Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AF0202

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
R01/072HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AF0202
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 700
JWB 2002/476
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. R01/072HR

Mr Huydecoper

Zitting van 18 oktober 2002

Conclusie inzake

[Verzoeker=eiser]

verzoeker tot cassatie

tegen

Almond Grove Estate N.V.

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) De feiten zijn door het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (hierna: GEA) vastgesteld in rov. 4 van het vonnis in de eerste aanleg van 25 juli 2000. Zij zijn, voorzover in cassatie van belang, als volgt:

2) De verweerster in cassatie, hierna: Almond Grove, wilde van [betrokkene 1], de moeder van de verzoeker tot cassatie ([eiser]), een erfpachtsrecht verkrijgen op een stuk grond. In de contacten die daarover gevoerd zijn schrijft Almond Grove in januari 1981 onder meer: "...[betrokkene 1]'s son shall be given the opportunity until February 28th, 1981, to select a parcel of land of approximately 2400 square meters ... The 2400 square meters selected by [betrokkene 1]'s son will be excluded from the lease between parties."(1).

Het erfpachtsrecht is vervolgens door [betrokkene 1] ten behoeve van Almond Grove gevestigd bij notariële akte van 21 december 1990(2). Bij vonnis van 25 juni 1993 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: het hof) beslist dat tussen [betrokkene 1] en Almond Grove wilsovereenstemming heeft bestaan ter zake van de levering van het erfpachtsrecht en dat de zakelijke overeenkomst waarbij het erfpachtsrecht is gevestigd in stand dient te blijven(3).

3) In de onderhavige procedure vordert [eiser], kort gezegd, nakoming en schadevergoeding in verband met de verplichting die volgens hem, [eiser], in de brief waarin de zojuist in alinea 2 geciteerde passages voorkomen, door Almond Grove zou zijn aanvaard.

4) Het GEA heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen. Het heeft daarbij overwogen dat voorzover [eiser] al een vorderingsrecht zou hebben gehad, dit recht door tijdsverloop is verstreken, omdat gesteld noch gebleken is dat [eiser] voor 28 februari 1981 een stuk grond heeft uitgekozen. Het hof heeft die beslissing bekrachtigd. De beslissing van het hof berust vooral op de volgende overweging:

"5.1 Het Hof is van oordeel dat het GEA op juiste gronden heeft overwogen dat voor zover [eiser] al een vorderingsrecht zou hebben gehad, dit vorderingsrecht door tijdsverloop is verstreken. [Eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij een perceel grond heeft uitgekozen en dat hij zijn keuze binnen de voorgeschreven termijn aan Almond N.V. heeft kenbaar gemaakt, maar hij heeft deze stelling niet, althans onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Zo heeft hij - hoewel dat op zijn weg zou hebben gelegen - verzuimd aan te geven op welk perceel zijn keuze was gevallen en wanneer en op welke wijze hij zijn keuze aan Almond N.V. heeft kenbaar gemaakt. Gelet op het vorenstaande is de vordering van [eiser] in het licht van het daartegen gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd en moet daarom worden afgewezen. Voor het door [eiser] in algemene bewoordingen aangeboden bewijs dat hij zijn keuze tijdig kenbaar heeft gemaakt is dan ook geen plaats. Evenmin is onder deze omstandigheden plaats voor de door [eiser] verzochte schikkingscomparitie."

Dat oordeel wordt namens [eiser] in het (tijdig en regelmatig ingestelde) cassatieberoep bestreden. Almond Grove heeft bij verweerschrift het cassatieberoep weersproken. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Namens [eiser] is summier gerepliceerd.

Bespreking van het middel

5) De in het middel aangevoerde argumenten strekken er vooral toe dat [eiser] wèl stellingen zou hebben ingebracht die inhielden dat hij (percelen) grond heeft uitgekozen, althans dat er producties zijn overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat [eiser] dat heeft gedaan (en dat Almond Grove ook erkende dat dat was gebeurd). Mogelijk bedoelt het middel ook te stellen dat namens [eiser] was aangevoerd (of met producties aannemelijk was gemaakt) dat de bedoelde keuze binnen de "voorgeschreven termijn" was gedaan en aan Almond Grove kenbaar was gemaakt.

6) Het middel faalt al daarom, omdat de zojuist bedoelde argumenten feitelijke grondslag missen. Uit de stukken waarnaar het middel verwijst valt eenvoudigweg niet op te maken dat [eiser] een keuze heeft bepaald zoals de in alinea 2 hiervóór bedoelde brief uit januari 1981 die op het oog heeft, en a fortiori niet dat [eiser] dat "binnen de voorgeschreven termijn" zou hebben gedaan, of dat aan Almond Grove kenbaar zou hebben gemaakt. De klachten die ertoe strekken dat onbegrijpelijk is dat het hof deze stukken niet zo heeft opgevat als de steller van het middel wil, zijn dus niet doeltreffend.

Uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de rechter(s) van de feitelijke instanties(4), maar kan in cassatie op begrijpelijkheid worden getoetst. In dit geval zou een uitleg van de stukken in de zin die [eiser] nu in cassatie verdedigt, misschien wel onbegrijpelijk zijn geweest - de uitleg in de tegengestelde zin is dat in elk geval niet.

7) De stukken waarnaar het middel verwijst roepen het beeld op, dat tussen partijen (en ook [betrokkene 1]) in de loop van de jaren 1994 - 1996 contacten hebben plaatsgehad met het oog op minnelijke beëindiging van de geschillen waarvan er één in deze procedure wordt uitgestreden; en dat in het kader van die contacten sprake is geweest van door [eiser] (naar in de rede ligt: toen) uitgekozen of alsnog uit te kiezen percelen. Klaarblijkelijk, en alleszins begrijpelijk, zal het hof ervan uit zijn gegaan dat [eiser] niet heeft bedoeld te stellen dat de keuze van een perceel omstreeks 1994 (of nog later), nog beantwoordde aan de termijn die in de brief van 1981 wordt genoemd (en dat, mocht [eiser] dat wèl staande willen houden, die stelling bij uitstek onaannemelijk was). Het een en ander hoefde het hof niet in de motivering van het vonnis tot uitdrukking te brengen, al was het maar omdat [eiser] zich niet expliciet op de zojuist in veronderstellende vorm weergegeven stellingen had beroepen.

8) Het hof kon daarom zonder in zijn motiveringsplicht tekort te schieten oordelen, dat door [eiser] niet (voldoende onderbouwd) was gesteld dat hij - binnen de relevante termijn - een keuze had gemaakt en daarvan aan Almond Grove kennis had gegeven; wat noodzakelijkerwijs meebrengt dat bewijs van de desbetreffende stellingen niet (meer) in aanmerking komt(5). De klacht uit middelonderdeel 4.5 met betrekking tot [eiser]' bewijsaanbod mist (al) daarom doel. Overigens was het bewijsaanbod(6) dat [eiser] had gedaan bij uitstek vaag en ongesubstantieerd, zodat het hof daaraan ook had kunnen voorbijgaan als het wèl betrekking zou hebben gehad op voldoende onderbouwde stellingen(7).

9) Ik meen er goed aan te doen nog te vermelden dat het middel in onderdelen 4.2 en 4.3 tot uitgangspunt neemt dat de in alinea 3 hiervóór bedoelde verplichting tussen partijen als vaststaand zou gelden. Ook dat uitgangspunt mist feitelijke grondslag. Almond Grove heeft omstandig betwist dat de betreffende verplichting zou bestaan. In appel heeft het hof dat in het midden gelaten.

10) Ten overvloede gelde nog dat ik in de processtukken geen uitlatingen van de kant van [eiser] heb aangetroffen, die kunnen worden begrepen als stellingen van de in alinea 5 hiervóór omschreven strekking. Uit de in onderdeel 4.4 aangeduide gedeelten van de Memorie van Grieven en de pleitnota in appel kunnen dergelijke stellingen ook bij welwillende lezing niet worden afgeleid.

Het middel doet er, nog steeds in onderdeel 4.4, dan ook mede een beroep op dat het hof gegevens die (volgens de steller van het middel - zie voor mijn opvatting alinea's 6 en 7 hiervóór) her en der in namens [eiser] overgelegde producties aangetroffen zouden kunnen worden, had moeten onderzoeken om te beoordelen of daaraan niet gronden voor de door [eiser] ingestelde vordering konden worden ontleend.

11) Zoals namens Almond Grove bij schriftelijke toelichting is aangevoerd, is dat geen houdbaar standpunt. Wie een beroep wil doen op feiten en omstandigheden die aan dossierstukken ontleend kunnen worden, dient dit op een zodanige wijze te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren. De andere opvatting zou in strijd komen met de eisen van een behoorlijke rechtspleging(8). Wat thans namens [eiser] in cassatie wordt verdedigd is met deze regels onverenigbaar.

12) Onderdeel 4.6 klaagt erover dat het hof voorbij is gegaan aan het door [eiser] verder nog gestelde, maar geeft niet aan welke stellingen hier bedoeld worden (en dus ook niet, waarom die stellingen het hof tot een ander oordeel of tot nadere motivering van het gegeven oordeel hadden behoren te leiden). Het middel voldoet dus niet aan de eis die in art. 426a lid 2 Rv besloten ligt.

De klacht lijkt mij overigens ook daarom niet doeltreffend, omdat de in het bestreden arrest gegeven motivering zowel duidelijk als dragend is. Het valt niet in te zien wat andere argumenten van de kant van [eiser] daaraan zouden (kunnen) afdoen.

13) Het middel stelt, naar ik meen, geen vragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoord moeten worden.

Conclusie

Ik denk dat het cassatieberoep zou moeten worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie de als prod. 3 bij het inleidend verzoekschrift overgelegde brief van 26 januari 1981.

2 Vóór (en in verband met) het opmaken van deze notariële akte is er tussen [betrokkene 1] en Almond Grove ook geprocedeerd. Dat blijkt uit de bij de conclusie van antwoord in deze zaak overgelegde vonnissen, maar ook uit de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense van 6 september 2002 in de zaak met nr. R01/018, onder 2 iv.

3 De overweging van het GEA waarin dit wordt vastgesteld betreft kennelijk het als prod. 2 bij de conclusie van antwoord in deze zaak overgelegde (kopie)vonnis.

4 Zie voor recente bevestigingen van deze "bestendige leer" bijvoorbeeld HR 20 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE0647, rov. 3.4; HR 12 juli 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE1532, rov. 3.9.3; HR 8 februari 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AD7318, rov. 4.5.

5 Zie bijvoorbeeld alinea 4.2.4. van de conclusie van A-G Verkade voor HR 20 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE4367.

6 Het middel geeft overigens niet duidelijk aan, op welk bewijsaanbod het doelt. Er is een geheel in algemene termen gesteld bewijsaanbod gedaan in de Memorie van Grieven, p. 2, en er is op p. 1 van de pleitnota in appel een, wederom ongespecificeerd, bewijsaanbod gedaan met betrekking tot de stelling dat [eiser] (wel degelijk) voor 28 februari 1981 een keus kenbaar zou hebben gemaakt. Ik meen dat voor de beide varianten waarin namens [eiser] een bewijsaanbod is gedaan, geldt dat dat als te vaag mocht worden gepasseerd.

7 Zie voor de beoordelingsvrijheid van de rechter in dit opzicht bijv. alinea's 2.13 - 2.16 van de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 12 juli 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE2370. Zie verder Snijders-Wendels, Civiel Appel, 1999, nr. 232.

8 De schriftelijke toelichting namens Almond Grove wijst in dit verband met juistheid op HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814, rov. 3.5 en HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342, rov. 3.3.4.