders dan voor studie of geneeskundige behandeling (vgl. art. 3, eerste lid, onder f, en art. 5, onder b, LTU).

1.5 Het Land heeft verzocht [eiser] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen.

1.6 Bij vonnis van 16 maart 1998 heeft het Gerecht in eerste aanleg de vordering van [appellant 2] en [appellante 1] afgewezen en de overige verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.

1.7 Van dit vonnis zijn [eiser] c.s. in hoger beroep gekomen. Bij vonnis van 24 november 1998 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba het bestreden vonnis vernietigd en voor recht verklaard:

1) dat de LTU, met uitzondering van de artikelen 22 tot en met 25, tevens niet van toepassing is op personen die de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen door naturalisatie terwijl zij woonachtig waren in de Nederlandse Antillen;

2) dat onverminderd hetgeen in rov. 3.38 is overwogen, de LTU, zoals deze thans luidt, met uitzondering van de artikelen 22 tot en met 25, tevens niet van toepassing is op personen die als Nederlander van rechtswege of krachtens vergunning gedurende langer dan tien jaar onafgebroken in de Nederlandse Antillen zijn toegelaten geweest.

Het meer of anders gevorderde heeft het Gemeenschappelijk Hof afgewezen.

1.8 In zijn vonnis heeft het Gemeenschappelijk Hof in rechtsoverweging 3.4 (slot) vastgesteld dat door het grote aantal appellanten aannemelijk was dat elk van de door [eiser] c.s. genoemde subgroepen in de onderhavige procedure vertegenwoordigd was. Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 3.9 van dit vonnis geoordeeld als volgt:

"Appellanten menen dat de in de LTU opgenomen beperkingen strijdig zijn met de mensenrechtenverdragen en dientengevolge buiten toepassing dienen te blijven. In de eerste plaats doen zij een beroep op de bewegingsvrijheid ("the right to liberty of movement and freedom to choose his residence") binnen het grondgebied van een Staat ("within the territory of a State") en het recht zijn eigen land in te komen ("the right to enter his own country" onderscheidenlijk "the right to enter the territory of the State of which he is a national"). Dit beroep faalt. Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat staatsrechtelijk uit meerdere landen. In de context van bedoelde rechten gelden de grondgebieden van deze landen als afzonderlijk grondgebied. Ten aanzien van artikel 2 en artikel 3, tweede lid, van Protocol nr. 4 bij het (Europese) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is dit uitdrukkelijk bepaald in artikel 5, vierde lid, van dit protocol; zie ook artikel 2 van de goedkeuringsrijkswet van 10 maart 1982 (Stb. 1982, 89) en de Nederlandse verklaring ter gelegenheid van de bekrachtiging van het protocol (Trb. 1982, 102, p. 3). Ten aanzien van artikel 12 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is het Koninkrijk der Nederlanden overgegaan tot voorbehouden en verklaring in die zin (Trb. 1978, 177, p. 37-39). De Koninkrijksregering wenste buiten twijfel te stellen dat artikel 12 IVBPR niet meebrengt dat rechtmatig verblijf in het ene land van het Koninkrijk recht zou geven op toegang tot het andere (a.w. p. 40)."

1.9 Het Gemeenschappelijk Hof heeft daarop geoordeeld dat het in de LTU gemaakte onderscheid tussen Antillianen en 'andere Nederlanders' in zijn algemeenheid géén verboden discriminatie oplevert als bedoeld in het IVBPR, het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESC) en het EVRM (rov. 3.11-3.20). Volgens het hof was evenwel niet uitgesloten dat ten aanzien van bepaalde subgroepen van de 'andere Nederlanders', wegens bijzondere omstandigheden waarin zij verkeren, moest worden gezegd dat de proportionaliteit tussen doel en middelen wel ontbrak (rov. 3.23). Na een uitvoerige bestudering van de diverse subgroepen van 'andere Nederlanders' (rov. 3.25-3.39) kwam het Gemeenschappelijk Hof tot de slotsom dat de grieven van [eiser] c.s. deels slaagden:

"De in de Nederlandse Antillen genaturaliseerden en - bij gebreke van een aanvaardbare regeling als bedoeld in rechtsoverweging 3.38 - ook de Nederlanders die langer dan tien jaar legaal woonachtig zijn geweest in de Nederlandse Antillen behoren gelijk behandeld te worden met Antillianen." (rov. 3.40)

1.10 Beide partijen zijn van dit vonnis in cassatie gekomen. In zijn eerdergenoemd arrest heeft de Hoge Raad deze cassatieberoepen - achtereenvolgens - in één uitspraak behandeld. In de zaak R99/035 heeft de Hoge Raad het beroep van [eiser] c.s. verworpen. In de zaak R99/040 is het bestreden vonnis vernietigd en het geding naar het Gemeenschappelijk Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

1.11 Naar het oordeel van de Hoge Raad had het Land terecht geklaagd (onderdelen 1 en 2) dat het Gemeenschappelijk Hof met zijn oordeel in rechtsoverweging 3.4 het beroep van het Land op niet-ontvankelijkheid had verworpen op grond van een ontoereikende motivering, nu met uitzondering van die van partij [appellante 1] de noodzakelijke specifieke gegevens ontbraken die nodig zijn om vast te stellen dat [eiser] c.s. tot één van de subgroepen behoren (rov. 5.2).

1.12 De klacht van het Land (onderdeel 3), dat het hof in de rechtsoverwegingen 3.29-3.31 van zijn vonnis de inhoud van artikel 1 LTU had gewijzigd en daarmee is getreden in hetgeen is voorbehouden aan de wetgever, heeft de Hoge Raad afgewezen (rov. 5.3). De aangevallen overwegingen en het dictum van het hof moeten naar het oordeel van de Hoge Raad aldus worden verstaan dat het hof de vordering van [eiser] c.s. voorzover deze is ingesteld door degenen die door het hof in zijn overwegingen en dictum zijn aangeduid, heeft toegewezen in dier voege dat het ten aanzien van hen de bepalingen van de LTU die naar het oordeel van het hof verdragsrechtelijk verboden discriminatie opleveren, buiten toepassing heeft gelaten. Aldus oordelend is het hof volgens de Hoge Raad binnen de grenzen van zijn rechterlijke taak gebleven en heeft het voorzien in de gevraagde effectieve rechtsbescherming overeenkomstig de, ook voor het Land klaarblijkelijk duidelijke, strekking van de vordering.

1.13 In rechtsoverweging 3.36 van zijn vonnis had het Gemeenschappelijk Hof geoordeeld dat voor een persoon die als Nederlander langer dan tien jaar legaal in de Nederlandse Antillen heeft gewoond de Nederlandse Antillen geldt als "the territory of the State of which he is a national" (art. 3, tweede lid, Protocol nr. 4 EVRM) onderscheidenlijk als "his own country" (art. 12, vierde lid, IVBPR)(2). De daartegen gerichte onderdelen 4 en 5 heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4 als volgt afgewezen:

"Voor zover het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd op art. 3, tweede lid, Protocol no. 4 EVRM is dat oordeel onjuist. Het Hof heeft immers miskend dat het Koninkrijk der Nederlanden de mogelijkheid heeft opengehouden dat voor toepassing van artikel 3 van Protocol no. 4 bij wettelijke regeling onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlanders naar gelang zij behoren tot Nederland of de Nederlandse Antillen. Dit onderscheid is gerechtvaardigd, nu voor de toepassing van de artikelen 2 en 3 van het Protocol Nederland en de Nederlandse Antillen als afzonderlijke gebieden worden aangemerkt.

Ook ten aanzien van art. 12 lid 4 IVBPR heeft het Koninkrijk der Nederlanden het voorbehoud gemaakt dat Nederland en de Nederlandse Antillen voor toepassing van deze bepaling worden beschouwd als "separate countries" (Trb. 1978, nr. 177). Daarmee is echter niet onverenigbaar dat de Nederlandse Antillen voor een aantal van de personen in het onderhavige geding heeft te gelden als hun "own country". De normale betekenis van de bewoordingen van deze bepaling wijst erop dat de daaraan te ontlenen bescherming betrekking heeft op een grotere categorie van personen dan alléén de "nationals" of "citizens" van de betrokken staat. De in overeenstemming hiermee door het Hof, blijkens zijn oordeel dat tussen de Nederlandse Antillen en "andere Nederlanders" die daar gedurende meer dan tien jaar onafgebroken legaal hebben gewoond, sprake is van een zodanig sterke band dat dit land ten opzichte van hen moet worden aangemerkt als "own country" in de zin van art. 12 lid 4 IVBPR, aan deze bepaling gegeven uitleg getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Uitgaande van de aan laatstvermelde bepaling te ontlenen bescherming heeft het Hof geoordeeld dat het onaanvaardbaar is dat het recht op terugkeer voor de hier bedoelde personen in alle gevallen reeds na een verblijf van drie jaar buiten de Nederlandse Antillen verloren gaat. Het Hof heeft uitdrukkelijk (rov. 3.38) in het midden gelaten onder welke, wettelijk te bepalen, omstandigheden wel aanvaardbaar is dat "de Nederlandse Antillen niet langer geacht worden als eigen land voor deze groep te gelden". Met dit een en ander heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de LTU alleen buiten toepassing dient te blijven voor diegenen van de in dit geding betrokken personen die de voormelde aantoonbare sterke band met de Nederlandse Antillen hebben behouden. Aldus verstaan geeft het oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting."

1.14 Ten slotte heeft de Hoge Raad bij de bespreking van de klacht van het Land dat het Gemeenschappelijk Hof zijn in het dictum neergelegde beslissing in de vorm van verklaringen voor recht had gesteld in te algemene bewoordingen (onderdeel 7), overwogen dat - naar volgde uit de gegrondheid van de onderdelen 1 en 2 - het hof had verzuimd in het dictum van zijn vonnis met voldoende nauwkeurigheid aan te geven ten opzichte van wie het gevorderde (gedeeltelijk) wordt toe- dan wel afgewezen.

1.15 Na verwijzing hebben [eiser] c.s. een conclusie na cassatie genomen en het Land gelijktijdig een memorie na cassatie.

1.16 [Eiser] c.s. hebben in hun conclusie allereerst betoogd dat de onnauwkeurigheid, waar de Hoge Raad op doelt, door het Gemeenschappelijk Hof op eenvoudige wijze kon worden weggenomen door de verwijzing naar rechtsoverweging 3.38 uit het dictum van zijn eerste vonnis te verwijderen (onder 1-5). Vervolgens hebben [eiser] c.s. ten behoeve van de eisers [appellant 2] en [appellante 1] bewijsstukken overgelegd, waaruit hun subgroep zou blijken, en hebben zij nog twee eisers aangeduid, te weten [appellant 3] en [appellant 4] (onder 6-7). Ten slotte hebben [eiser] c.s. opgemerkt dat er sprake is van een "kennelijke misvatting" in rechtsoverweging 4.2 van het arrest van de Hoge Raad. In deze rechtsoverweging heeft de Hoge Raad in de zaak R99/035 onderdeel B van hun eerste middel, dat was gericht tegen rechtsoverweging 3.9 van het vonnis, verworpen op de gronden vermeld in de punten 3.2.2.1-3.2.4.5 van de conclusie van plv. P-G Mok. [Eiser] c.s. hebben uitvoerig betoogd (onder 8-12) dat aldaar werd miskend - kort gezegd - dat de federale staatsvorm van het Koninkrijk der Nederlanden, in samenhang met artikel 50 IVBPR(3), met zich brengt dat, in tegenstelling tot hetgeen de plv. P-G Mok t.a.p. betoogt, artikel 19 onder a en/of c van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht(4) de door het Koninkrijk - bij de bepalingen in artikel 12 leden 1, 2 en 4 IVBPR - gemaakte voorbehouden niet toestaat. Volgens [eiser] c.s. is het IVBPR om die reden dan ook integraal en gelijkelijk van toepassing op alle Nederlanders, ongeacht in welk deel van de federatie zij zijn geboren.

1.17 Bij vonnis van 24 april 2001 heeft het Gemeenschappelijk Hof, rechtdoende na cassatie, het vonnis waarvan beroep vernietigd en heeft het - samengevat - de gevraagde verklaring voor recht op de vordering van appellante [appellante 1] afgegeven, de vorderingen van appellanten [appellant 2], [appellant 3] en [appellant 4] afgewezen en de overige appellanten in hun vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Ten overvloede heeft het hof nog opgemerkt (rov. 3.12) dat de toelating van Nederlanders waarop de LTU van toepassing is naar verwachting op korte termijn zou worden versoepeld en dat de regering doende was maatregelen te treffen ter verwezenlijking van de toelating van rechtswege van Arubaanse en Europese Nederlanders tot de Nederlandse Antillen(5).

1.18 [Eiser] c.s. hebben tijdig(6) beroep in cassatie ingesteld. Het Land heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna [eiser] c.s. hebben gerepliceerd en het Land heeft gedupliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel richt een rechtsklacht en een (subsidiaire) motiveringsklacht tegen rechtsoverweging 3.1 van het thans bestreden vonnis, waarin het Gemeenschappelijk Hof bij de verdere beoordeling van het hoger beroep heeft vooropgesteld dat het de zaak op het appel van [eiser] c.s. nader diende te beoordelen op de door de Hoge Raad aangegeven punten.

De rechtsklacht keert zich in het bijzonder tegen het oordeel van het hof in de tweede volzin, waar het hof als volgt heeft geoordeeld:

"Na cassatie is geen plaats meer voor het wederom ter discussie stellen van reeds besliste kwesties, zoals [eiser] c.s. doen in hun conclusie na cassatie."

2.2 Volgens het middel geeft het Gemeenschappelijk Hof hier blijk van een onjuiste rechtsopvatting over wat in het geding na cassatie nog wel en wat niet meer, al dan niet voor de eerste keer, aan de orde mag worden gesteld. Betoogd wordt dat het hof "specifiek" heeft miskend dat rechtsregels van openbare orde niet alleen na verwijzing alsnog aan de orde mogen worden gesteld, maar dat de rechtsgronden daaruit voortvloeiende, overeenkomstig het bepaalde in artikel 52 RvNA, door het hof zelf hadden behoren te zijn aangevuld.

Een dergelijke regel, aldus de nadere toelichting (onder II en III, blz. 6-42), is - samengevat - de regel dat het Koninkrijk der Nederlanden in het licht van het bepaalde in het Statuut staatsrechtelijk en volkenrechtelijk dient te worden aangemerkt als een 'federatie' als bedoeld in artikel 50 IVBPR(7).

2.3 Volgens de motiveringsklacht is door het buiten beschouwing laten van de door [eiser] c.s. in het geding na cassatie voor het eerst aangehaalde rechtsregels van openbare orde, het bestreden vonnis in zijn geheel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, en is ook het dictum onjuist c.q. onvolledig.

2.4 Het cassatiemiddel stelt allereerst de omvang van de taak van het Gemeenschappelijk Hof aan de orde na vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad. Nu voor de procedure na verwijzing in het Antilliaanse procesrecht niet een uitdrukkelijke regeling is opgenomen(8), kunnen de ter zake in het Nederlandse recht geldende regels, voorzover de aard van de Antilliaanse procedure niet tot afwijking daarvan noopt, als uitgangspunt dienen voor de beoordeling van het middel(9).

2.5 Artikel 424 Rv. dat wat betreft de nummering en de inhoud ongewijzigd in het huidige Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is opgenomen, bepaalt dat de rechter naar wie het geding is verwezen (de verwijzingsrechter) de behandeling daarvan voortzet en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad(10).

2.6 Artikel 424 Rv. geeft niet aan welk onderzoek door de verwijzingsrechter moet worden verricht en welke grenzen aan dat onderzoek zijn gesteld. Deze vragen zijn door rechtspraak en literatuur nader ingevuld(11).

Zo is de verwijzingsrechter bij het beslissen op de punten die na verwijzing nog openliggen, gebonden aan de in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen in de vernietigde uitspraak(12). De in cassatie niet bestreden beslissingen hebben kracht van gewijsde gekregen en kunnen daarom niet opnieuw worden bestreden(13). De in cassatie tevergeefs bestreden beslissingen worden onaantastbaar door het casserende arrest en zijn daarna dan ook onherroepelijk beslecht(14). Een hernieuwde beoordeling levert een overschrijding van de door de Hoge Raad in de vernietigingsuitspraak getrokken grenzen op(15).

2.7 De verwijzingsrechter is ook gebonden aan de uitleg die de Hoge Raad geeft aan de bestreden uitspraak en de daarin neergelegde beslissingen, voorzover deze niet zijn vernietigd. Wanneer de Hoge Raad niet een bepaalde uitleg aan (rechtsoverwegingen uit) de vernietigde beslissing heeft gegeven, dient de verwijzingsrechter dat zelf te doen. Deze uitleg is van feitelijke aard en kan derhalve in cassatie niet op juistheid worden getoetst(16).

2.8 Indien de Hoge Raad klachten buiten behandeling laat, is de verwijzingsrechter niet aan de door deze klachten bestreden beslissingen gebonden(17). Voorts is deze rechter niet gebonden aan beslissingen die op de vernietigde beslissing voortbouwen(18). De vernietiging treft namelijk ook die voortbouwende beslissingen, onverschillig of zij in hetzelfde dan wel in een later vonnis zijn gegeven. Beslissingen die met de tenietgedane beslissing onverbrekelijk samenhangen, delen haar lot(19).

2.9 De vraag in hoeverre de verwijzingsrechter is gebonden aan de beslissingen in de vernietigde uitspraak moet van geval tot geval worden beoordeeld met behulp van uitlegging van de vernietigde uitspraak en van de uitspraak van de Hoge Raad aan de hand van de gegrond bevonden cassatieklachten(20). Deze benadering geldt m.i. ook voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van voortbouwende beslissingen dan wel beslissingen die onverbrekelijk met de vernietigde beslissing samenhangen(21).

2.10 De rechter naar wie de zaak na cassatie wordt verwezen, moet deze berechten in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van de bestreden uitspraak. Naar Nederlands recht geldt dan ook dat vernietiging door de Hoge Raad in beginsel niet ertoe dient om voor de partijen de gelegenheid te scheppen tot een nieuwe instructie van de zaak. De eisen van een goede procesorde kunnen uitzonderingen op dit beginsel meebrengen. Zo brengen deze eisen mee dat partijen, indien zij daarom vragen, worden toegelaten de zaak opnieuw te doen bepleiten ten einde hun visie te geven op de gevolgen van het vernietigde arrest voor de verdere behandeling en beslissing van de zaak.

Volgens de Hoge Raad bestaat er geen grond om voor de procedure na verwijzing naar het Gemeenschappelijk Hof anders te oordelen(22).

2.11 In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het aan partijen voorts toegestaan hun stellingen aan te passen als de verwijzingsuitspraak heeft geleid tot een nieuwe ontwikkeling in het geding waarop de partijen niet eerder hebben kunnen inspelen, of als er sprake is van na de bestreden uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden of gewijzigd recht (rechtspraak / wetgeving)(23). Het beroep op na de vernietigde uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden of feiten die zich nadien hebben voorgedaan, mag slechts worden gedaan indien partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden. De verwijzingsrechter moet feiten en omstandigheden als hiervoor aangeduid mede in zijn beoordeling betrekken(24).

Na verwijzing kunnen de partijen, binnen de door de verwijzingsuitspraak van de Hoge Raad getrokken grenzen en met inachtneming van artikel 134 Rv. oud (thans art. 129 en 130 Rv.), hun eis nog wijzigen(25).

2.12 Daarnaast wordt de verwijzingsrechter geacht ambtshalve rechtsgronden aan te vullen (art. 48 Rv. oud, thans art. 25 Rv.). Ook hier geldt echter: mits de verwijzingsrechter daarbij blijft binnen de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing en het aanvullen niet ten behoeve van een reeds beslist geschilpunt geschiedt. Of zoals A-G Strikwerda het heeft verwoord: de verwijzingsrechter behoort te blijven "binnen de grenzen waarbinnen de rechter vóór cassatie ambtshalve rechtsgronden had kunnen aanvullen, doch dit heeft nagelaten, omdat hij in de door hem gekozen, doch in cassatie onjuist bevonden juridische aanpak van het geschilpunt aan die rechtsregels niet is toegekomen en niet behoefde toe te komen"(26). Zo kan in het geding na verwijzing (nog) ambtshalve worden geoordeeld dat een proceshandeling in strijd is met hetgeen een goede procesorde eist(27).

2.13 Net als de oorspronkelijke appelrechter vóór cassatie(28) zal de verwijzingsrechter bij de verdere behandeling van het appel derhalve in beginsel de (dwingendrechtelijke) bepalingen van openbare orde, dat wil zeggen de rechten en rechtsregels die niet ter vrije beschikking van partijen staan(29), behoren in acht te nemen.

Partijen kunnen in het geding na verwijzing voor het eerst een beroep doen op dergelijke door de verwijzingsrechter ambtshalve toe te passen rechtsregels(30), waarbij echter weer de eis geldt dat de verwijzingsrechter bij zijn beslissing behoort te blijven binnen de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing.

Zo besliste de Hoge Raad in zijn arrest van 3 mei 1963, NJ 1963, 255 in een zaak waar de verwijzingsrechter de door de oorspronkelijke appelrechter 'onaantastbaar' vastgestelde ontvankelijkheid van de appellant in zijn rechtsvordering opnieuw had beoordeeld, dat de verwijzingsrechter zich bij de verdere behandeling van de zaak van een onderzoek op dit punt had moeten onthouden. Vriesendorp(31) heeft uit deze uitspraak afgeleid dat een beslissing omtrent vragen van openbare orde geacht wordt reeds impliciet in de gecasseerde uitspraak te hebben plaatsgevonden, althans daarin 'besloten' te liggen:

"Die vragen zijn niet meer 'open', evenals na een interlocutoir vonnis waartegen partijen zich niet van hoger beroep hebben voorzien (nr. 142). De weg naar art. 48 Rv. - en dus ook naar het aanvullen van recht van openbare orde - is dan voor de rechter gesloten."

2.14 De aard van de Antilliaanse procedure noopt m.i. niet tot afwijking van de hierboven weergegeven regels. Zo nodig zal ook het Gemeenschappelijk Hof als verwijzingsrechter ambtshalve de rechtsgronden, waaronder die van openbare orde, dienen aan te vullen (art. 52 RvNA)(32), mits het hof daarbij binnen de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing blijft.

In dit verband neem ik in aanmerking dat het Antilliaanse procesrecht vooral bij de regeling van de procedure in appel verschillen vertoont met het Nederlandse procesrecht. Anders dan in Nederland(33), behoeft de Antilliaanse appelrechter zich immers - bij afwezigheid van een grievenstelsel - in beginsel niet te beperken tot een onderzoek van de aangevoerde grieven. Daar doet zich niet het geval voor dat ambtshalve vernietiging is uitgesloten(34), op de grond dat het gaat om een voor de appellant gunstige beslissing en vernietiging daarom in strijd zou komen met het beginsel dat het door de appellant zelf ingestelde hoger beroep niet tot een voor hem ongunstiger resultaat mag leiden dan hij in eerste aanleg verkreeg(35).

2.15 In hun eerste cassatieberoep hebben [eiser] c.s. in de zaak R99/035 met onderdeel B van hun eerste middel erover geklaagd dat het Gemeenschappelijk Hof in rechtsoverweging 3.9 van het toen bestreden vonnis blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het hof van oordeel was dat

"in staatsrechtelijke zin het Koninkrijk der Nederlanden uit meerdere landen bestaat die in de context van bedoelde rechten gelden als afzonderlijk grondgebied".

Betoogd werd dat het Koninkrijk wat betreft de verzorging van Koninkrijksaangelegenheden, waaronder de waarborging van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden in de zin van artikel 43 Statuut, één Staat vormt en dat daarmee de verklaringen van het Koninkrijk, die tot gevolg hebben dat de artikelen 2 en 3 van Protocol nr. 4 EVRM alsook artikel 12 IVBPR niet van toepassing zijn op 'andere Nederlanders' in hun betrekking tot de Nederlandse Antillen, in strijd zijn - kort gezegd - met (i) de rechtsorde zoals verankerd in het Statuut en (ii) artikel 14 EVRM en het latere artikel 26 IVBPR. In dit verband werd nog opgemerkt dat dergelijke verklaringen met betrekking tot de provincie Friesland met succes zouden kunnen worden bestreden door niet-Friese Nederlanders door middel van een vordering dat deze verklaringen "voor hen buiten toepassing behoren te worden gelaten".

2.16 In rechtsoverweging 4.2 van zijn arrest van 24 november 2000 heeft de Hoge Raad dit middelonderdeel verworpen op de gronden zoals uiteengezet in de punten 3.2.2.1-3.2.4.5 van de conclusie van plv. P-G Mok.

Onder 3.2.2.2 van deze conclusie werd geoordeeld dat zich hier géén van de in artikel 19 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht(36) genoemde situaties voordoet zodat het - door het Koninkrijk der Nederlanden ten aanzien van artikel 12 leden 1, 2 en 4 IVBPR gemaakte - voorbehoud op grond van dat artikel is toegestaan. Hieraan werd toegevoegd dat de voorbehouden ook in artikel 2 Rijkswet van 24 november 1978 (Stb. 1978, 624) staan. De uitleg die het Gemeenschappelijk Hof aan artikel 12, leden 1 en 4, IVBPR, artikel 2 lid 1 en artikel 3, lid 2 Protocol no. 4 EVRM had gegeven, werd in het licht van de door het Koninkrijk der Nederlanden gemaakte voorbehouden, juist geacht (punt 3.2.4.1).

2.17 Met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de hierboven bedoelde voorbehouden merkte plv. P-G Mok onder punt 3.2.4.2 van zijn conclusie nog het volgende op:

"Niet valt in te zien dat deze voorbehouden in strijd zijn met de rechtsorde als verankerd in het Statuut. In cassatie staat immers vast dat de Nederlandse Antillen krachtens het Statuut bevoegd zijn algemene regels te stellen t.a.v. de toegang van andere Nederlanders. Dit wordt bevestigd door art. 3, lid 1, sub f, Statuut en de officiële toelichting daarop.

Dat art. 43, lid 2, Statuut de waarborging van fundamentele menselijke rechten en vrijheden tot Koninkrijksaangelegenheid maakt doet hier niet aan af. De inhoud van deze fundamentele rechten en vrijheden wordt voor het Koninkrijk der Nederlanden immers bepaald door de voorbehouden die het Koninkrijk bij de bekrachtiging van de verdragen heeft gemaakt. Tot slot merk ik in dit verband op dat, o.g.v. art. 5, lid 1, Statuut io. art. 93, Gw., bepalingen uit verdragen die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden voorrang hebben boven het Statuut."

De vergelijking tussen de Nederlandse Antillen en Friesland ging ook niet op omdat deze de autonomie van de Nederlandse Antillen miskende (zie punt 3.2.4.5).

2.18 Bij zijn beoordeling van het cassatieberoep van het Land in de zaak R99/040 is de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4 van het arrest- hierboven onder 1.13 weergegeven - uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de bij artikel 12 IVBPR gemaakte voorbehouden.

2.19 Gelet op het voorgaande was het Gemeenschappelijk Hof na verwijzing niet meer bevoegd om in te gaan op de nieuwe stelling van [eiser] c.s. dat het door het Koninkrijk der Nederlanden gemaakte voorbehoud bij artikel 12 leden 1, 2 en 4 IVBPR strijdig zou zijn met het bepaalde in artikel 50 IVBPR(37). De rechtsgeldigheid van het hier bedoelde voorbehoud was in cassatie bij de beoordeling van onderdeel B van hun eerste cassatiemiddel uitvoerig onder ogen gezien, waarbij is vastgesteld dat hier zich géén van de in artikel 19 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht genoemde situaties voordoen zodat het voorbehoud op grond van dat artikel was toegestaan.

2.20 Ook als moet worden aangenomen dat artikel 50 IVBPR in verbinding met artikel 19 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht heeft te gelden als een rechtsregel van openbare orde(38), dan had het Gemeenschappelijk Hof niet opnieuw, ook niet ambtshalve en zelfs niet met eventuele bewilliging van partijen(39), mogen onderzoeken of de verbodsbepaling zoals neergelegd in artikel 50 IVBPR aan het gemaakte voorbehoud in de weg zou (kunnen) staan. Binnen de door de Hoge Raad in zijn casserend arrest van 24 november 2000 getrokken grenzen lag de rechtsvraag omtrent de rechtsgeldigheid van dat voorbehoud niet meer 'open'.

2.21 Het Gemeenschappelijk Hof heeft m.i. dan ook in het thans bestreden vonnis niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de grenzen van de rechtsstrijd in het geding na cassatie en verwijzing. Als verwijzingsrechter heeft het hof met juistheid in rechtsoverweging 3.1 vooropgesteld dat het de zaak bij de verdere beoordeling van het appel van [eiser] c.s. op de door de Hoge Raad aangegeven punten diende te beoordelen.

2.22 Vervolgens heeft het Gemeenschappelijk Hof terecht geoordeeld dat na cassatie (en verwijzing) geen plaats meer is "voor het wederom ter discussie stellen van reeds besliste kwesties", waarmee het hof - kennelijk - heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat het hof bij het beslissen op de punten die na verwijzing nog openlagen, gebonden was aan de in cassatie tevergeefs bestreden beslissing in rechtsoverweging 3.9 van het vernietigde vonnis en aan de uitleg welke de Hoge Raad - bij monde van plv. P-G Mok - had gegeven aan het toen bestreden vonnis en de daarin neergelegde beslissingen, voorzover die niet waren vernietigd.

De algemene rechtsklacht treft derhalve geen doel.

2.23 De rechtsklacht dat het Gemeenschappelijk Hof in het geding na verwijzing de rechtsregels van openbare orde in het geheel niet, ambtshalve, in zijn beoordeling heeft betrokken, slaagt evenmin nu het hof de na verwijzing gestelde rechtsregels wèl bij de verdere beoordeling van het appel heeft betrokken, doch tot het (juiste) oordeel is gekomen dat deze rechtsregels binnen de door het arrest van de Hoge Raad getrokken grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing niet meer bij zijn beslissing op het hoger beroep van [eiser] c.s. konden worden beoordeeld.

De motiveringsklacht faalt naar mijn mening om dezelfde redenen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie ook rov. 1 en 3.1 van het arrest van de Hoge Raad en de conclusie van plv. P-G Mok in de zaak R99/035 (onder 1 en 2) en in de zaak R99/040 (onder 1).

2 Zie daarvoor ook rechtsoverweging 3.9 van het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof.

3 Art. 50 IVBPR luidt in zijn Nederlandse vertaling: "De bepalingen van dit Verdrag strekken zich uit tot alle delen van federale Staten, zonder enige beperking of uitzondering".

4 Verdrag van 23 mei 1969, Trb. 1977, 169 (herziene versie: Trb. 1985, 79; rectificatie: Trb. 1996, 89).

5 Deze versoepeling zal plaatsvinden met de inwerkingtreding van de Landsverordening van 26 juli 2000 tot wijziging van de LTU (PB 2000, 65). Niet bekend is wanneer de LTU dienovereenkomstig wordt danwel is gewijzigd. Uit de beschikbare versie van JURDOC (2001) volgt dat de bepalingen van bijv. art. 3 en 5 LTU laatstelijk zijn gewijzigd bij Lv. Van 17 juli 1986, PB 1986, 96.

6 Het verzoekschrift tot cassatie is op 21 juni 2001 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De cassatietermijn bedraagt op grond van art. 4 van de Cassatieregeling drie maanden.

7 Zie voor een samenvatting van de stellingen van [eiser] c.s. hun cassatieschriftuur, blz. 31-35 onder U, V en W. De steller van het middel heeft onlangs in de literatuur een vergelijkbaar betoog gehouden: M. Bijkerk, NJB 2002, blz. 944-945 met een reactie van A. van Rijn, NJB 2002, blz. 1464-1465.

8 Art. 9 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba bepaalt slechts dat de verwijzing steeds geschiedt naar het Gemeenschappelijk Hof, dat zoveel mogelijk is samengesteld uit rechters die nog niet over de zaak hebben geoordeeld. In de literatuur heeft M.R.B. Gorsira ervoor gepleit een wettelijke regeling voor de procedure na cassatie op te nemen (TAR 2000, blz. 314). In het huidige wetsontwerp voor nieuw Antilliaans procesrecht ontbreekt een dergelijke regeling.

9 Zie HR 8 februari 1991, NJ 1991, 325. Deze uitspraak is besproken door M.M.M. Tillema en R.P.J.L. Tjittes, TAR 1993, blz. 95.

10 Uitzondering op deze regel vormt de bevoegdheid van de verwijzingsrechter het Hof van Justitie EG vragen te stellen omtrent de uitlegging van Gemeenschapsrecht, waarover de hoogste rechter zich heeft uitgesproken zonder terzake een prejudiciële vraag uit te lokken: HvJ EG 16 januari 1974, NJ 1974, 497 waar de vraag erop neerkwam of het eerder door het Bundesfinanzhof gegeven rechtsoordeel juist was.

11 Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nrs. 155 en 174; B. Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, diss. EUR, Zwolle 1992 en dezelfde, Adv.bl. 2000, blz. 690-694; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Korthals Altes, art. 424, aant. 1; Hugenholtz/Heemskerk (2002), nr. 166; W.D.H. Asser in: Oudelaar/Asser, Rechtsmiddelen, Deventer 2002, blz. 65-66; Winters 2002, (T&C Rv), art. 424, aant. 2-5, allen met verdere gegevens. Zie ook: A-G Huydecoper in zijn conclusie (onder 11-14 en 22-25) vóór HR 3 mei 2002, RvdW 2002, 79 (JOL 2002, 273) en mijn conclusie (onder 3.3-3.7) vóór HR 3 mei 2002, RvdW 2002, 78 (JOL 2002, 270).

12 Zie bijv. HR 22 december 1967, NJ 1968, 222; HR 10 november 1972, NJ 1973, 125; HR 27 januari 1984, NJ 1984, 546 (rov. 3.1); HR 16 december 1988, NJ 1989, 180 (rov. 3.3). Zie hierover recentelijk: A-G Bakels in zijn conclusie (onder 2.2) vóór HR 4 oktober 2002, C01/333HR, JOL 2002, 518.

13 Zie de conclusie van A-G Minkenhof vóór HR 18 maart 1966, NJ 1966, 319.

14 Zie Hugenholtz/Heemskerk (2002), nr. 166; Veegens/Korthals Altes/Groen, nrs. 155 en 174.

15 Zie m.n. HR 8 april 1960, NJ 1960, 262; HR 18 maart 1966, NJ 1966, 319; HR 27 januari 1984, NJ 1984, 546; HR 16 december 1988, NJ 1989, 180. Zie ook Veegens/Korthals Altes/Groen, a.w., blz. 315. Oudelaar/Asser, blz. 65, menen dat hier het beginsel 'lites finiri oportet' geldt, wat meebrengt dat er eens een einde moet komen aan geschillen.

16 Zie recent HR 3 mei 2002, RvdW 2002, 79 rov. 3.2 (JOL 2002, 273) en A-G Huydecoper in zijn conclusie vóór dit arrest (onder 13), met verdere gegevens.

17 Zie HR 27 november 1992, NJ 1993, 287. Zie verder Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Korthals Altes, art. 424, aant. 1 en Winters, a.w., blz. 141 e.v.

18 Zie Winters, t.a.p., blz. 491.

19 Zie Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 155; Winters, a.w., blz. 130-133.

20 Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Korthals Altes, art. 424, aant. 1.

21 Vgl. Oudelaar/Asser, a.w., blz. 65-66; Winters 2002, (T&C Rv), art. 424, aant. 3 onder b.

22 HR 8 februari 1991, NJ 1991, 325 (rov. 3.3).

23 Zie HR 7 februari 1992, NJ 1992, 810 (rov. 3.3) m.nt. HJS; A-G Strikwerda in zijn conclusie (onder 10) vóór HR 13 november 1998, NJ 1999, 173 en A-G Bakels in zijn conclusie (onder 2.2) vóór HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 799 met verdere gegevens. Zie ook bijv. Winters 2002, (T&C Rv), art. 424, aant. 5 onder c.

24 Zie HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 799 (rov. 3.2). Vgl. A-G Huydecoper in zijn conclusie (onder 22-25) vóór HR 3 mei 2002, RvdW 2002, 79 (JOL 2002, 273).

25 Zie HR 15 november 1996, NJ 1998, 314 (rov. 3.1) m.nt. prof. mr. F.W. Grosheide; HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 683 (rov. 3.7) m.nt. JBMV. Zie voorts Hugenholtz/Heemskerk (2002) nr. 166, blz. 187-188; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Korthals Altes, art. 424, aant. 1 met verdere gegevens.

26 Onder 11 van zijn conclusie vóór HR 13 november 1998, NJ 1999, 173. Vgl. A-G Van Oosten in zijn conclusie vóór HR 10 november 1972, NJ 1973, 125. Zie verder Winters, a.w., blz. 109-114 en blz. 181-183; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Korthals Altes, art. 424, aant. 1 en Oudelaar/Asser, a.w., blz. 66.

27 HR 13 november 1998, NJ 1999, 173 (rov. 3.2).

28 Zie ook Winters, a.w., blz. 182. Zie over deze taak van de appelrechter bijv. HR 17 december 1925, NJ 1926, blz. 193 en HR 15 juni 1934, NJ 1934, blz. 1297. Zie verder Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, Deventer 2001, nrs. 56-60; Veegens/Korthals Altes/Groen, nrs. 129-130.

29 Vgl. HR 17 december 1925, NJ 1926, blz. 193 waar als criterium werd gebruikt of het gaat om een vraag waaromtrent partijen 'zich kunnen verstaan'. Volgens Ras/Hammerstein, nr. 60 is dit criterium een bruikbaar uitgangspunt: "De openbare orde regel is toepasselijk als het gaat om rechten en rechtsregels, die niet ter vrije beschikking van partijen staan". Zie in dezelfde zin Vriesendorp, a.w. (1970), nrs. 137-138 met verwijzing naar nrs. 108-109. Zie ook Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 129. Vgl. HR 1 november 1996, NJ 1997, 117 (rov. 2.3) en A-G Koopmans in zijn conclusie (onder 8) die de uitdrukking "ter vrije beschikking van partijen" daar weinig gelukkig achtte.

30 Zie in dezelfde zin Winters, a.w., blz. 183 en noot 3.

31 Zie a.w. (1970), nr. 145, met verwijzing tevens naar Hof Arnhem 27 februari 1951, NJ 1951, 642 waar de appellant/oorspronkelijk verweerder zich voor het eerst na verwijzing beriep op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter terwijl het hof bij de gecasseerde beschikking impliciet die bevoegdheid had aangenomen en appellant daartegen in cassatie niet met vrucht was opgekomen. Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 155; Winters, a.w., blz. 182.

32 Art. 52 RvNA bepaalt dat de rechters bij hun beraadslagingen van ambtswege de rechtsgronden moeten aanvullen welke partijen niet mochten hebben aangevoerd.

33 Zie voor de (twee) beperkingen van de taak van de Nederlandse appelrechter Ras/Hammerstein, nr. 24.

34 Zie bijv. HR 30 juni 2000, NJ 2000, 535 (rov. 3.2) en mijn conclusie vóór dit arrest (onder 2.2).

35 Zie voor dit 'eigen karakter' van het Antilliaanse procesrecht: HR 7 juni 1996, NJ 1996, 583 de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Vranken (onder 14-16); HR 2 februari 2001, NJ 2001, 233 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Bakels (onder 2.2-2.13); HR 10 november 2000, NJ 2001, 301 m.nt. HJS en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Bakels (onder 2.2), met verdere vindplaatsen in de rechtspraak.

36 Art. 19 van het Verdragenverdrag luidt (in vertaling):

"Een Staat kan op het ogenblik van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van een verdrag of toetreding tot een verdrag een voorbehoud maken, tenzij:

a) dit voorbehoud is verboden door het verdrag;

b) het verdrag bepaalt dat slechts bepaalde voorbehouden, waaronder niet het voorbehoud in kwestie, kunnen worden gemaakt; of

c) voorzover het andere gevallen dan omschreven onder a) en b) betreft, het voorbehoud niet verenigbaar is met voorwerp en doel van het verdrag".

37 Zie over deze verbodsbepaling en haar geschiedenis: M. Bossuyt, Guide to the "Travaux Préparatoires" of the International Convenant on Civil and Political Rights, Dordrecht/Boston/Lancaster 1987, blz. 761-767. Zie ook L. Henkin, The International Bill of Rights: The Convenant on Civil and Political Rights, New York 1981, blz. 49-51; M. Nowak, U.N. Convenant on Civil and Political Rights: CCPR Commentary, Arlington 1993, blz. 636-638. Zie over de mogelijkheid tot het maken van voorbehouden bij dit verdrag: L. Lijnzaad, Reservations to UN-Human Rights Treaties: Ratify and Ruin?, diss. UM 1994, blz. 185-297 en blz. 444-445. Voorbehouden die door de verschillende verdragssluitende staten in de loop der jaren zijn gemaakt, staan vermeld op blz. 227 e.v.

38 Zie over het begrip 'openbare orde' en de mensenrechten: Ras/Hammerstein, nr. 59 (viii); Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 129; W.H. Heemskerk in zijn noot onder HR 10 mei 1985, NJ 1986, 5. De Hoge Raad heeft zich in die beschikking over dit punt niet uitgelaten.

39 HR 8 maart 1967, NJ 1967, 198.