Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE9401

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
13-12-2002
Zaaknummer
R01/065HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE9401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 679
JWB 2002/469
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R01/065

mr J. Spier

Zitting 18 oktober 2002

Conclusie inzake

[Verweerster]

tegen

Curaçao Port Services N.V.

(hierna: C.P.S.)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals deze zijn vastgesteld door het GEA NA (hierna: het GEA) in zijn tussenvonnis van 15 december 1997; ook het HvJ NAA (hierna: het Hof) is van deze feiten uitgegaan (rov. 5). Daarnaast kan worden uitgegaan van de feiten waarover tussen partijen overeenstemming bestaat.

1.2 Op 31 mei 1994 is [persoon 1](1) overleden.

1.3.1 [Persoon 1] was bij leven werkzaam bij C.P.S. Op de rechtsverhouding tussen [persoon 1] en C.P.S. was de CAO tussen C.P.S. en de Algemene Haven Unie van juni 1993 (hierna: de CAO) van toepassing.(2)

1.3.2 Bijlage C ("Aanvullende verzekering polis no. 3104") van de CAO(3) luidt (voor zover hier van belang):

"Ingaande 1 juli 1979 zal bovenvermelde polis worden uitgebreid en als volgt luiden

VOOR DE WERKNEMER:

1. Risico levensverzekering uit te keren in geval van natuurlijke dood: NAfl. 20.000,=.

2. Extra uitkering in geval van overlijden tengevolge van een ongeval: NAfl. 20.000,=.

(...)

5. a) In geval de verzekerde na minstens 6 maanden verzekerd te zijn geweest en voor het bereiken van de 60-jarige leeftijd totaal arbeidsongeschikt wordt, en voor 12 achtereenvolgende maanden is geweest, dan wordt aan hem uitgekeerd Nafl. 10.000,= in 50 maandelijkse termijnen van NAfl. 200,= per maand.

b) Indien de verzekerde komt te overlijden voordat hij 50 betalingen heeft ontvangen, dan wordt het resterende in één bedrag uitgekeerd aan zijn nabestaanden.

VOOR DE GEZINSLEDEN:

a) Voor de wettige echtgenoot/echtgenote van de verzekerde, of de persoon met wie de verzekerde leeft in een erkende man en vrouw verhouding en die als zodanig geregistreerd staat bij de werkgever:

NAfl. 5.000,= risico levensverzekering uit te keren in geval van overlijden.

b) Voor de kinderen van de verzekerde welke onder de ziektekostenverzekering gedekt zijn:

NAfl. 2.500,= risico levensverzekering elk, uit te keren in geval van overlijden."

1.4 [Persoon 1] had uit een door echtscheiding ontbonden huwelijk met [betrokkene 1] twee destijds meerderjarige kinderen.

1.5 [Persoon 1] heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt. De twee onder 1.4 genoemde kinderen zijn de enige erfgenamen van [persoon 1].

1.6 [Persoon 1] is na zijn echtscheiding niet hertrouwd. Hij heeft meer dan 25 jaar in concubinaat geleefd met [verweerster].

1.7 Bij [persoon 1] en [verweerster] woonde [het kind]. [Het kind] is op 14 oktober 1977 geboren uit [betrokkene 2], een dochter van [verweerster]. Hij is erkend door [betrokkene 3], de zoon van [persoon 1]. [Verweerster] is bij beschikking van 22 december 1977 benoemd tot voogdes over [het kind].

1.8 Bij brief van 26 januari 1998 heeft C.P.S. een verzekeringsovereenkomst in geding gebracht, verstrekt door Nationale Nederlanden. Op de polis van 16 mei 1994 staat [betrokkene 4] als verzekerde en C.P.S. als verzekeringnemer vermeld. Een begunstigde wordt niet genoemd. Blijkens (tabel CR bij) de polisvoorwaarden is "de verzekeringnemer" als begunstigde aangewezen.(4)

2. Procesverloop

2.1 Op 16 maart 1997 heeft [verweerster], pro se en als wettelijk vertegenwoordigster van de onder 1.7 vermelde [het kind], het GEA - voor zover thans nog van belang - verzocht voor recht te verklaren dat zij en [het kind] recht hebben op uitkering van een 'risico levensverzekering'. Voorts vordert zij, op straffe van verbeurte van een dwangsom, C.P.S. te veroordelen tot het afleggen van verantwoording van het uit te betalen bedrag en betaling van dit bedrag.

2.2 In cassatie is uitsluitend de vordering van [verweerster] pro se met betrekking tot de uitkering krachtens- wat [verweerster] aanduidt als - de levensverzekering uit Bijlage C van de CAO nog aan de orde, zodat het procesverloop slechts voor zover het voor dit geschilpunt van belang is zal worden weergegeven.

2.3 [Verweerster] grondt haar vordering op het feit dat zij meer dan 25 jaar [persoon 1's] concubine was (inl. verzoekschrift blz. 1).(5) Bij cvr heeft zij daaraan toegevoegd dat "partijen" bij de CAO "steeds voor ogen hebben gehad, onderhoud van het gezin", en dat "in de bepalingen van de (lees:) collectieve arbeidsovereenkomst steeds, weldegelijk rekening [werd] gehouden met de rechtstoestand van de concubine"(blz. 1).

2.4 C.P.S. heeft de stellingen van [verweerster] betwist. Zij heeft onder meer gesteld dat op de polis van [persoon 1] geen begunstigde is aangewezen en betoogt dat in een dergelijk geval de uitkering in de nalatenschap valt (cva onder 8). Bij antwoord-akte na comparitie stelt zij dat bijlage C een dubbele eis stelt aan uitkering aan de concubine (2 en 3).

2.5 Tijdens een comparitie van partijen heeft C.P.S. - onder veel meer - aangevoerd dat zij wél maar de verzekeringsmaatschappij geen concubinaat (man/vrouw relatie) erkent voor zover er een samenwoningsovereenkomst is.(6) [Verweerster] is wel "ooit" als begunstigde op de polis genoemd maar haar naam is door [persoon 1] doorgehaald (p.v. blz. 2), hetgeen [verweerster] bij akte uitlating bestrijdt. Bij antwoordakte na comparitie betoogt C.P.S. dat [persoon 1] [verweerster] "als zijn concubine heeft laten uitschrijven" (onder B2). Een stelling die expliciet wordt weersproken door haar als getuige gehoorde coördinator personeelszaken.

2.6 Vakbondsbestuurder [getuige 1] verklaart als getuige dat het reeds vóór 1983 de bedoeling van de CAO-partijen was een niet gehuwde levensgezellin gelijk te stellen met een echtgenote. Deze verklaring wordt bevestigd door de getuige [getuige 2], één van de oprichters van de Christelijke Bond van Haven Arbeiders.

2.7 In de conclusie na enquête wordt er door C.P.S. op gewezen dat als de werknemer overlijdt er een uitkering volgt van "ANG 20.000,=" aan diens echtgenote dan wel nabestaanden (blz. 2). Zij stelt - naar ik begrijp - dat "de getuigen" "met de begeleidende brief van Ennia (hebben) aangetoond dat [verweerster] een onjuiste interpretatie van de onderhavige polis geeft". Zij heeft daarbij klaarblijkelijk het oog op een brief van Ennia van 14 augustus 1998. In die brief staat dat "onder uw risicoverzekering zijn verzekerd" werknemers voor het geval zij vóór het bereiken van de leeftijd van 62 jaar overlijden. De brief behelst niets ten aanzien van de vraag aan wie de uitkering zal plaatsvinden.

2.8 Na tussenvonnissen, gewezen op 15 december 1997, 20 juli 1998 en 18 oktober 1999, heeft het GEA op 10 januari 2000 de vordering van [verweerster] afgewezen op grond van het feit dat de concubine noch enige andere persoon in de eerste afdeling van Bijlage C als begunstigde wordt genoemd. Daarom komt de uitkering toe aan de erfgenamen. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat partijen bij de CAO de concubine zoveel mogelijk gelijk hebben willen stellen met de wettige echtgenote (rov. 2.2).(7)

2.9 [Verweerster] heeft hoger beroep ingesteld onder aanvoering van vier grieven. In cassatie is alleen de tweede grief nog van belang. Ik citeer haar uiteenzetting:

"In de betreffende CAO Bepaling wordt gesproken van nabestaanden en niet van erfgenamen, hetgeen waarmee de bloed- en aanverwanten wordt bedoeld.

[verweerster] dient in het kader van de onderhavige CAO (...) als een aanverwante te worden beschouwd, vooral nu is komen vast te staan dat het de bedoeling van partijen is geweest om de concubine gelijk te stellen met de echtgenote (aanverwante) althans in de plaats van de echtgenote, indien de werknemer niet zou zijn gehuwd" (toelichting op de grief).

2.10 C.P.S. dringt - geparafraseerd weergegeven - aan dat de CAO alleen in art. 5 onder b een regeling geeft voor de begunstiging van een ander dan de werknemer. Art. 5 onder b is in casu evenwel niet van toepassing. Elders geeft de CAO geen uitsluitsel over de vraag wie begunstigde is. Daarom moet de uitkering ingeval van overlijden van de werknemer aan de erfgenamen toekomen (mva onder 3 blz. 3).

2.11 Ten pleidooie draagt mr Eustatius namens [verweerster] uit dat men bij conflicten over de formuleringen in de CAO is aangewezen op de bedoeling van de CAO-partijen (pleitaantekeningen blz. 2).

2.12 Het Hof heeft in zijn vonnis van 27 februari 2001 het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, C.P.S. veroordeeld aan [verweerster] Nafl. 20.000,= te voldoen.

2.13 Het Hof stelt voorop dat voor de uitleg van een CAO niet de Haviltex-regel geldt. Integendeel: het komt in beginsel aan op de bewoordingen van de CAO-bepalingen, gelezen in het licht van de gehele CAO-tekst. Op de bedoeling van de CAO-partijen kan in beginsel pas beroep worden gedaan indien een grammaticale uitleg tot een naar de eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar oordeel zou leiden (rov. 6.2).

2.14 Wat grief 2 betreft, oordeelt het Hof dat in de artikelen 1 en 2 van bijlage C bij de CAO niet met zoveel woorden wordt aangegeven aan wie de overlijdensuitkering moet worden gedaan. Daaruit kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat bij overlijden van de werknemer de uitkering aan de erfgenamen moet worden gedaan (rov. 6.4).

2.15 Het Hof vervolgt dan:

"6.5 In de artikelen 3, 4 en 5a van bijlage C worden uitkeringen genoemd die aan de werknemer moeten worden gedaan bij zijn gedeeltelijke invaliditeit of volledige arbeidsongeschiktheid. Op grond van artikel 5a moet de arbeidsongeschiktheidsverzekering in vijftig termijnen worden voldaan. Wanneer de werknemer komt te overlijden voordat hij vijftig betalingen heeft ontvangen, wordt het resterende blijkens artikel 5b in één bedrag uitgekeerd aan de nabestaanden van de werknemer. Uit dit laatste volgt, mede de overige artikelen van bijlage C in hun onderlinge verband en samenhang gelezen, dat de overlijdensuitkering moet worden gedaan aan de nabestaanden van de werknemer. Deze uitleg spoort ten eerste met artikel 26 van de CAO, welke bepaling terugkeert in bijlage C onder het kopje "VOOR DE GEZINSLEDEN" en waarin wordt bepaald dat bij overlijden van de echtgenote/concubine of een kind van de werknemer aan de werknemer een uitkering wordt gedaan. Ten tweede spoort zij met het karakter van de onderhavige levensverzekering, die immers tot doel heeft het risico van inkomensverlies als gevolg van het overlijden van de werknemer af te dekken bij degene(n) in wiens levensonderhoud door de werknemer (mede) werd voorzien. Het Hof voegt daar nog aan toe dat ook CPS N.V. blijkbaar van deze uitleg uitgaat. Zij heeft immers zelf gesteld dat zij in het verleden bij het overlijden van de werknemer de overlijdensuitkering heeft gedaan aan de echtgenote of nabestaanden van de overleden werknemer.

6.6 Het Hof is van oordeel dat de concubine van de man moet worden beschouwd een nabestaande te zijn in de zin van bijlage C van de CAO. Dit volgt uit de definitie van het begrip "gezinsleden", die in artikel 1, onderdeel 9a wordt gegeven. Gezinsleden zijn volgens dat artikelonderdeel de echtgenote van de werknemer of zijn concubine en - in rangorde op de tweede plaats - de wettige, gewettigde of wettelijk erkende kinderen van de werknemer tot en met de leeftijd van 21 jaar, voor zover zij niet in eigen onderhoud voorzien of gehuwd zijn. Nu [persoon 1] ongehuwd was, dient de overlijdensuitkering van NAf 20.000,-- te worden gedaan aan [verweerster], die immers, zoals enerzijds is gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd is betwist, door [persoon 1] als zijnde zijn concubine bij CPS N.V. werd ingeschreven en ten tijde van zijn overlijden nog steeds zijn concubine was. De stelling van CPS N.V. dat [verweerster] bij het overlijden van [persoon 1] niet meer als concubine in haar administratie voorkwam doet daaraan niet af, aangezien CPS N.V. er niet in geslaagd is te bewijzen dat [persoon 1] op enig moment aan haar verzocht heeft [verweerster] als zijn concubine uit te schrijven."

2.16 C.P.S. heeft tijdig(8) beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Bespreking van de klachten

3.1 Het is bewonderswaardig dat het Hof kans heeft gezien goede zin te geven aan der partijen stellingen.

3.2.1 In deze procedure heeft vooral C.P.S. gemeend een schier eindeloze hoeveelheid verweren te moeten voeren waarvan voor een belangrijk deel uit verklaringen van haar eigen personeel is gebleken dat ze onjuist zijn. Iure constituto valt daaraan in het algemeen niet veel te doen. Iure constituendo zou het zeer zijn toe te juichen wanneer de rechter zich zou kunnen beperken tot een aantal verweren. Na deze ongegrond te hebben bevonden zou hij - zeker in een situatie waarin een procespartij objectief bezien een verwijt valt te maken van het in stelling brengen van (veel) ongefundeerde (en bewerkelijke) verweren - de mogelijkheid moeten hebben om verdere verweren onbesproken te laten.

3.2.2 Het voordeel daarvan springt in het oog. Het verkort procedures, voorkomt dat partijen (vooral particulieren) jarenlang de psychische last daarvan moeten torsen. Het spreekt bovendien niet bijzonder aan dat eisende partijen die het gelijk aan hun zijde hebben soms zeer vele jaren moeten wachten op verzilvering van hun gelijk. En ten slotte: de overbelaste en uit de schatkist betaalde rechterlijke macht kan zich beter bezig houden met "echte" geschillen.

3.2.3 In schrijnende gevallen zou, reeds naar de huidige stand van het recht, art. 6 in samenhang met art. 13 EVRM wellicht een kapstok kunnen bieden. Ligt hier geen taak voor de wetenschap?

3.3 Het Hof heeft geoordeeld dat C.P.S. blijkbaar zelf uitgaat van de juistheid van de door haar bestreden uitleg (rov. 6.5).

Anders gezegd, het heeft klaarblijkelijk gemeend dat C.P.S. in feite het oordeel van [verweerster] onderschrijft. Of, weer anders gezegd: C.P.S. heeft op dit punt in 's Hofs visie geen (serieus te nemen) verweer gevoerd.

3.4 In cassatie wordt dit oordeel van het Hof niet bestreden. De meeste klachten stuiten daarop af.

3.5 Opmerking verdient hierbij nog dat onderdeel 2 iv veronderstelt dat het Hof de "uitkeringspraktijk" een factor heeft geoordeeld in het kader van de uitleg. M.i. mist deze klacht feitelijke grondslag. Het Hof heeft met zijn opmerking klaarblijkelijk bedoeld hetgeen hierboven onder 3.3 werd verwoord.

3.6 Bespreking behoeven nog slechts de klachten dat

a. het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de uitkering toekomt aan de nabestaanden meebrengt dat zij (in casu) uitsluitend moet worden gedaan aan de concubine (onderdeel c).

b. de concubine als nabestaande in de zin van bijlage C moet worden begrepen (onderdeel 3 ad c i).

3.7 Ik stel voorop dat:

a. het Hof in rov. 6.2 e.v. heeft aangenomen dat het bij de uitleg van bijlage C gaat om een CAO-bepaling; dat wordt in cassatie niet bestreden;(9)

b. het Hof is uitgegaan van de juiste juridische maatstaf voor de uitleg van een CAO;

c. de uitleg van een niet algemeen verbindend verklaarde CAO in belangrijke mate - zij het niet uitsluitend - van feitelijke aard is; deze is daarmee goeddeels aan toetsing in cassatie onttrokken;

d. niet is gedebatteerd over de precieze betekenis van de CAO-bepaling. Met name blijft onduidelijk of deze voor de werkgever (slechts) een verplichting in het leven riep een verzekeringsovereenkomst af te sluiten waarin de personen die ingevolge de CAO aanspraak hadden op uitkering als begunstigde werden aangewezen. In dat laatste geval zou ten minste aan twijfel onderhevig zijn of de vordering wel tegen C.P.S. kon/moest worden ingesteld. Begrijpelijkerwijs heeft het Hof deze kwestie onbesproken gelaten nu partijen deze zonder enig belang hebben gevonden.

3.8 Ik sta ambtshalve nog wat langer stil bij de onder 3.7 onder d bedoelde kwestie.

3.9 [Verweerster] lijkt haar vordering te baseren op het bestaan van een verzekeringsovereenkomst. Mogelijk omdat zij meent - zij het dan ook ten onrechte - dat bijlage C een verzekeringspolis is.

3.10 Het verweer van C.P.S. lijkt op een aantal plaatsen te veronderstellen dat sprake is een verzekeringspolis waarin (geen) begunstigden worden aangewezen, welke polis rechten doet ontstaan voor de erfgenamen van [persoon 1] (zie hierboven onder meer onder 2.4 en 2.5). Zij trekt daaruit evenwel niet de conclusie dat [verweerster] de verzekeraar had moeten aanspreken.

3.11 Hetgeen C.P.S. op het stuk van de verzekeraar heeft doen aanvoeren, is in hoge mate onbegrijpelijk en biedt geen enkel aanknopingspunt. Zoals aangestipt onder 1.8 wordt aanvankelijk de indruk gewekt dat Nationale Nederlanden de verzekeraar is. Het heeft er de schijn van dat C.P.S. zelf als begunstigde wordt aangewezen in welk geval de procedure terecht tegen haar aanhangig is gemaakt.

3.12 Later heeft zij een schrijfsel van Ennia in geding gebracht; ook Fatum wordt als verzekeraar genoemd (zie noot 4). Polisvoorwaarden en stukken waaruit valt op te maken wie als begunstigde(n) zijn aangewezen, zijn niet in geding gebracht.

3.13 Ik ben geneigd te menen dat, ook ingeval in andere situaties zou moeten worden aangenomen dat de verzekeringsovereenkomst personen in de sfeer van de overleden werknemer als begunstigde aanwijst op dezelfde wijze als verwoord in bijlage C bij de CAO, bij de invulling van de Haviltex-formule in het kader van de uitleg van die verzekeringsovereenkomst betekenis toekomt aan de uitleg van deze bijlage C; in ieder geval in de (voor de hand liggende) situatie dat de verzekeraar van deze CAO-bepaling op de hoogte was.(10)

3.14 Ik keer terug naar de resterende klachten.

3.15 De klacht onder 1 ad a zoekt aansluiting bij het wettelijk systeem voor levensverzekeringen.

3.16 Zij faalt. Immers is een dergelijke discussie in feitelijke aanleg in het geheel niet gevoerd. Als gezegd is onduidelijk wat [verweerster] nauwkeurig vordert en waarom. C.P.S. heeft zich in feitelijke aanleg geconcentreerd op allerlei andere verweren en heeft van deze door de klacht aangezwengelde discussie geen punt gemaakt. Beoordeling van de klacht zou een onderzoek van feitelijke aard (naar de onder 3.7 sub c - 3.12 genoemde kwestie) vergen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. De discussie is tardief.

3.17 Daar komt bij dat het middel geen klacht behelst tegen 's Hofs oordeel dat het in casu gaat om de uitleg van een CAO.

3.18 De onder 3.6 sub b weergegeven klacht stuit af op de erkenning van C.P.S. van een concubinaat (zie hierboven onder 2.5). Die erkenning kan moeilijk anders worden begrepen dan aldus dat C.P.S. erkent dat uitkering aan een concubine noodzakelijk is.(11)

3.19 De stelling van C.P.S. dat de verzekeraar een en ander niet erkent, is niet van veel belang nu, als gezegd, volstrekt onduidelijk is gebleven 1) wat de inzet van de procedure nauwkeurig is en 2) welke rol de verzekeraar speelt; zie hierboven onder 3.7 onder d - 3.12.

3.20 Ik wijs er ten overvloede nog op dat C.P.S. zich beroept op een door haar in geding gebrachte brief van Ennia die voor haar stellingen - zoals hierboven onder 2.7 samengevat - geen enkel aanknopingspunt biedt. Zeker nu C.P.S. van verzekeraars afkomstige stukken in het oog springend verkeerd leest, leggen haar - trouwens in geen enkel opzicht onderbouwde, laat staan gestaafde - stellingen op het stuk van het standpunt van verzekeraars niet veel gewicht in de schaal.

3.21 Onderdeel 2 iii bestrijdt 's Hofs oordeel dat de strekking van de uitkering van bijlage C zou zijn in het levensonderhoud van "(alle) voorheen (mede) door de werknemer onderhouden personen te voorzien".

3.22 Zie ik het goed dan gaat de klacht ervan uit dat in casu sprake zou zijn van een "levensverzekeringsuitkering" waaraan [verweerster] rechten zou trachten te ontlenen. C.P.S. ziet er aldus aan voorbij dat het Hof - in het licht van het (ontbrekende) debat in feitelijke aanleg - klaarblijkelijk heeft geoordeeld en redelijkerwijs heeft kunnen oordelen dat de inzet van de procedure is nakoming van een CAO-verplichting van de werkgever en niet nakoming van een verzekeringsoverkomst. De klacht vindt reeds hierin haar Waterloo.(12)(13)

3.23 Onderdeel 3 ii verwijt het Hof te hebben geoordeeld dat de uitkering in casu slechts toekomt aan de concubine.

3.24 Deze klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen nu niet wordt aangegeven waarom 's Hofs oordeel onjuist zou zijn. Met name wordt geen aandacht geschonken aan de door het Hof ter motivering van zijn oordeel in rov. 6.6 bijgebrachte gronden.

3.25 Ten overvloede: 's Hofs oordeel acht ik alleszins begrijpelijk. Neemt men aan - het wordt, als gezegd, m.i. vruchteloos bestreden - dat

a. doel en strekking van de regeling van Bijlage C is de nabestaanden een tegemoetkoming te geven in het kader van hun levensonderhoud (rov. 6.5 en 6.6);

b. de concubine behoort de de nabestaanden (rov. 6.5 en 6.6);

c. - naar in cassatie niet wordt bestreden - er geen minderjarige onderhoudsbehoeftige kinderen van de overledene (meer) waren (zie onder 1.4)

dan kan 's Hofs oordeel allerminst bevreemden.

3.26 Ten overvloede: C.P.S. heeft ook in dit opzicht in feitelijke aanleg geen (relevant) verweer gevoerd.

3.27 Onderdeel 4 veronderstelt dat het Hof zich heeft laten leiden door het "aanvullende uitlegcriterium" van de derde volzin van rov. 6.2 (te weten - in de Nederlandse nummering) art. 6:2 lid 2 BW.

3.28 Het onderdeel mist feitelijke grondslag. In de betrokken passage brengt het Hof tot uitdrukking dat de uitleg van een CAO-bepaling, waartoe op grond van het criterium van de (inmiddels enigszins genuanceerde) rechtspraak van Uw Raad moet worden overgegaan, terzijde kan worden geschoven ingeval de uitkomst naar de eisen van redelijkheid en billijkheid leidt tot een onaanvaardbaar resultaat.

3.29 Anders gezegd: het gaat in 's Hofs visie niet om uitleg maar om de correctie van het resultaat waartoe het bij een bepaalde wijze van uitleg zou moeten geraken.

3.30 Het middel faalt bovendien omdat uit niets blijkt dat het Hof aan deze correctie is toegekomen.

3.31 Ten overvloede: 's Hofs oordeel is in zoverre juist dat ingevolge recente rechtspraak van Uw Raad bij CAO's het volgende uitleg criterium moet worden gehanteerd (cursivering door mij toegevoegd):

"(...) Voorts geldt als uitgangspunt dat voor de uitleg van de bepalingen van de CAO en de daarbij behorende Uitvoeringsregeling in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn (vgl. HR 17 september 1993, nr. 15064, NJ 1994, 173). Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voorzover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden."(14)

3.32 Ten slotte: in cassatie werpt C.P.S. nog enkele - op zich zeker belangrijke - argumenten op waarom 's Hofs oordeel onjuist én ongelukkig zou zijn (aan de erfgenamen is reeds een uitkering verstrekt en een uitkering aan de concubine zou "in de Antilliaanse verhoudingen ongewenste precedentwerking creëren " (s.t. onder 1.6)).

3.33 Nog daargelaten dat hier sprake is van nova waarvoor in cassatie geen ruimte bestaat, kan het principiële argument dat betrekking heeft op de Antilliaanse verhoudingen m.i. geen gewicht in de schaal leggen omdat het te vaag is en bovendien blijft steken in een losse bewering.

3.34.1 Vooropgesteld: aangenomen mag worden dat het Hof inzicht heeft in en - binnen de grenzen van het rechtens mogelijke - rekening houdt met de Antilliaanse verhoudingen. Ik heb dat inzicht niet en zie ook geen kans deze opvattingen te achterhalen. Bij dupliek weerspreekt mr Sluysmans bovendien de stelling van C.P.S. (onder 3).

3.34.2 Ook voor Uw Raad doet zich hier, naar ik vrees, een praktisch probleem gevoelen. Wanneer partijen zulks van belang achten, is het minste wat van hen kan worden verwacht dat zij hun stellingen op dit punt deugdelijk onderbouwen.

3.35 Hier komt nog bij dat niet aanstonds voor de hand ligt dat de opvattingen ten deze op de Nederlandse Antillen en in Nederland hier fundamenteel uiteenlopen. Eens te minder omdat in de CAO - die geldt voor belangrijke werkgevers - als gezinsleden expliciet worden genoemd de echtgenote of de concubine. Bovendien hebben verschillende getuigen verklaard dat het resultaat waartoe het Hof is gekomen strookt met de bedoeling van de CAO-partijen. Zou dat werkelijk het geval zijn wanneer de Antilliaanse maatschappelijke opvattingen zouden luiden als door C.P.S. aangevoerd?

3.36 Ten slotte ziet C.P.S. er aan voorbij dat 's Hofs vonnis m.i. niet zo kan worden begrepen dat ieder concubinaat, ongeacht de duur ervan, leidt tot het gevolg dat de concubine aanspraak kan maken op de litigieuze uitkering. Immers verwijst het Hof naar art. 1 onder 9a van de CAO waar de concubine expliciet wordt genoemd (rov. 6.6). Aangenomen zal mogen worden dat het Hof tevens van belang acht de definitiebepaling van art. 1 onder 12 (zoals vermeld in voetnoot 5).

3.37 Bovendien is duidelijk dat 's Hofs oordeel niet (zonder meer) geldt voor het geval de werknemer ten tijde van zijn overlijden nog gehuwd was (rov. 6.6).

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In de gedingstukken worden verschillende schrijfwijzen gehanteerd van deze naam. Aangehouden wordt de schrijfwijze gebruikt door de burgerlijke stand van Curaçao, kenbaar uit prod. 1 bij antwoordakte na comp. van partijen.

2 De CAO is volgens de s.t. onder 4 van C.P.S. nimmer algemeen verbindend verklaard.

3 Overgelegd bij cva.

4 De coördinator personeelszaken van C.P.S. heeft, gehoord als getuige, melding gemaakt van bij Fatum en Ennia afgesloten verzekeringen. Bij concl. na enquête heeft C.P.S. betoogd dat "de overlijdensuitkering (..) bij de Ennia loopt" (onder 3).

5 Concubine wordt in de CAO van juni 1993 gedefinieerd als: "De vrouw met wie de ongehuwde werknemer tenminste drie jaren duurzaam heeft samengeleefd en als zodanig bij de Werkgever is geregistreerd"; art. 1 onder 12. De CAO is bij cva in geding gebracht. Deze eisen die aan de (duur van de) samenleving worden gesteld beogen, aldus de cvr op blz. 1, te voorkomen dat een niet onaanzienlijk aantal vrouwen rechthebbende zou zijn. Een dergelijke vrees wordt ook geuit in de s.t. van mr Meijer: het toekennen van een recht op uitkering aan een concubine zou een 'in de Antilliaanse verhoudingen ongewenste precedentwerking' creëren, onder 1.6.

6 Ten minste zo begrijp ik de weinig heldere stelling zoals in het p.v. weergegeven.

7 In het tussenvonnis van 15 december 1997 oordeelde het GEA nog dat de CAO-bepaling de geregistreerde concubine wel degelijk recht lijkt te geven op een uitkering krachtens de risico levensverzekering (rov. 4.5).

8 In het verzoekschrift tot cassatie wordt terecht gewezen op Hoge Raad 21 november 1998, NJ 1999, 685.

9 's Hofs oordeel is niet per se dwingend. Met name de eerste onder 1.3.2 geciteerde volzin laat ook een andere lezing toe.

10 Vgl. de belangwekkende conclusie van 21 juni 2002 (rolnr. C 01/007) van mijn ambtgenoot Bakels met name onder 2.3 - 2.5.

11 Als C.P.S. een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten waarin de bewoordingen van bijlage C zijn gevolgd dan behoeft m.i. geen probleem te ontstaan (zie onder 3.13). De vraag wat in andere situaties rechtens is, behoeft thans geen beantwoording.

12 Zulks wordt in de s.t. van mr Meijer wél onderkend; zie reeds de eerste alinea.

13 Nu deze klacht m.i. faalt, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat 's Hofs oordeel op dit punt juist is. Bij die stand van zaken ligt in het geheel niet voor de hand dat de uitkering toekomt aan de nabestaanden (die veelal immers geen levensonderhoud derven). Het anders luidende betoog van C.P.S. - waaraan ook in de s.t. van mr Meijer onder 1.5 ampel aandacht wordt geschonken - stuit hierop m.i. af.

14 HR 31 mei 2002. RvdW 2002, 91 rov. 3.6.