Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AF0100

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
C00/219HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AF0100
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 703
JWB 2002/472
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C00/219HR

Mr. Bakels

Zitting 18 oktober 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

t e g e n

[Verweerder]

(niet verschenen)

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om motiveringsklachten tegen 's hofs uitleg van een tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(1) Sinds 1983 hebben eiser tot cassatie [eiser] en zijn broer [verweerder] een veehoudersbedrijf gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma. Deze vennootschap is bij notariële akte van 2 juli 1987 ontbonden. In die akte is onder meer opgenomen

- dat [verweerder] alle activa van het bedrijf krijgt toegescheiden en wegens overbedeling aan zijn broer [eiser] onder meer een bedrag van f 405 000,- zal voldoen;

- dat de over dat bedrag te heffen belasting ten laste van [verweerder] komt en

- dat alle kosten die [eiser] eventueel zal maken tot opeising of invordering van het hem verschuldigde of tot behoud van zijn rechten, ten laste van [verweerder] komen.

1.3 Tegen onder meer deze achtergrond heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt voor de rechtbank Den Haag. Hij vorderde, kort gezegd, dat zijn broer [verweerder] zou worden veroordeeld hem een bedrag van f 109 768,- te vergoeden in verband met door hem verschuldigde inkomstenbelasting over de aan hem gedane betaling wegens overbedeling, te vermeerderen met heffingsrente, invorderingsrente, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten. Hij stelde daartoe, kort gezegd, dat [verweerder] weigerde dit door hem ([eiser]) aan de fiscus verschuldigde bedrag in der minne te voldoen, ten gevolge waarvan ook verdere kosten verschuldigd zijn geworden. Bij conclusie van eis heeft [eiser] zijn vordering verminderd.

[Verweerder] voerde verweer en stelde tevens een vordering in reconventie ad f 15 000,- in wegens door hem gemaakte kosten voor deskundig advies bij het maken van bezwaar tegen de door de Inspecteur aan [eiser] opgelegde aanslag. In conventie voerde hij in de kern aan dat hij wel degelijk bereid is - en steeds bereid is geweest - om de door [eiser] verschuldigde inkomstenbelasting te voldoen, maar dat laatstgenoemde heeft verzuimd hem daarvan een reële opgave te doen.

1.4 Nadat de rechtbank op 4 maart 1998 een tussenvonnis had gewezen, heeft zij bij eindvonnis van 19 augustus 1998 in conventie de vordering toegewezen tot een bedrag van f 71 317,23 met rente en kosten en in reconventie de vordering afgewezen.

1.5 [Verweerder] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Den Haag. [Eiser] voerde verweer en stelde tevens incidenteel appèl in.

1.6 Bij arrest van 6 april 2000 heeft het hof de bestreden vonnissen in beide beroepen vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het [verweerder] in conventie veroordeeld om aan [eiser] een bedrag van f 36 689,- met rente te betalen; in reconventie heeft het [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] het gevorderde bedrag van f 15 000,- met rente te voldoen.

Kort gezegd heeft het hof daartoe als volgt overwogen. Het gaat in dit geschil om de uitleg van de tussen partijen gesloten, in een notariële akte neergelegde, beëindigingsovereenkomst. Terecht heeft de rechtbank deze uitleg verricht overeenkomstig de Haviltex-maatstaf (rov. 5). Eveneens terecht heeft de rechtbank beslist dat het tussen partijen omstreden beding uit de akte ertoe strekt dat [eiser] de aan hem wegens overbedeling gedane betaling netto zou ontvangen, zodat [verweerder] ook de kosten wegens premieheffing volksverzekeringen voor zijn rekening diende te nemen (rov. 6). Laatstgenoemde is echter niet gehouden tot voldoening van heffings- en invorderingsrente. Weliswaar dienen de kosten van de notariële akte en van haar uitvoering voor [verweerders] rekening te komen, maar dit geldt niet voor onnodige en vermijdbare kosten die zijn gemaakt als gevolg van eigen nalatigheid of tekortschieten van [eiser] (rov. 7). Als [eiser] een tijdige en juiste aangifte had gedaan en voorts tijdig aan zijn fiscale verplichtingen had voldaan, zouden de onderhavige kosten niet voor zijn rekening zijn gekomen (rov. 8). Hetzelfde geldt voor de kosten van de bezwaar- en de beroepsprocedure (rov. 10). Wat betreft de buitengerechtelijke kosten geldt, dat [verweerder] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het juiste bedrag terstond aan zijn broer zou hebben betaald. Laatstgenoemde heeft echter voldoening van een onjuist bedrag verlangd en heeft zelfs nog in de inleidende dagvaarding betaling gevorderd van een bedrag van f 109 768,- hoewel het hof enkele maanden tevoren op vordering van [eiser] het bedrag van de aanslag in beroep had teruggebracht tot f 31 908,- (rov. 11).

1.7 [Eiser] is tegen dit arrest tijdig in cassatie gekomen.(2) [Verweerder] is in cassatie niet verschenen; tegen hem is verstek verleend. [Eiser] heeft het door hem voorgedragen middel schriftelijk doen toelichten door zijn advocaat.

2. Bespreking van het middel

2.1 Onderdeel 1 bevat slechts een inleiding.

De onderdelen 2-4 berusten op feitelijke stellingen die voor het eerst in cassatie naar voren zijn gebracht, waarvoor in dit stadium van de procedure echter geen ruimte meer bestaat. Al daarom zijn zij tot mislukken gedoemd. Dat is eveneens het geval omdat de onderdelen niet voldoen aan art. 407 lid 2 Rv. Uit het feit dat het om nieuwe stellingen gaat volgt immers dat de vindplaatsen van die stellingen in de stukken van de feitelijke aanleg, niet in de onderdelen (kunnen ) zijn genoemd.

2.2 Het is dan ook ten overvloede dat ik over de respectieve onderdelen toch nog het volgende opmerk.

Onderdeel 2 acht de door het hof gegeven motivering van zijn oordeel, dat [eiser] geen invorderingsrente verschuldigd zou zijn geweest als hij een juiste aangifte had ingediend en deze tijdig had voldaan, onbegrijpelijk. Daartoe betoogt het onderdeel dat deze motivering niet de mogelijkheid uitsluit dat [verweerder]

"(min of meer) gelijke, althans enigerlei (contractuele dan wel wettelijke) rente rechtstreeks aan [eiser] verschuldigd zou zijn over het bedrag dat laatstgenoemde in de veronderstelde gang van zaken eerder reeds aan de fiscus zou hebben betaald, waardoor het resultaat voor [verweerder] per saldo (min of meer) op hetzelfde zou neerkomen als doorberekening aan hem van de in feite door [eiser] betaalde invorderingsrente."

Deze speculatieve stelling faalt reeds omdat zij volstrekt onvoldoende is onderbouwd, zoals onder meer blijkt uit de drie tussen haken geplaatste passages uit het citaat.

Voorts is het onderdeel gebaseerd op de veronderstelling dat [verweerder] in verzuim zou zijn geraakt met de betaling van het door hem aan [eiser] verschuldigde bedrag als deze wél een juiste opgave aan de fiscus zou hebben gedaan en die tijdig had voldaan. Niet alleen is dit een situatie die zich in werkelijkheid niet heeft voorgedaan, zodat het hof al daarom geen reden had deze in zijn uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst te betrekken, maar ook ziet het onderdeel eraan voorbij dat het hof onbestreden heeft overwogen dat [verweerder] aannemelijk heeft gemaakt dat hij het juiste bedrag op eerste verzoek aan [eiser] zou hebben betaald (rov. 11).

2.3 Onderdeel 3 bevat de klacht dat het hof met een onbegrijpelijke motivering de kosten van de fiscale bezwaar- en beroepsprocedures overbodig heeft geacht omdat [eiser] tijdig een juiste aangifte had moeten doen en vervolgens zijn financiële verplichtingen had moeten nakomen. Het onderdeel voert daartoe aan dat de Inspecteur zodanig afwijkende standpunten innam over de hoogte van het door [eiser] genoten belastbaar inkomen, dat bezwaar en beroep praktisch onvermijdelijk waren geweest, ook indien aanstonds een juiste aangifte was gedaan.

Over dit onderdeel valt slechts op te merken dat het een situatie inroept die zich in feite niet heeft voorgedaan door omstandigheden die - naar 's hofs feitelijk, alleszins begrijpelijk en in cassatie niet bestreden oordeel - aan [eiser] moeten worden toegerekend. Daarom had het hof geen aanleiding, laat staan de plicht, om daaraan in de motivering van zijn beslissing aandacht te schenken.

2.4 Onderdeel 4 ten slotte acht het onbegrijpelijk dat het hof de buitengerechtelijke kosten van Caron & Stevens niet heeft toegewezen op grond van de overweging dat - kort gezegd - [eiser] in de inleidende dagvaarding een onjuist, want te hoog bedrag heeft gevorderd. Het voert daartoe aan dat die kosten betrekking hadden op de werkzaamheden die op dat moment al waren verricht.

Anders dan het onderdeel wil doen geloven, is aan de onderhavige beslissing niets onbegrijpelijks te ontdekken. [Eiser] heeft immers een aantal posten als buitengerechtelijke kosten gevorderd zonder daartussen onderscheid te maken en met name zonder het thans in cassatie naar voren gebrachte argument te hanteren. Daarom mocht het hof deze posten gezamenlijk bespreken en ze met één overkoepelende motivering - waarvan de juistheid als zodanig terecht niet wordt bestreden - van de hand wijzen.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie voor een uitgebreider weergave van de vaststaande feiten het door de rechtbank gewezen tussenvonnis van 4 maart 1998, rov. 1 en het thans in cassatie bestreden arrest, rov. 2.

2 De cassatiedagvaarding dateert van 4 juli 2000.