Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE9641

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
12-12-2002
Zaaknummer
01950/02 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE9641
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering, Straatsburg, 17-03-1978 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 697
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01950/02 U

Mr Machielse

Zitting 29 oktober 2002 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[De opgeëiste persoon]

1. De rechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 24 juli 2002 de executieuitlevering van de opgeëiste persoon aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard ter zake van de feiten zoals omschreven in de onherroepelijke uitspraak van het Landgericht Frankfurt am Main van 5 februari 1998.

2. Mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt erover dat de rechtbank het verweer, inhoudende dat zonder dat duidelijk is of de opgeëiste persoon de mogelijkheid heeft zich te verweren tegen de bij verstek gegeven beslissing van het Landgericht (LG) Limburg/Lahn van 16 mei 2002 de uitlevering niet toelaatbaar mag worden verklaard, onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen.

3.1. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

De raadsman heeft betoogd - kort gezegd - dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar dient te worden verklaard, zulks gelet op het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij het Europees uitleveringsverdrag ten aanzien van bij verstek veroordeelden. De raadsman heeft hierbij opgemerkt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering aan Duitsland de mogelijkheid van verzet heeft tegen het buiten zijn aanwezigheid - in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor - op 16 mei 2002 genomen besluit van het Landgericht Limburg/Lahn.

Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank het volgende komen vast te staan.

De opgeëiste persoon is bij vonnis van het "Landgericht Frankfurt am Main" van 5 februari 1998 op tegenspraak veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren "wegen eines gemeinschaftlich begangenen Raubes in Tateinheid mit gefährlicher Körperverletzung, wegen einer (lees; eines, AM) Falls der gefährlichen Körperverletzung sowie wegen besonders schwerer Körperverletzung".

Bij voormeld vonnis is tevens de plaatsing van de opgeëiste persoon in een ontwenningskliniek gelast (in verband met de alcoholverslaving van de opgeëiste persoon), welke plaatsing ten uitvoer zal worden gelegd nadat de opgeëiste persoon twee jaren acht maanden van voornoemde gevangenisstraf heeft uitgezeten.

"Het Landgericht Frankfurt am Main" heeft daarbij overwogen dat, rekening houdend met de wettelijk voorziene maximale duur van de plaatsing in een ontwenningskliniek (en de aftrek van deze tijd en de voordien reeds ondergane gevangenisstraf op de totaal te ondergane gevangenisstraf), op het tijdstip van de beëindiging van de behandeling van de opgeëiste persoon in de ontwenningskliniek, de opgeëiste persoon twee derde van de hem opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten en dat de opgeëiste persoon alsdan in aanmerking komt voor een omzetting van de resterende opgelegde vrijheidsstraf (een derde van 7 jaren).

De opgeëiste persoon is sinds 1 juli 1997 gedetineerd. Vanaf 16 maart 2000 verbleef hij op grond van meergenoemd vonnis in een ontwenningskliniek. Op 3 augustus 2001 heeft de opgeëiste persoon zich onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de dwangverpleging in de ontwenningskliniek.

Het "Landgericht Limburg/Lahn" heeft op 16 mei 2002 op vordering van het Duitse openbaar ministerie (bij verstek) besloten dat het restant van de door het "Landgericht Frankfurt am Main" bevolen verpleging in een ontwenningskliniek niet ten uitvoer zal worden gelegd en dat de opgeëiste persoon moet worden overgebracht naar een penitentiaire inrichting voor het verder ondergaan van (het restant van) de hem opgelegde vrijheidsstraf. Voorts heeft het "Landgericht Limburg/Lahn" bepaald dat de omzetting van de nog niet ondergane resterende vrijheidsstraf in een voorwaardelijke straf wordt afgewezen. Het is laatsgenoemd, buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon, genomen besluit op grond waarvan de raadsman concludeert tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het betoog van de raadsman miskent dat het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij het Europees uitleveringsverdrag ten aanzien van bij verstek veroordeelden, ziet op het vonnis waarbij de straf of maatregel is opgelegd, waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd (in casu het - op tegenspraak - gewezen vonnis van het "Landgericht Frankfurt am Main" van 5 februari 1998). Als zodanig valt niet aan te merken het door de raadsman in zijn verweer bedoelde besluit van het "Landgericht Limburg/Lahn" van 16 mei 2002, dat uitsluitend betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en maatregel welke reeds eerder door het " Landgericht Frankfurt am Main" aan de opgeëiste persoon waren opgelegd.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

3.2 Met betrekking tot de procesgang in Duitsland kan als vaststaand worden aangenomen hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft vastgesteld, zoals vermeld in de onder 3.1 weergegeven overweging.

3.3 Van belang is onder meer het door Nederland gemaakte voorbehoud bij artikel 1 van het Europees uitleveringsverdrag (Trb. 1965, 9) dat als volgt luidt:

The Netherlands Government reserves the right not to grant extradition requested for de purpose of executing a judgement pronounced by default against which no remedy remains open, if such extradition might have the effect of subjecting the person claimed to a penalty without his having been enabled to exercise the rights of defence prescribed in Article 6(3)(c) of the Convention for the Protection of Human Rights an Fundamental Freedoms.

Voorts is van belang artikel 3 van het Tweede aanvullend protocol (Trb. 1979, 120) bij het EUV, dat als volgt luidt:

When a Contracting Party requests from another Contracting Party the extradition of a person for the purpose of carrying out a sentence or detention order imposed by a decision rendered against him in absentia, the requested Party may refuse to extradite for this purpose if, in its opinion, the proceedings leading tot the judgment did not satisfy the minimum rights of defence recognised as due tot everyone charged with criminal offence. However, extradition shall be granted if the requesting Party gives an assurance considered sufficient to guarantee to the person claimed the right to retrial which safeguards the rights of defence.(..)

3.4 De steller van het middel voert aan dat de 'omzetting' door het LG Limburg/Lahn van 16 mei 2002, bij verstek is gewezen. Hoewel op dat moment reeds in Duitsland bekend was dat de opgeëiste zich in Nederland in uitleveringsdetentie bevond, is hij niet voor die zitting opgeroepen en moet tevens worden aangenomen dat geen advocaat namens verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd. Met een beroep op genoemd voorbehoud en artikel 3 van het tweede aanvullend protocol betoogt de steller van het middel dat ingeval een eerder in een uitspraak gegeven 'sentence or detention order' in een latere uitspraak wordt gewijzigd of aangevuld, welke aanvulling of wijziging een vrijheidsbeperking mogelijk maakt, terwijl in de procedure die geleid heeft tot deze aanvulling of wijziging het aanwezigheidsrecht is geschonden, de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, tenzij de verzoekende staat (alsnog) aangeeft dat de opgeëiste persoon met betrekking tot die procedure alsnog zijn verdedigingsrechten kan uitoefenen.

3.5 Dit betoog kan niet slagen. In het onderhavige geval is de uitlevering gevraagd voor de tenuitvoerlegging van het vonnis van het LG Frankfurt am Main van 5 februari 1998, en niet voor tenuitvoerlegging van het 'Beschluß' van de 'Strafvollstreckungskammer des Landsgerichts Limburg/Lahn van 16 mei 2002.

De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat bedoeld voorbehoud en daarmee mijn inziens ook artikel 3 van het tweede aanvullend protocol bij het EUV slechts betrekking heeft op het vonnis waarbij de straf of maatregel is opgelegd voor de tenuitvoerlegging waarvan uitlevering wordt gevraagd, en niet mede op een rechterlijke uitspraak houdende omzetting van een voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke straf,(1) een herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling(2) of een afwijzing van een verzoek tot herziening(3). Gelet hierop is het oordeel van de rechtbank dan ook niet onbegrijpelijk.

3.6 Een beroep op de zaak Göç (EHRM 11 juli 2002, NJB 2002, p. 1708, nr. 40) gaat niet op omdat het in die zaak niet ging om de inhoud van een 'criminal charge', maar om de inhoud van de 'civil rights and obligations'. Ook meen ik dat er een essentieel verschil is aan te wijzen met de zaak Campbell (EHRM 28 juni 1984, A 80). Campbell had zich schuldig gemaakt aan geweldpleging bij een protestactie in de gevangenis. Daarvoor werd hij disciplinair gestraft. De straf bestond erin dat zijn invrijheidstelling 570 dagen werd uitgesteld. De vraag rees of het hier om een 'criminal charge' ging. Het EHRM overwoog:

"71. In any event, the indications so afforded by the national law have only a relative value; the very nature of the offence is a factor of greater import (see the above-mentioned Engel and Others judgment, ibid., p. 35, para. 82).

In this respect, it has to be borne in mind that misconduct by a prisoner may take different forms; certain acts are clearly no more than a question of internal discipline, whereas others cannot be seen in the same light. Firstly, some matters may be more serious than others; in fact, the Rules grade offences, classifying those committed by Mr. Campbell as "especially grave" (see paragraph 27 above). Secondly, the illegality of some acts may not turn on the fact that they were committed in prison: certain conduct which constitutes an offence under the Rules may also amount to an offence under the criminal law. Thus, doing gross personal violence to a prison officer may correspond to the crime of "assault occasioning actual bodily harm" and, although mutiny and incitement to mutiny are not as such offences under the general criminal law, the underlying facts may found a criminal charge of conspiracy (see paragraph 30 above). It also has to be remembered that, theoretically at least, there is nothing to prevent conduct of this kind being the subject of both criminal and disciplinary proceedings (ibid.).

The Court considers that these factors, whilst not of themselves sufficient to lead to the conclusion that the offences with which the applicant was charged have to be regarded as "criminal" for Convention purposes, do give them a certain colouring which does not entirely coincide with that of a purely disciplinary matter.

72. It is therefore necessary to turn to the last criterion stated in the above-mentioned Engel and Others judgment (ibid., p. 35, para. 82) and in the above-mentioned Öztürk judgment (Series A no. 73, p. 18, para. 50), namely the nature and degree of severity of the penalty that Mr. Campbell risked incurring. The maximum penalties which could have been imposed on him included forfeiture of all of the remission of sentence available to him at the time of the Board's award (slightly less than three years), forfeiture of certain privileges for an unlimited time and, for each offence, exclusion from associated work, stoppage of earnings and cellular confinement for a maximum of 56 days; he was in fact awarded a total of 570 days' loss of remission and subjected to the other penalties mentioned for a total of 91 days (see paragraphs 14 and 28 above)."

Het EHRM wijst dan op de zwaarte van de sanctie die aan Campbell was opgelegd en vervolgt dan:

"73. Taking into account, therefore, both the "especially grave" character of the offences with which Mr. Campbell was charged (see paragraph 27 above) and the nature and severity of the penalty that he risked incurring - and did in fact incur -, the Court finds that Article 6 (art. 6) is applicable to the Board of Visitors' adjudication in his case."

In de onderhavige zaak was in de eerste plaats geen sprake van een vergrijp van de opgeëiste persoon dat enigszins is te vergelijken met de ernstige beschuldigingen die tegen Campbell waren ingebracht. In de tweede plaats zal de opgeëiste persoon in totaliteit niet langer van zijn vrijheid beroofd blijven dan als hij niet uit de kliniek was ontvlucht. De beslissing van het LG van 16 mei 2002 houdt immers slechts in dat de dwangverpleging in de kliniek niet wordt voortgezet en dat in plaats daarvan de opgeëiste persoon de hem opgelegde gevangenisstraf zal moeten ondergaan. Als de opgeëiste persoon niet was gevlucht zou de vrijheidsbeneming in de kliniek in mindering zijn gekomen op de hem opgelegde gevangenisstraf. Dus ook al zou de aard van de aanleiding voor de beslissing van het LG van 16 mei 2002 buiten beschouwing kunnen blijven (een mogelijkheid die zou kunnen worden opgemaakt uit EHRM 15 augustus 1987, NJ 1988, 938 m.nt. EAA, Lutz)(4) dan nog kan niet gezegd worden dat de sanctie (vrijheidsbeneming in de gevangenis in plaats van dwangverpleging in de kliniek) ineens van kleur is verschoten en dat aan de opgeëiste persoon in verband met zijn ontvluchting ineens een criminele sanctie is opgelegd; de vrijheidsbeneming zal enkel onder een andere vlag plaatsvinden.

Kortom, de beslissing van het LG van 16 mei 2002 is niet gelijk te stellen met de 'determination of a criminal charge". Vandaar dat art. 6 EVRM op deze procedure niet van toepassing is en het aanwezigheidsrecht niet door art. 6 lid 3 onder c EVRM is gewaarborgd. Daarom is het Nederlandse voorbehoud niet van toepassing, noch art. 3 van het Tweede Aanvullend Protocol.

3.7 Het eerste middel faalt.

4. Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard, dan wel die beslissing onvoldoende met redenen heeft omkleed, omdat de door de verzoekende staat overgelegde stukken niet zouden voldoen aan de verdragseisen en niet genoegzaam zouden zijn. Aangevoerd wordt dat uitlevering is verzocht ter zake van de feiten vermeld in het vonnis van het LG Frankfurt am Main van 5 februari 1998, dat in dit vonnis zijn genoemd als toegepaste wettelijke voorschriften de paragrafen 223, 223a, 224, 225, 249, 21, 25 lid 2, 49, 52, 53, 64 en 67 lid 2 van het Strafgesetzbuch (StGB), maar dat door de verzoekende staat ten onrechte de tekst van de paragrafen 21, 25 lid 2, 49, 52 en 53 niet is overgelegd.

4.1 De verplichting van de verzoekende staat om bij het verzoek zijn op de feiten toepasselijke strafbepalingen over te leggen is in verschillende bewoordingen in vrijwel alle voor Nederland geldende verdragen te vinden(5). Op de onderhavige zaak is van toepassing het Europees Uitleveringsverdrag. Artikel 12, tweede lid onder c, van dit verdrag bepaalt dat een afschrift van de relevante wetsbepalingen overgelegd dient te worden. Door overlegging van een afschrift van de wetsbepalingen, welke van toepassing zijn op de strafbare feiten terzake waarvan de uitlevering wordt verzocht, wordt voldaan aan de verdragseis(6). Swart omschrijft de ratio van deze eis als volgt: "De betekenis van de overgelegde toepasselijke rechtsvoorschriften is tweeledig. Aan de hand van deze voorschriften kan in samenhang met de uiteenzetting van de feiten worden vastgesteld, met welk doel de uitlevering wordt verlangd. Daarnaast stellen zij de verzochte staat in de gelegenheid, op gemakkelijke en betrouwbare wijze uitleveringsvoorwaarden te verifiëren, in het bijzonder die van de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid. Zonder deze voorschriften kan niet of moeilijker worden vastgesteld of de gedraging naar het recht van beide staten strafbaar is en of het verdrag ook in uitlevering terzake van het strafbare feit voorziet, hetzij doordat het in de catalogus van delicten voorkomt hetzij doordat het naar het recht van beide staten met voldoende straf wordt bedreigd"(7).

De Hoge Raad is ook van oordeel dat de inhoud van alle bepalingen die zijn genoemd in de stukken die aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen niet behoeft te worden overgelegd. In een zaak betreffende een vervolgingsuitlevering aan Duitsland besliste de Hoge Raad dat het ontbreken van de inhoud van § 53 StGB niet behoefde te leiden tot een ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering omdat de wél overgelegde bepalingen de strafbaarstelling en strafbedreiging naar het recht van de verzoekende Staat ter zake van de in het Haftbefehl omschreven feiten bevatten. Dat was toereikend.(8)

4.2 De in het middel besloten liggende stelling dat ingeval van een uitleveringsverzoek ter executie, alle artikelen die als toegepast in de betreffende buitenlandse rechterlijke uitspraak zijn vermeld, dienen te worden overgelegd, vindt dus geen steun in het recht. Het oordeel van de uitleveringsrechter dat met de overlegging van de inhoud van bepaalde voorschriften kan worden volstaan kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Dat oordeel is gebaseerd op een uitleg van het recht van een vreemde staat en op de toepassing van dat recht op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. De cassatierechter kan toetsen of het oordeel van de Rechtbank, dat de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht ook naar vreemd recht strafbaar zijn en of de strafbedreiging voldoet aan de verdragseisen, begrijpelijk is. Als dat oordeel begrijpelijk is is er voor een verder onderzoek in cassatie geen plaats.

4.3 Gelet op de feiten waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard en in aanmerking genomen de door de Hoge Raad met betrekking tot het overleggen van toepasselijke wetsartikelen gestelde eisen(9), kan de vraag rijzen of de Duitse artikelen betreffende 'medeplegen' (m.b.t. de diefstal met geweld) en 'samenloop van strafbare feiten' (Gesamtstrafe) overgelegd hadden moeten worden(10). Op deze punten heeft de Hoge Raad immers wel overlegging van de betreffende wetsbepalingen verlangd. Ik meen evenwel dat in de onderhavige zaak het niet overleggen van de betreffende wetsbepalingen niet aan toelaatbaarverklaring van de uitlevering in de weg behoefde te staan.

4.4 Voor wat betreft medeplegen geldt dat overlegging van de wetsbepaling slechts noodzakelijk is als uit de uiteenzetting van de feiten niet kan blijken dat de opgeëiste persoon alle delictsbestanddelen zelf vervuld heeft, dan wel als medeplegen een strafverzwarende omstandigheid is die maakt dat het voor uitlevering te lage strafmaximum van het hoofdfeit kan worden verhoogd tot boven de voor uitlevering geldende grens(11). Beide gevallen doen zich hier naar mijn mening niet voor. Uit de uiteenzetting van de feiten in het vonnis van het LG Frankfurt am Main, zoals nader in de bestreden uitspraak aangegeven, kan blijken dat reeds verdachtes eigen handelen onder de strafbepaling van par. 249, eerste lid, StGB kan worden gebracht. Daaruit blijkt immers dat verdachte de ketting van de hals van het slachtoffer heeft gerukt. Dat bij het feit ook nog een aantal andere personen betrokken waren en de bestreden uitspraak melding maakt van 'tezamen en in vereniging', staat aan de genoegzaamheid van de stukken en het toelaatbaar verklaren van de uitlevering niet in de weg(12).

Op het hoofdfeit zoals omschreven in par. 249, eerste lid, StGB is een minimum vrijheidsstraf van één jaar gesteld. Op eenvoudige mishandeling en de gekwalificeerde mishandeling van resp. § 223 en 223a StGB zijn maximumstraffen van vijf jaren gesteld. Par. 224 StGB kent een strafbedreiging van tien jaren en voor de feiten gezamenlijk is een gevangenisstraf van zeven jaren opgelegd. Daarmee is ruim voldaan aan de in artikel 2, eerste lid van het Europees uitleveringsverdrag gestelde eisen, aan de voorwaarden die artikel II van het Verdrag van Wittem (Trb. 1979, 142) stelt en aan de eisen die in het uitleveringsverkeer tussen Duitsland en Nederland gelden ingevolge de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie.

Gelet op het feit dat de feiten tegelijkertijd zijn berecht, dat voor die feiten een vrijheidsstraf van zeven jaar is opgelegd en dat voor alle feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard afzonderlijk een vrijheidsstraf van meer dan een jaar kan worden opgelegd, kan een eventuele samenloopbepaling in dit geval niet van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de uitlevering ter zake van de in het verzoek genoemde feiten toelaatbaar is.(13) Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

4.5 Het tweede middel faalt.

5. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 NJ 1983, 590 en HR 10 juli 2001, 00191/01U (LJN ZD 2888) waarin een zelfde middel met art. 101a afdeed.

2 HR NJ 1981, 665; HR NJ 1985,158; vgl. tevens HR NJ 1991, 730 en HR 19 januari 1993 DD 93.256.

3 HR NJ 1987, 301

4 De steller van het middel doet tevens in zijn schriftuur onder 1.9 een beroep op EHRM 9 februari 1995, NJ 1995, 606 (Welch), maar ik meen dat de zaak Phillips (EHRM 5 juli 2001, NJb 2001, p. 1686, nr. 34 een beter referentiekader biedt, omdat in de zaak Welch de aangenomen terugwerkende kracht een heldere blik op de materie verduistert. In de zaak Phillips overwoog het EHRM in een ontnemingszaak:

"However, the purpose of this procedure was not the conviction or acquittal of the applicant for any other drugs-related offence. Although the Crown Court assumed that he had benefited from drug-trafficking in the past, this was not, for example, reflected in his criminal record, to which was added only his conviction for the November 1995 offence. In these circumstances, it cannot be said that the applicant was "charged with a criminal offence". Instead, the purpose of the procedure under the 1994 Act was to enable the national court to assess the amount at which the confiscation order should properly be fixed. The Court considers that this procedure was analogous to the determination by a court of the amount of a fine or the length of a period of imprisonment to impose upon a properly convicted offender."

5 A.H.J Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle 1986, p. 397.

6 HR NJ 1983, 247.

7 A.H.J. Swart, a.w. p. 397, 398. Zie tevens N. Keijzer, in Handboek strafzaken par. 91.5.8.

8 HR 16 januari 2001, nr. 01919/00/U.

9 Zie voor een overzicht van de jurisprudentie op dit punt N. Keijzer, in Handboek strafzaken par. 91.5.8.

10 Het Duitse Strafgesetzbuch is via internet of de juridische bibliotheken gemakkelijk te raadplegen (het verdrag verlangt echter overlegging van een afschrift): Het betreft par. 25 lid 2 en 52 en 54 van het Strafgesetzbuch. Deze bepalingen zijn ook genoemd in de uitspraak die ten grondslag ligt aan de uitlevering. De overige genoemde maar niet overgelegde artikelen zien op strafverminderingsgronden. Daarvan behoeft geen afschrift te worden overgelegd. Vgl. HR NJ 1986, 717.

11 In Nederland geldt 'medeplegen' voor een aantal delicten als strafverzwarend, bijv. diefstal (311 Sr) en openlijk geweld (141 Sr).

12 Vgl. HR NJ 1990, 430 en HR NJ 1992, 344. Zie voor geval waarin de wetsbepalingen met betrekking tot medeplegen wel overgelegd dienden te worden HR NJ 2001, 588.

13 Vgl. HR NJ 1990, 430. Zie voor een geval waarin overlegging wel noodzakelijk werd geacht HR NJ 1987, 515.