Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AE9399

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2002
Datum publicatie
29-11-2002
Zaaknummer
C02/098HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AE9399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 653
JWB 2002/443
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C02/098HR

Mr Huydecoper

Zitting van 27 september 2002

Conclusie inzake

[Eiser],

eiser tot cassatie

tegen

[Verweerder]

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop

1) In het in cassatie bestreden vonnis houdt rov. 3 een weergave in van de feiten. Ik vat die samen als volgt:

De eiser tot cassatie, [eiser], heeft per 1 september 1996 een winkelruimte met woonruimte aan de [a-straat 1] in [woonplaats] gehuurd van de verweerder in cassatie, [verweerder]. De huurovereenkomst bevat, in een aanzienlijk uitvoeriger uitgewerkte formulering, de verplichting voor de huurder om daadwerkelijk in het gehuurde een bedrijf uit te oefenen en dat op de "normale" tijden voor het publiek geopend te houden. Verder bevat de overeenkomst (zoals veel voorkomt, en overigens ook krachtens art. 7A:1595 BW al geldt) een verbod van onderhuur, en een boetebeding.

2) [Verweerder] heeft in eerste aanleg ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming ten laste van [eiser] gevorderd, alsmede veroordeling van [eiser] om de in de huurovereenkomst voorziene boete te betalen. Daartoe voerde [verweerder] aan dat [eiser] zijn verplichtingen ingevolge de overeenkomst in verschillende opzichten verzaakte, o. a. door het bedrijf ter plaatse gedurende het merendeel van de tijd gesloten te houden en door de winkelruimte (in gebruik) af te staan aan anderen.

3) In eerste aanleg werd [eiser] inderdaad tot ontruiming veroordeeld. Dat vonnis is inmiddels ten uitvoer gelegd. In appel bestreed [eiser] de in dit vonnis te zijnen nadele gebezigde gronden, (voorzover) die er op neer kwamen dat hij, [eiser], de in het gehuurde gedreven winkel niet voortdurend gedurende de gebruikelijke tijden geopend heeft gehouden.

(Verschillende) andere geschilpunten die in eerste aanleg en in appel aan de orde zijn geweest, spelen in cassatie geen rol meer.

4) In het thans in cassatie bestreden vonnis heeft de rechtbank de zojuist summier omschreven grieven van [eiser] tegen het vonnis van de eerste aanleg verworpen, en dat vonnis (dus) bekrachtigd. In deze beslissing heeft de rechtbank bij de waardering van het gewicht van de aan [eiser] toerekenbare tekortkoming(en) mede in aanmerking genomen dat de kantonrechter in eerste aanleg ook andere tekortkomingen ten laste van [eiser] had vastgesteld, waartegen in appel niet is opgekomen.

Het cassatieberoep, dat tijdig en regelmatig is ingesteld, richt zich tegen het feit dat de rechtbank de zojuist bedoelde gegevens - dus de andere in eerste aanleg ten laste van [eiser] vastgestelde tekortkomingen - in de beoordeling heeft laten meewegen.

[Verweerder] is in cassatie niet verschenen. [Eiser] heeft het cassatiemiddel schriftelijk laten toelichten.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Het middel bestrijdt het oordeel van de rechtbank over het verweer van [eiser] dat ertoe strekte, dat de hem verweten tekortkomingen van onvoldoende gewicht waren om de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Het middel richt zich daarbij specifiek tegen de in alinea 4 hiervóór al aangehaalde overweging van de rechtbank, die er op neerkomt dat de rechtbank naast de tekortkoming waarop [eisers] grieven in het bijzonder gericht waren - namelijk het niet geopend houden van de in het gehuurde geëxploiteerde winkel - andere tekortkomingen van [eiser] die in eerste aanleg waren vastgesteld en die in appel niet als zodanig waren bestreden, in de beoordeling heeft betrokken.

6) Uitgangspunt bij de beoordeling van de klachten van het middel moet zijn dat wanprestatie in de regel de schuldeiser recht geeft op ontbinding van de desbetreffende overeenkomst. Dat kan anders zijn als de wanprestatie van zo geringe aard of betekenis is dat ontbinding daardoor niet wordt gerechtvaardigd - maar dat is een uitzondering op de tot uitgangspunt te nemen regel. Op die uitzondering moet de wederpartij van de partij die ontbinding vordert zich in voorkomend geval met een voldoende onderbouwd betoog beroepen(1). Een desbetreffend verweer moet vervolgens aan de hand van afweging van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld.

7) Het is heel goed denkbaar dat tekortkomingen die, op zichzelf beschouwd, onvoldoende zouden zijn om een vordering tot ontbinding te dragen, daartoe wél als voldoende worden aangemerkt als zij zich in combinatie, tegelijk of na elkaar, hebben voorgedaan. Die (sub)regel is in uitgesproken mate voor de hand liggend. Een schuldeiser kan gehouden zijn om een bepaalde, weinig zwaarwegende misstap van zijn schuldenaar door de vingers te zien (althans: om daarop niet meteen de zware sanctie van ontbinding te willen baseren); maar het gaat al gauw te ver om van een schuldeiser te verlangen dat die ook bij een schuldenaar die telkens weer over de schreef gaat - al is dat dan telkens maar in bescheiden mate - dezelfde tolerante houding aan de dag blijft leggen(2).

8) Dat is dan a fortiori het geval als het om herhaalde of langdurig plaatsvindende tekortkomingen op verschillende wezenlijke punten uit het op de schuldenaar rustende samenstel van verplichtingen gaat: als dat beeld zich voordoet moet men al gauw aannemen dat deze schuldenaar zich over de hele linie (te) weinig aan zijn verplichtingen gelegen laat liggen, en dat van een schuldeiser niet kan worden verlangd dat hij ten opzichte van die schuldenaar gebonden blijft (en dus gehouden blijft om "his side of the bargain" gewetensvol te blijven presteren). Wanprestatie, zo werd vroeger wel geleerd, kan bestaan in het niet, niet tijdig of niet behoorlijk presteren. Naarmate een schuldenaar vaak of langdurig, en op verschillende punten, tekortkomingen aan de dag legt kan men er steeds moeilijker aan voorbijgaan dat de schuldeiser van een dergelijke schuldenaar geen "behoorlijk" presteren kan verwachten - en dus geen verdere gebondenheid aan de overeenkomst voor zijn rekening hoeft te nemen.

9) Ik maak deze opmerkingen om duidelijk te maken dat juist het feit dat de schuldenaar veelvuldig/langdurig en op meerdere punten in zijn verplichtingen tekort is geschoten, er (sterk) toe kan bijdragen dat de eerstvolgende tekortkoming - al zou die op zichzelf onvoldoende zijn om ontbinding te rechtvaardigen - in die context wel als voldoende ernstig moet worden aangemerkt. Het lijkt mij dan ook bij uitstek begrijpelijk dat de rechtbank - evenals de kantonrechter in de eerste aanleg had gedaan, trouwens - aan dit aspect van het haar ter beoordeling voorgelegde geval het nodige gewicht heeft gegeven. Ik merk daarbij op dat de rechtbank gehouden was om aan dit aspect van de zaak aandacht te besteden, al omdat [verweerder] in de Memorie van Antwoord hierop gerichte stellingen had aangevoerd(3).

10) De rechterlijke motiveringsplicht varieert, onder andere naar gelang van de aard van het desbetreffende rechterlijke oordeel, het gewicht van de te nemen beslissing, de door partijen op dat punt aangevoerde stellingen, en de mate waarin de beslissing in het licht van de toepasselijke regels en/of de door partijen aangevoerde gegevens uitzonderlijk is(4).

Daarbij geldt dat de motivering begrijpelijk moet zijn, maar waar nodig: in het licht van de gedingstukken(5). Dat laatste ziet weer op twee verschillende aspecten: de mate van motivering die rechtens vereist is hangt mede af van wat er in de gedingstukken is aangevoerd (en daarom is kennisneming van de gedingstukken meestal vereist om te (kunnen) beoordelen of de gegeven motivering toereikend is); maar het kan ook zo zijn dat de rechterlijke motivering, gelezen buiten het verband van de gedingstukken, misschien niet dadelijk begrijpelijk is, maar dat die alsnog voldoende begrijpelijk wordt als men de gedingstukken er wél bij betrekt(6).

11) Met die (vuist)regels voor ogen beoordeel ik de klachten van het middel als ongegrond.

Allereerst stelt het middel een eis die rechtens niet gesteld mag worden, waar het poneert dat de rechterlijke motivering te kwalificeren zou moeten zijn als "één zodanig inzichtelijk geheel van overwegingen en beslissingen ... dat uit dat geheel klip en klaar van de tot die beslissingen redengevende overwegingen blijkt." Het zou natuurlijk mooi zijn als de motivering van beslissingen altijd aan deze verheven norm beantwoordde - maar dat is niet zo(7), en dat is rechtens ook niet vereist. Zoals hoger besproken, is het voldoende wanneer de gegeven motivering, gelezen in het licht van de gedingstukken, in redelijke mate duidelijk maakt welke overwegingen de rechter tot de gegeven beslissing hebben geleid.

12) De beslissing die het middel bestrijdt betrof een verweer waarvoor de stelplicht (en waar dat aan de orde zou zijn ook de bewijslast) bij [eiser] berustten, en tevens een verweer dat in het licht van de in alinea's 6 en 7 hiervóór aangestipte (vuist)regels, en eenmaal gegeven dat een aantal voorshands niet als verwaarloosbaar te beoordelen tekortkomingen aan de kant van [eiser] waren vastgesteld, slechts bij een alleszins gedegen onderbouwing kans van slagen maakte. Beoordeeld in het licht van de voor de rechterlijke motivering geldende uitgangspunten betekent dat, dat de beslissing tot verwerping van dit verweer niet als uitzonderlijk kan gelden, en dat voor die beslissing met een "lichtere" motivering kon worden volstaan dan bijvoorbeeld bij de beslissing om het verweer te honoreren het geval zou zijn geweest.

13) Verder was in het partijdebat van de kant van [verweerder] naar voren gebracht, dat die het gezamenlijke gewicht van de verschillende in hoofde van [eiser] vastgestelde tekortkomingen in de beoordeling betrokken wilde zien. Daarbij was ook, op de in voetnoot 3 vermelde plaatsen, duidelijk aangegeven om welke tekortkomingen het zou gaan (en daarbij geldt dat de kantonrechter in de eerste aanleg die tekortkomingen inderdaad, zoals door [verweerder] betoogd, had vastgesteld, èn dat de betreffende oordelen in appel niet waren aangevochten).

14) Volgens mij levert dat bij elkaar genomen op dat (meer dan) voldoende duidelijk is, op welke tekortkomingen aan de kant van [eiser] de rechtbank in het vonnis het oog had. Inderdaad (zoals ook in het middel wordt verondersteld) gaat het daarbij, naast de door de grieven aan de orde gestelde kwestie van het niet geopend houden van de in de gehuurde ruimte gedreven winkel, om de gedurende langere tijd plaatsgevonden ontijdige betaling van de huur, en om de met een min of meer aanzienlijke vertraging plaatsgevonden nakoming van de verplichting om een bankgarantie te stellen.

15) Of het gezamenlijke gewicht van de betreffende tekortkomingen voldoende is om ontbinding te rechtvaardigen - waarbij ik er nogmaals op wijs dat het regel is dat een tekortkoming ontbinding rechtvaardigt, en een door de schuldenaar te onderbouwen uitzondering, dat dat niet zo is - kan slechts aan de hand van feitelijke waardering van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld. (Ook) in het licht van het eerder op het thema "druppel die de emmer doet overlopen" opgemerkte, vind ik het begrijpelijk dat de rechtbank de hier vastgestelde tekortkomingen zo heeft beoordeeld als zij blijkt te hebben gedaan. Ik zou menen dat dat oordeel geen nadere motivering behoefde.

16) Dat wordt niet anders door het door het middel (in de Toelichting) benadrukte feit, dat de kantonrechter ook overwegingen heeft gegeven die ertoe strekken dat de tekortkomingen betreffende huurbetaling en bankgarantie ieder voor zich als onvoldoende zouden (kunnen) worden aangemerkt om ontbinding te rechtvaardigen. Het oordeel (van de kantonrechter) dat het hier door [eiser] begane tekortkomingen betreft was in appel niet bestreden, en moest al daarom door de rechtbank tot uitgangspunt worden genomen (waarbij ik nog opmerk dat deze waardering van de betreffende gedragingen eerder als voor de hand liggend dan als verrassend voorkomt).

Vervolgens moest de rechtbank oordelen - en heeft zij geoordeeld - over het gewicht van de gezamenlijke tekortkomingen. Van enige tegenstrijdigheid, althans voor wat betreft het oordeel van de rechtbank(8), is geen sprake.

17) Ik meen dat het middel geen vragen aan de orde stelt die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoord zouden moeten worden.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 4 februari 2000, NJ 2000, 562 m.nt. JBMV, rov. 3.4.; zie voor (veel) verdere gegevens alinea 5 van de conclusie van A-G Hartkamp; HR 22 oktober 1999, NJ 2000, 208 m.nt. JH, rov. 3.4.2 - 3.4.4; HR 27 november 1998, NJ 1999, 197, rov. 3.4; zie ook HR 9 februari 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AA9965, rov. 3.5.

2 Veel rechtspraak op dit punt betreft het veelvuldig herhaald te laat betalen van huur, zie bijvoorbeeld Handboek Huurrecht (losbl.), De Waal, art. 1596, aant. 72. Dat levert een schoolvoorbeeld op van een situatie waarin de volgende druppel de emmer kan doen overlopen.

3 Memorie van Antwoord, nrs. 2, 3, 9 en 16.

4 Burgerlijke Rechtsvordering (losbl, oud), Asser - Haardt, art. 59 aant. 8; Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, nrs. 40 en 274.

5 Zie bijvoorbeeld HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7, rov. 3.5: HR 7 april 1995, NJ 1997, 21 m.nt. EAA, rov. 3.3.

6 Zie bijv. Burgerlijke Rechtsvordering (losbl, oud), t.a.p..

7 Daarmee suggereer ik overigens geen kritiek op het niveau van de motivering van rechterlijke beslissingen in het algemeen. Vaak genoeg is het partijdebat van dien aard, en is ook de moeilijkheidsgraad van de verlangde beoordelingen dusdanig, dat heel goed te begrijpen valt dat daarop geen als "klip en klaar" te kwalificeren motivering kon volgen. Op lastige vragen past nu eenmaal niet altijd een eenvoudig en overzichtelijk antwoord.

8 Het middel beroept zich in dit verband alleen op vermeende tegenstrijdigheden in de beoordeling door de kantonrechter. Nog daargelaten dat ook die verwijten mij niet juist lijken, lag het niet op de weg van de rechtbank om de in appel onbestreden oordelen van de kantonrechter in dit opzicht nader te onderzoeken.